Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.6.3.3
6.6.3.3 Het vragen van een voorlopige voorziening
1
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS949824:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Barkhuysen e.a. 2022, p. 277.
Zie over de beoordeling van het verzoek Schreuder-Vlasblom 2017, p. 1111-1116. Borman, in: T&C Awb, art. 8:81 Awb, aant. 2e, spreekt over de communicerende vaten van het spoedeisend belang (onomkeerbaarheid) en het voorlopig rechtmatigheidsoordeel. Barkhuysen e.a. 2022, p. 334-335: “Heeft de rechter een sterk vermoeden dat het besluit de bodemprocedure niet zal overleven, dan is hij veel eerder geneigd een voorziening te treffen. Zo zal de constatering dat een besluit in strijd is met een wettelijk voorschrift van materieel recht veelal resulteren in een voorlopige voorziening. Betwijfelt hij of het besluit onrechtmatig is, dan zal hij veel minder snel een voorziening treffen. Hij kan dan nog wel een belangenafweging maken, maar zal eigenlijk alleen ingrijpen als het besluit tot flinke onomkeerbare gevolgen leidt.”
Op grond van Titel 7 “Fusie en splitsing” Boek 2 BW.
Deze bepaling is ingevoerd per 1 juli 2012. Zie voor een bespreking van art. 1:25d Wft onder meer Asser-De Serière 2-IV 2018/903-908 en Grundmann-van de Krol 2022, p. 415-425. Bijvoorbeeld Roth gaat in Ondernemingsrecht 2017/147, p. 847-857 ook in op diverse aspecten van de beperkte aansprakelijkheid van DNB en de AFM.
Roth, Ondernemingsrecht 2017/147, p. 853-854 en Grundmann-van de Krol 2022, p. 419.
Voorzieningenrechter Rb. Rotterdam 22 november 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:CA3894, JOR 2013/244, m.nt. C.M. Grundmann-van de Krol. Het betrof een verzoek om schorsing van een besluit van DNB om op grond van art. 1:76 Wft een (stille) curator te benoemen. De rechtbank overwoog: “Bovendien hebben verzoeksters er niet ten onrechte op gewezen dat in zoverre sprake is van een onomkeerbare situatie nu met de invoering van artikel 1:25d van de Wft DNB en haar organen niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de eventuele schade die ontstaat door onrechtmatig ingrijpen door DNB, tenzij deze schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld. Bij de belangenafweging in het kader van artikel 8:81 van de Awb kan aan dit aspect niet voorbij worden gegaan.” (r.o. 12.3). Roth, Ondernemingsrecht 2017/147, p. 853-854 gaat ook in op de consequenties van de aansprakelijkheidsbeperking voor bestuursrechtelijke procedures tegen DNB en de AFM. Hij noemt deze uitspraak ook expliciet.
Nuijten 2018, p. 30-31.
Voorzieningenrechter Rb. Rotterdam 9 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:13702, JOR 2023/129, Rechtspraak Financieel recht 2023/22. De rechtbank overwoog onder meer: “Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het belang van [Namen] bij toewijzing van hun verzoeken om voorlopige voorziening groot worden geacht. [Namen] worden met de door DNB aan hen gegeven aanwijzing gedwongen tot overdracht van een deel van hun aandelen in [Naam]. (…) Verder acht de voorzieningenrechter van belang dat er bezwaarlijk van kan worden uitgegaan dat een gedwongen aandelenoverdracht vóór een bepaalde datum kan plaatsvinden onder redelijke voorwaarden en desgewenst ook weer onder redelijke voorwaarden kan worden teruggedraaid na een eventuele herroeping van de aanwijzing in de bodemprocedure. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in aanmerking dat eventuele schade, zoals [Namen] terecht hebben opgemerkt, niet of lastig op DNB is te verhalen, aangezien DNB op grond van artikel 1:25d, eerste lid, van de Wft niet aansprakelijk is voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van haar taken of bevoegdheden, tenzij deze schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld (…).” (r.o. 3.3).
Nadat verklaringen van geen bezwaar voor het houden van een middellijke gekwalificeerde deelneming, na hertoetsing van de betrouwbaarheid van de betrokkenen, waren ingetrokken.
Zodat de aansprakelijkheidsbeperking mogelijk een relevanter element in de overwegingen van de voorzieningenrechter zou zijn om een besluit van DNB al dan niet te schorsen.
Allereerst omdat het mij in dergelijke complexe zaken niet aan de bestuursrechter lijkt om impliciet ook een civielrechtelijk oordeel te hebben over de hoogte van de eventuele schade en of die schade eventueel voor vergoeding in aanmerking komt door anderen dan DNB. Ten tweede omdat de voorzieningenrechter zich toch zou kunnen afvragen of de toezichthouder een toetsing op exact dezelfde wijze zou hebben uitgevoerd, en het instemmingsbesluit er exact hetzelfde uit zou hebben gezien, indien er wel het risico zou bestaan om voor de gevolgen van dat besluit aansprakelijk te worden gehouden.
Zie voor een recent voorbeeld de Staatscourant van 4 januari 2023, nr. 497 waarin in de rubriek Mededeling verzekeringswezen melding wordt gemaakt van de juridische fusie tussen Phoenix N.V. als verdwijnende rechtspersoon en Waard Leven N.V. als verkrijgende rechtspersoon. Volgens de advertentie heeft DNB op 22 december 2022 instemming verleend en heeft het notarieel verlijden van de akte van juridische fusie plaatsgevonden op 2 januari 2023.
Boshuizen en Jager 2010, p. 252-253.
Zie hierna hoofdstuk 6.6.8.3.
Inleiding
Het maken van bezwaar of het instellen van beroep schorst de werking van het instemmingsbesluit van DNB niet. In art. 6:16 Awb is namelijk bepaald dat het bezwaar of het beroep niet de werking schorst van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij of krachtens wettelijk voorschrift anders is bepaald. Hier is voor gekozen om te voorkomen dat juridische procedures de slagvaardigheid van het openbaar bestuur in gevaar brengen.2
Om te voorkomen dat de bestuursrechtelijke procedure te weinig waarborgen biedt,3 bestaat wel de mogelijkheid voor een belanghebbende om een voorlopige voorziening te vragen. Op grond van art. 8:81 Awb kan de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het vragen van zo’n voorlopige voorziening, zoals de schorsing van het besluit van het bestuursorgaan, is zowel mogelijk in de bezwaarfase als in de fase van beroep. Voorwaarde is dat een bezwaarschrift is ingediend bij het bestuursorgaan of dat een beroepschrift bij de bestuursrechter is ingediend, en de desbetreffende procedure nog aanhangig is. Dat wordt het “connexiteitsvereiste” genoemd.4 Als het bezwaar of het beroep wordt ingetrokken, dan vervalt de voorlopige voorziening.5 De voorlopige voorziening blijft bestaan totdat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan.6
Voor het treffen van een voorlopige voorziening, zoals de schorsing van het besluit, is dus een spoedeisend belang vereist. Er is in beginsel sprake van spoedeisendheid indien de gevolgen van het besluit niet meer te herstellen zijn, dus als er sprake is van onomkeerbare gevolgen. Er lijkt ook vanuit te kunnen worden gegaan dat naarmate de bestuursrechter meer twijfels heeft over de rechtmatigheid van het besluit, hij eerder de spoedeisendheid zal aannemen.7
Degene die bezwaar maakt bij DNB tegen een instemmingsbesluit van DNB over een portefeuilleoverdracht, juridische fusie of juridische splitsing kan de Rechtbank Rotterdam8 dus op grond van art. 8:81 Awb vragen dat instemmingsbesluit te schorsen. Hetzelfde geldt indien hij in beroep gaat bij de Rechtbank Rotterdam ten aanzien van het besluit van DNB om het instemmingsbesluit te handhaven.
Een voorlopige voorziening in geval van juridische fusie (of juridische splitsing)
In hoofdstuk 6.6.2.2 heb ik beschreven dat herroeping van het instemmingsbesluit van DNB in verband met de werking van art. 1:23 Wft niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van het besluit9 tot juridische fusie. Hierdoor kan er dus ook géén sprake zijn van vernietiging van de juridische fusie op grond van het bepaalde in art. 2:323 lid 1 onder c BW. Dit betekent dat als DNB instemt met de juridische fusie van verzekeraars er nadat de akte van juridische fusie door de notaris is verleden voor wat betreft de juridische fusie een onomkeerbare situatie is ontstaan. De juridische fusie kan niet meer ongedaan worden gemaakt op grond van art. 2:323 lid 1 onder c BW. Ik veronderstel daarom dat de belanghebbende die op grond van art. 7:1 Awb bezwaar maakt tegen het instemmingsbesluit van DNB, en die tevens voorafgaand aan het passeren van de akte van juridische fusie op grond van art. 8:81 Awb aan de Rechtbank Rotterdam vraagt om het instemmingsbesluit te schorsen, een redelijke kans heeft dat de rechtbank inderdaad over zal gaan tot schorsing van het instemmingsbesluit. Gelet op het vorenstaande zou de rechtbank immers kunnen aannemen dat er sprake is van een spoedeisend belang. De juridische fusie mag dan niet meer plaatsvinden. Dit is van overeenkomstige toepassing bij een juridische splitsing.
Daarbij komt dat de voorzieningenrechter bij zijn beslissing om het instemmingsbesluit van DNB al dan niet te schorsen mogelijk ook in aanmerking zal nemen, dat art. 1:25d lid 1 Wft10 een wettelijke beperking van aansprakelijkheid van DNB bevat. DNB is volgens die bepaling niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door een handelen of nalaten in de uitoefening van een op grond van een wettelijk voorschrift opgedragen taak of verleende bevoegdheid, tenzij deze schade in belangrijke mate het gevolg is van een opzettelijk onbehoorlijke taakuitoefening of een opzettelijk onbehoorlijke uitoefening van bevoegdheden of in belangrijke mate te wijten is aan grove schuld. Deze beperking van aansprakelijkheid geldt ook indien bestuursrechtelijke besluiten door de bestuursrechter worden vernietigd.11 In een uitspraak van 22 november 2012 van de Rechtbank Rotterdam over een voorlopige voorziening (een uitspraak kort na de invoering van het wetsartikel) speelde deze beperking van aansprakelijkheid voor het eerst een rol.12 In 2018 merkt Nuijten nog op dat meer of andere uitspraken, waarin de rechter in de belangenafweging rekening heeft gehouden met de beperkingen die uit art. 1:25d Wft voortvloeien, haar niet bekend zijn.13 Maar deze gedachtegang kwam toch weer aan de orde in een in 2023 gepubliceerde uitspraak van 9 februari 2021.14 Deze laatste uitspraak had betrekking op een door DNB gegeven aanwijzing tot overdracht van een deel van de aandelen gehouden door de verzoekers van de voorlopige voorziening.15 Deze aansprakelijkheidsbeperking werkt in een dergelijke gedachtegang dus ten nadele van DNB. Weliswaar lijkt het in laatstgenoemde zaak zo dat DNB de enige voor de hand liggende partij zou zijn om schade op te verhalen,16 terwijl in geval van een juridische fusie ook de verzekeraar mogelijk in aanmerking zou kunnen komen als partij waarvan door een belanghebbende gevorderd zou kunnen worden om beweerde schade te vergoeden, maar dat verschil lijkt mij niet doorslaggevend om aan te nemen dat een dergelijke overweging van de voorzieningenrechter in het geval van een verzoek om schorsing van een instemmingsbesluit van DNB over een juridische fusie geen rol zou kunnen spelen.17
Vanuit het oogpunt van de polishouder lijkt hier op het eerste gezicht dus sprake van voor de polishouder adequate rechtsbescherming. De kans dat de polishouder erin slaagt om de voorzieningenrechter (de Rechtbank Rotterdam) zich nog voorafgaand aan het verlijden van de akte van juridische fusie te laten buigen over een verzoek om het instemmingsbesluit van DNB te schorsen is echter klein. Ten eerste is de kans dat een polishouder meteen op de hoogte is dat DNB een instemmingsbesluit heeft genomen gering. Er is immers in de Wft geen wettelijke verplichting van een betrokken verzekeraar of DNB opgenomen om voorafgaand aan het verlijden van de akte van juridische fusie bekend te maken dat een instemmingsbesluit is genomen. Ten tweede zullen de verzekeraars de akte van juridische fusie waarschijnlijk spoedig na het instemmingsbesluit laten verlijden.18 Dit gebeurt, omdat DNB dit van de betrokken verzekeraars verwacht. Deze praktijk bestaat al jarenlang. Boshuizen en Jager vermeldden hierover destijds het volgende:19
“DNB stelt als voorwaarde dat de akte van fusie of splitsing zo spoedig mogelijk wordt verleden nadat zij haar instemming eenmaal heeft verleend. Zou dit te lang gaan duren, dan geschiedt de fusie of splitsing op basis van nieuwe financiële gegevens die DNB niet bij haar beoordeling heeft kunnen betrekken.”
Indien de verzekeraars de akte spoedig na de ontvangst van het instemmingsbesluit laten verlijden, dan kan het “wegvallen” van het instemmingsbesluit van DNB door een oordeel van de bestuursrechter hen feitelijk niet echt meer deren. De juridische fusie of de juridische splitsing kan op grond van het herroepen van het instemmingsbesluit immers niet vernietigd worden. Als zij wachten, lopen zij het risico dat het instemmingsbesluit wordt aangetast en dat de akte niet meer verleden mag worden. Zo geredeneerd is het dan eigenlijk door deze jurisprudentie ook in het belang van de verzekeraars zelf om de akte spoedig na het instemmingsbesluit te laten verlijden.
Een voorlopige voorziening in geval van een “gewone” portefeuilleoverdracht
In hoofdstuk 6.6.2.3 heb ik beschreven dat een “gewone” portefeuilleoverdracht nietig is, indien het instemmingsbesluit van DNB zou worden herroepen. In het geval dat de toestemming wordt herroepen, was immers voor de portefeuilleoverdracht de medewerking van de polishouders noodzakelijk geweest. Die medewerking is niet gevraagd. De “gewone” portefeuilleoverdracht is strikt genomen dus niet juridisch onomkeerbaar. Ik veronderstel daarom dat de belanghebbende die op grond van art. 7:1 Awb bezwaar maakt tegen het instemmingsbesluit van DNB en die tevens voorafgaand aan de “gewone” portefeuilleoverdracht op grond van art. 8:81 Awb aan de Rechtbank Rotterdam vraagt om het instemmingsbesluit te schorsen, minder kans maakt dat de rechtbank inderdaad over zal gaan tot schorsing van het instemmingsbesluit dan de belanghebbende bij een instemmingsbesluit van DNB met betrekking tot een fusie of splitsing van verzekeraars. De kans lijkt immers kleiner dat de rechtbank aanneemt dat er sprake is van een spoedeisend belang. De kans dat de Rechtbank Rotterdam het instemmingsbesluit schorst lijkt mij echter ook niet geheel denkbeeldig. De polishouder zal mogelijk toch enkele gevolgen van de “gewone” portefeuilleoverdracht kunnen benoemen die in de praktijk lastig terug te draaien zijn, indien het instemmingsbesluit van DNB uiteindelijk zou worden herroepen en de portefeuilleoverdracht nietig wordt geacht. Maar ook hier geldt dat de kans dat een polishouder meteen op de hoogte is, dat DNB een instemmingsbesluit heeft genomen, gering is. Bovendien is niet uitgesloten20 dat de betrokken verzekeraars ervoor kiezen de portefeuilleoverdracht, ondanks de mogelijkheid dat een belanghebbende bezwaar maakt, toch snel na het instemmingsbesluit te laten plaatsvinden.
Conclusie
Bezwaar tegen het instemmingsbesluit van DNB, en het instellen van beroep tegen het door DNB met betrekking tot het bezwaar genomen besluit, leiden niet tot schorsing van het instemmingsbesluit. De belanghebbende die bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld kan de Rechtbank Rotterdam op grond van art. 8:81 Awb wel om een voorlopige voorziening (de schorsing van het instemmingsbesluit) vragen. De kans dat het instemmingsbesluit door middel van het treffen van een voorlopige voorziening op grond van art. 8:81 Awb voorafgaand aan het passeren van de akte van juridische fusie, het passeren van de akte van juridische splitsing of de “gewone” portefeuilleoverdracht, wordt geschorst, lijkt in de praktijk klein. Die kans zal alleen stijgen:
indien er méér dan thans het geval is wordt gedaan om ervoor te zorgen dat polishouders (en andere belanghebbenden in de zin van art. 1:2 Awb) ervan op de hoogte zijn dat DNB een instemmingsbesluit heeft genomen; en
er wordt gewacht met het passeren van de akte van juridische fusie of juridische splitsing, en de “gewone” portefeuilleoverdracht, nadat DNB het instemmingsbesluit heeft genomen totdat de bezwaartermijn van zes weken verstreken is.
In mijn aanbevelingen in hoofdstuk 10.4 ga ik hier verder op in.