Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/6.6.6
6.6.6 Is de begunstigde derde van de levensverzekering dan óók belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb?
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950489:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1486 (Optas); Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1487 (Optas); Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1488 (Optas) en Rb. Rotterdam 26 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:1489 (Optas). Deze uitspraken zijn tevens gepubliceerd respectievelijk besproken in: Rechtspraak Financieel recht 2021/61, m.nt. R. van de Meerakker; PJ 2021/44; Pensioenrecht Updates 2021/50; Van Wijk en Land, VAST 2021/N-021; Van Wijk, de Beursbengel juli-augustus 2021, p. 27.
CBb 14 december 2021, ECLI:NL:CBB:2021:1063, Nederlands Juristenblad 2022/250; Jurisprudentie Bestuursrecht 2022/37, m.nt. R.J.N. Schlössels; JOR 2022/64, m.nt. S.M.C. Nuijten; JIN 2022/78, m.nt. R.J.N. Schlössels; Pensioenrecht Updates 2022/66; Rechtspraak Financieel recht 2022/37; AB Rechtspraak Bestuursrecht 2022/204, m.nt. R. Stijnen; JONDR 2022/479; Ondernemingsrecht 2022/22, m.nt. A.M.M. Menken (Polishouders Optas/DNB).
Zie hoofdstuk 5.6.2.2.
Ik heb de akte van statutenwijziging van Optas Pensioenen N.V. d.d. 21 april 2015 opgevraagd bij de Kamer van Koophandel (https://www.kvk.nl). De “verklaring integrale tekst” is aan de akte van statutenwijziging gehecht. De vennootschap heeft volgens artikel 3 van de statuten ten doel: “door middel van pensioen, krachtens een pensioenregeling in de zin van de wettelijke bepalingen betreffende de loonbelasting voorzieningen te treffen ten behoeve van werknemers en gewezen werknemers ter zake van ouderdom en invaliditeit ten behoeve van zichzelf, hun (gewezen) echtgenoten, (gewezen) partners en hun eigen kinderen, stiefkinderen en pleegkinderen die de leeftijd van dertig jaar nog niet hebben bereikt” en het herverzekeren van de risico’s die daaruit voortvloeien.
Zie de correspondentie, onder meer met DNB en de Rechtbank Rotterdam, die is gepubliceerd op https://www.fnvhavens.nl. Bij het gebruik van de zoekterm “Optas” wordt men doorgelinkt naar de pagina https://www.fnvhavens.nl/attachments. Aan een aantal van de bijlagen op die pagina, zoals bijvoorbeeld die van 10 juli 2019 met de naam “DNB ten voeten uit! DNB maakt zich drukker om zichzelf en het kapitaal dan om de gewone verzekerden”, zijn vervolgens ook weer bijlagen gehecht, zoals het door FNV Havens, enkele leden en een aantal havenwerkgevers bij de Rechtbank Rotterdam ingediende beroepschrift met bijlagen.
Rb. Den Haag 21 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:2195; JIN 2019/67, m.nt. M. Poelsema; Rechtspraak Notariaat 2019/51; JONDR 2019/462; JOR 2019/131, m.nt. H. Koster (Optas). Deze uitspraak heb ik besproken in hoofdstuk 5.6. Deze uitspraak had betrekking op het verzetrecht op grond van Boek 2 BW bij een juridische fusie. Zie over deze uitspraak ook Koster, Juridische Berichten voor het Notariaat februari 2020, p. 11-13.
R.o. 2.2.
Het advocatenkantoor Pels Rijcken heeft (als landsadvocaat) voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een juridisch advies d.d. 24 maart 2022 geschreven over de vraag of individuele (gewezen) pensioendeelnemers aan een pensioenregeling van een pensioenfonds, en gepensioneerden, belanghebbende zijn in de zin van art. 1:2 Awb ten aanzien van een beslissing van DNB om, na invoering van de Wet toekomst pensioenen, een verbod of geen verbod uit te spreken om in het oude pensioenstelsel opgebouwde pensioenaanspraken- en rechten om te zetten naar een gewijzigde pensioenovereenkomst. Pels Rijcken concludeert dat uit de uitspraak van het CBb van 14 december 2021 inderdaad kan worden afgeleid dat deze betrokkenen belanghebbenden zijn in de zin van art. 1:2 Awb bij zo’n besluit van DNB om wel of geen verbod tot waardeoverdracht op te leggen, en dat voor betrokkenen tegen dat besluit dus bestuursrechtelijke rechtsbescherming open staat. Het advies is een bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 8. Deze opvatting van Pels Rijcken illustreert dat de vraag of een begunstigde bij een collectieve levensverzekering belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb is bij het instemmingsbesluit van DNB, zeker niet vergezocht en theoretisch is.
Slot van r.o. 6.4.1.
De Rechtbank Rotterdam1 en het CBb2 spreken in deze uitspraken over polishouders van Optas. Het is de vraag of het hier voor wat betreft alle eisers eigenlijk wel gaat om polishouders. Ik heb de indruk dat een deel van hen mogelijk geen polishouder is, maar de begunstigde van collectieve levensverzekeringen die met Optas zijn gesloten. Bij collectieve levensverzekeringen is de werkgever de polishouder en zijn de (voormalige) werknemers begunstigden die hun begunstiging hebben aanvaard.3 Uit stukken over deze kwestie is bij mij de gedachte ontstaan dat – alhoewel de rechtbank en het CBb spreken over polishouders – het eigenlijk gaat om polissen waarbij de havenwerkgevers de polishouders zijn en de huidige en voormalige havenwerknemers de begunstigden daarvan. Mijn veronderstelling is dat deze casus eigenlijk gaat om collectieve levensverzekeringen.
Dat baseer ik ten eerste op de statutaire doelomschrijving van Optas Pensioenen, die naar mijn mening de doelomschrijving is van een verzekeraar die collectieve levensverzekeringen sluit.4
Ten tweede baseer ik mij op de correspondentie inzake Optas Pensioenen die ik aantrof op de website van FNV Havens.5 Aanvankelijk wordt in die stukken meestal over verzekerden of deelnemers gesproken. Uit die stukken ontstaat het beeld dat de rechtbank en het CBb mogelijk over polishouders zijn gaan spreken, omdat de betrokkenen zichzelf in hun stukken op verschillende plekken als zodanig zijn gaan aanduiden.
Ten derde baseer ik die gedachte op de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 21 februari 20196 waarin ten aanzien van de verzoekster wordt opgemerkt dat de “ex-werkgever van verzoekster” “een drietal (collectieve) pensioenverzekeringen en (collectieve) aanvullingen daarbij bij Optas afgesloten” heeft.7 Zij was dus in ieder geval begunstigde en niet zelf polishoudster.
Maar eigenlijk doet het er niet toe of het in deze specifieke casus ging om collectieve levensverzekeringen en de begunstigden daarvan. Belangrijker is dat de door het CBb in de uitspraak van 14 december 2021 gebruikte argumentatie om “polishouders” te kwalificeren als belanghebbenden in de zin van art. 1:2 Awb, tevens te gebruiken lijkt om de begunstigden van collectieve levensverzekeringen als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb te beschouwen. Ook zij kunnen immers door de overdracht van de levensverzekeringen geraakt worden in hun eigen, persoonlijke financiële situatie.
De kring van belanghebbenden bij een instemmingsbesluit op grond van art. 3:119 lid 4 Wft is aldus geredeneerd dan groter dan het op het eerste gezicht lijkt op grond van de uitspraak van het CBb. Ook de begunstigden van collectieve levensverzekeringen kunnen daar dan mogelijk toe behoren.8
Als dat zo is, dan kunnen begunstigde derden van individuele levensverzekeringen mogelijk ook als belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb gekwalificeerd worden bij instemmingsbesluiten op grond van art. 3:119 lid 4 Wft. De door de rechters gebruikte argumentatie zou dan immers mogelijk ook met betrekking tot deze groep gebruikt kunnen worden.
Niet alleen polishouders van levensverzekeringen, maar ook begunstigden bij collectieve levensverzekeringen en begunstigde derden bij individuele levensverzekeringen hebben in een dergelijke redenering dan mogelijk het recht van bezwaar en beroep op grond van de Awb.
Het vorenstaande heeft naar mijn mening nog eens extra betekenis gelet op de conclusie die ik trok in hoofdstuk 5.6.2.3, namelijk dat begunstigden bij collectieve levensverzekeringen géén gebruik kunnen maken van het Wft-verzetrecht. Dat zij wél gebruik kunnen maken van rechten op grond van de Awb geeft hen dan toch de mogelijkheid zélf op te komen voor hun eigen, persoonlijke financiële positie in verband met de collectieve levensverzekering.
Er lijkt dus op grond van de uitspraak van het CBb van 14 december 2021 beargumenteerd te kunnen worden dat ook begunstigde derden belanghebbende kunnen zijn bij een instemmingsbesluit van DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft. In een debat over de vraag of de begunstigde derde inderdaad óók gekwalificeerd kan worden als belanghebbende, lijkt me het belangrijkst om voor ogen te houden dat het CBb ten aanzien van de polishouder oordeelde dat “de betrokkenheid van zijn rechts- of belangpositie bij het besluit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt”.9 Ten aanzien van de begunstigde bij een collectieve levensverzekering (die wordt geacht de begunstiging te hebben aanvaard) en de begunstigde derde van een individuele levensverzekering die al een uitkering geniet of waarvan de begunstiging al onherroepelijk is geworden, lijkt mij de kans van slagen bij het bepleiten dat ook hun positie een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt, groter dan in het geval van de begunstigde derde van een individuele levensverzekering waarvan de begunstiging nog niet onherroepelijk is. De aanwijzing van een derde als begunstigde kan volgens art. 7:968 BW met name niet meer worden herroepen (a) indien die derde haar heeft aanvaard, (b) indien het risico is geëindigd door het overlijden van de verzekerde en (c) indien een uitkering opeisbaar wordt.
Ik veronderstel daarom totdat anders mocht blijken, dat de begunstigde bij een collectieve levensverzekering, en de begunstigde derde van een individuele levensverzekering die al een uitkering geniet of waarvan de begunstiging al onherroepelijk is geworden, wél belanghebbende in de zin van art. 1:2 Awb is bij het instemmingsbesluit van DNB op grond van art. 3:119 lid 4 Wft, maar dat de begunstigde derde van een individuele levensverzekering waarvan de begunstiging nog niet onherroepelijk is geworden géén belanghebbende is in de zin van art. 1:2 Awb bij dat besluit.