Einde inhoudsopgave
Personentoetsingen in de financiële sector (O&R nr. 127) 2021/1.8.3
1.8.3 Effectiviteit van personentoetsingen
mr. drs. I. Palm-Steyerberg, datum 01-03-2021
- Datum
01-03-2021
- Auteur
mr. drs. I. Palm-Steyerberg
- JCDI
JCDI:ADS268418:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Europees financieel recht
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld P. Lakeman, De nieuwe kleren van Keizer Knot. Toetsings- en hertoetsingspraktijken van DNB, De Meern: Stichting SOBI 2015.
Rogier, L.J.J., Preventieve bestuurlijke rechtshandhaving (oratie Rotterdam), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2006, p. 39.
Rapport van de Commissie Ottow, p. 10 en 96.
EIOPA, “Results of the peer review on propriety of administratieve, management or supervisory body members and qualifying shareholders,” 25 januari 2019, p. 35 en de in Annex 2 genoemde onderzoeksrapporten (het Müller-rapport en het Sharma-rapport).
Vergelijk hetgeen in het VK is opgemerkt over het toetsingsregime aldaar: “Where elements of the regime have already been implemented, experience suggests that it is providing a positive discipline on firms and their key decision-makers. At the same time, the SM&CR forms part of a broader set of measures to improve decision-taking and provide incentives for prudent risk- taking, and should therefore be viewed alongside assessments of board effective ness, sustainable remuneration policies and strengthened market codes” (https://www.bankofengland.co.uk/quarterly-bulletin/2018/2018-q3/strengthening-the-link-between-seniority-and-accountability).
Tot slot zij opgemerkt dat het onderhavige proefschrift een juridische invalshoek heeft. Empirisch onderzoek naar de effectiviteit van de door de toezichthouder uit te voeren personentoetsingen valt daarom buiten het bestek van deze studie. Dit betekent niet dat op dit punt geen interessante vragen kunnen worden gesteld. Zo is door critici wel gewezen op het feit dat de personentoetsingen latere schandalen in de financiële sector niet hebben kunnen voorkomen.1 Ook een auteur als Rogier geeft aan dat individuele preventieve maatregelen (zoals aanvangstoetsingen) veelal berusten op extrapolatie van gedrag uit het verleden en dat dit een risico-inschatting vergt van het betrokken bestuursorgaan. Hier hoeft zijns inziens in zijn algemeenheid niet teveel van worden verwacht: “de toekomst voorspellen is niet iedereen gegeven”.2
Daar staat tegenover dat uit het rapport van de commissie Ottow blijkt dat kandidaten unaniem positief zijn over toetsing als instrument van de toezichthouders, en dat de toetsing zorgt voor kwaliteitsborging van bestuurders en commissarissen en het lerend vermogen van de sector verhoogt. De geschiktheidstoetsing wordt als effectief ervaren. Door de toetsingen heeft, zo geeft men aan, een verbetering van de bestuurlijke capaciteit plaatsgevonden in de sector.3 Ook EIOPA heeft verbanden aangetroffen tussen falende of bijna falende verzekeraars en een gebrek aan geschiktheid en betrouwbaarheid van personen met een sleutelpositie in die verzekeraars.4 De Bank of England beschouwt personentoetsingen als een effectief en essentieel onderdeel van een palet aan toezichtmaatregelen ter bevordering van een integere en gezonde governance en bedrijfscultuur.5 Hoewel de commissie Ottow ook optekent dat de toetsingen mogelijk negatieve effecten kunnen hebben op de gewenste diversiteit in kennis, achtergrond en expertise van voorgedragen kandidaten (zie hierover Hoofdstuk 6), lijkt een veilige aanname dat toetsingen misstanden niet kunnen voorkomen, maar wel de kans erop verkleinen. In dit proefschrift wordt deze aanname als uitgangspunt gehanteerd.