Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/5.4.2
5.4.2 Van machtigingssysteem naar een systeem van wettelijke uitzonderingen met controle achteraf
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579947:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Witboek Modernisering van de regels inzake de toepassing van de art. 85 en 86 van het EG-Verdrag, 28 april 1999 (Programma van de Commissie, nr. 99/027), PbEG 1999, C-132/1, § 47. Dit lijkt op een uitspraak die in het criminele circuit niet zal misstaan. Zie over het Witboek bijvoorbeeld Rodger 1999, p. 653-663; Wesseling 1999, p. 420-433; Wezenbeek-Geuke 1999, p. 169-178 en de bijdragen van diverse auteurs in Rivas & Horspool 2000.
Van den Bossche 2000, p. 146.
Van den Bossche 2000, p. 152.
Witboek, PbEG 1999, C 132/1, § 84.
Witboek, PbEG 1999, C 132/1, Samenvatting, § 14.
Van den Bossche 2000, p. 153; Witboek, PbEG 1999, C 132/1, § 72.
Grootste verandering ten opzicht van de oude situatie is dat de bevoegdheid om artikel 81 lid 3 EG toe te passen aan de nationale mededingingsautoriteiten én de nationale rechters toekomt. Het monopolie van de Europese Commissie om individuele ontheffingen te verlenen op grond van artikel 81 lid 3 EG, is onder het regime van de huidige verordening verdwenen. Artikel 1 Verordening 1/2003 schaft het machtigingssysteem of ontheffingssysteem af en introduceert het systeem van wettelijke uitzonderingen. Het artikel luidt als volgt:
'1. Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 81, lid 1, van het Verdrag die niet aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, van het Verdrag voldoen, zijn verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is.
Overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen als bedoeld in artikel 81, lid 1, van het Verdrag die aan de voorwaarden van artikel 81, lid 3, van het Verdrag voldoen, zijn niet verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is.
Het misbruik maken van een machtspositie als bedoeld in artikel 82 van het Verdrag is verboden, zonder dat hiertoe een voorafgaande beslissing vereist is.'
Artikel 6 Verordening 1/2003 bepaalt nog eens dat nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn de artikelen 81 EG en 82 EG toe te passen. De introductie van een systeem van wettelijke uitzonderingen is opmerkelijk, nu de Commissie voor de inwerkingtreding van Verordening 1/2003 een monopolie had om artikel 81 lid 3 EG toe te passen. Deze bevoegdheid was van groot belang omdat de Commissie artikel 81 EG zeer ruim heeft uitgelegd. Op deze manier werd de toepassing van het Europees mededingingsrecht zoveel mogelijk gecentraliseerd in Brussel. Als gevolg van die ruime uitleg waren de meeste beperkingen van de handelsvrijheid direct als een beperking van de mededinging te kwalificeren. Alleen via een geslaagd beroep op artikel 81 lid 3 EG kon worden ontkomen aan het kartelverbod zoals neergelegd in artikel 81 lid 1 EG. Daarbij werden ontheffingen in de zin van artikel 81 lid 3 EG slechts voor een beperkte tijd afgegeven. Indien de ontheffing dreigde af te lopen, moest de betrokken onderneming zich weer bij de Commissie aanmelden voor een eventuele verlenging.
In het Witboek betreffende de modernisering van de regels inzake de toepassing van de artikelen 85 en 86 van het EG-Verdrag werd het monopolie van de Commissie omschreven als een 'obstakel dat een gedecentraliseerde toepassing van het Gemeenschapsrecht in de weg staat' en dat dan ook 'uit de weg moet worden geruimd.'1 De Commissie geeft voorrang aan Machten die voor de Gemeenschap van bijzonder politiek, economisch of juridisch belang zijn. Alle overige Machten zouden hun beslag moeten krijgen bij de nationale autoriteiten of de nationale rechterlijke instanties.2 Het machtigingssysteem is vervangen door een systeem van wettelijke uitzonderingen met controle achteraf. Vroeger was het verboden, tenzij toegestaan na aanmelding bij de Commissie. Nu is het toegestaan, zolang niet verboden.3
Van groot belang blijft een coherente toepassing van de Europese mededingingsregels in de gehele EU. Het is in een systeem van wettelijke uitzonderingen van groot belang dat de regels voldoende voorzienbaar en coherent zijn om de marktdeelnemers in staat te stellen de wettigheid van hun overeenkomsten te beoordelen.4 De Commissie denkt de coherente toepassing van het communautaire mededingingsrecht in stand te houden door verordeningen vast te stellen en mededelingen aan te nemen waarin de belangrijkste regelen inzake de interpretatie van de artikelen 81 en 82 EG worden uiteengezet. Ook wil de Commissie verbodsbeschikkingen en positieve beschikkingen blijven nemen die kunnen dienen als richtsnoer bij de interpretatie van deze bepalingen.5 Met behulp van verordeningen, bekendmakingen, mededelingen en beschikkingen hoopt de Commissie voldoende duidelijkheid voor marktdeelnemers en nationale rechters te creëren.
Naast de nationale mededingingsautoriteiten zijn ook de nationale rechters bevoegd om te beoordelen of een overeenkomst voldoet aan de in artikel 81 lid 3 EG gestelde voorwaarden. De nationale rechter moet van elke mogelijke mededingingsbeperkende afspraak die hem wordt voorgelegd, de concurrentiebeperkende effecten toetsen aan het eerste lid van artikel 81 EG en vervolgens de eventuele economische voordelen van de afspraak toetsen aan het derde lid van artikel 81 EG.6 Artikel 81 lid 3 EG krijgt dus rechtstreekse werking voor de burgerlijke rechter. Mededingingsbeperkende afspraken die op grond van artikel 81 lid 1 EG verboden zouden zijn, maar aan de voorwaarden van artikel 81 lid 3 EG voldoen, zijn wettig vanaf het ogenblik waarop ze tot stand zijn gekomen, zonder dat een beschikking of aanmelding is vereist. Concurrentiebeperkende afspraken worden slechts onwettig zodra niet meer wordt voldaan aan het derde lid van artikel 81 EG.