Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/4.5
4.5 Ondervragingsrecht in artikel 6 lid 3 sub d EVRM
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 22 april 1992, nr. 12351/86 (Vidal t. België).
De analyse beperkt zich tot de eisen die het EHRM stelt aan het ondervragingsrecht van getuigen à charge, dus personen die een voor de verdachte belastende verklaring hebben afgelegd.
Zie verder § 4.5.2.2.
Het nog te verschijnen proefschrift van Bas de Wilde is geheel aan dit thema gewijd. Zie voor een meer uitvoerige beschrijving van mijn hand Dubelaar 2013.
Een schending zal evenmin worden aangenomen als de verklaring niet van beslissende betekenis is voor de bewijsbeslissing.
EHRM 16 november 2010, no. 926/05 (Taxquet t. België), § 83: ‘A State’s choice of a particular criminal justice system is in principle outside the scope of the supervision carried out by the Court at European level, provided that the system chosen does not contravene the principles set forth in the Convention (…). Furthermore, in cases arising from individual petitions the Court’s task is not to review the relevant legislation in the abstract. Instead, it must confine itself, as far as possible, to examining the issues raised by the case before it.’
Jackson & Summers 2012, p. 325.
Het EVRM kent in artikel 6 lid 3 sub d EVRM een recht op het ondervragen van getuigen als onderdeel van het recht op een eerlijk proces zoals verwoord in artikel 6 lid 1 EVRM. In 6 lid 3 sub d EVRM staat dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, het recht heeft getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en ondervragen van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge. In dit lid liggen in feite twee deelrechten besloten waaraan het EHRM andere eisen stelt, namelijk het recht getuigen te ondervragen wier verklaringen door de vervolgende partij ter ondersteuning van haar visie op de feiten aan de rechter worden overlegd en het recht getuigen op te roepen en te ondervragen ter onderbouwing en ondersteuning van de zienswijze van de verdediging. Aan het recht om getuigen à charge te ondervragen wordt door het Hof meer gewicht toegekend dan aan het recht om getuigen à décharge op te roepen en te ondervragen. Niet is vereist dat elke getuige die door de verdediging is opgegeven, ook wordt opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen. De beslissing om een getuige à décharge te horen wordt overgelaten aan de nationale rechter, die in dit opzicht de equality of arms moet bewaken.1 Aan het horen van getuigen die een belastende verklaring hebben afgelegd en wier verklaringen voor het bewijs worden gebruikt, worden zwaardere eisen gesteld.
In het navolgende wordt ingegaan op de uitleg die het EHRM stelt aan het ondervragingsrecht in het licht van het recht op een eerlijk proces en de betekenis van die uitleg voor de onmiddellijkheid van de procesvoering van de bij het EVRM aangesloten lidstaten en de bruikbaarheid van verklaringen van horen zeggen voor het bewijs.2 Weliswaar benadrukt het Hof dat de toelaatbaarheid van bewijsmateriaal een kwestie is van nationaal recht,3 de procedurele voorzieningen zoals zijn neergelegd in het Verdrag en de lijn die het EHRM in dit verband voorstaat, hebben ook hun weerslag op het bewijsgebruik van materiaal dat de verdediging niet langs het uitoefenen van het ondervragingsrecht heeft kunnen toetsen. De jurisprudentie van het EHRM is zeer omvangrijk en de omvang van het ondervragingsrecht wordt in belangrijke mate bepaald door de omstandigheden van het geval. Voor dit onderzoek kunnen de hoofdlijnen volstaan en wordt de beschrijving tot die hoofdlijnen beperkt.4
Wat betreft de door het EHRM gehanteerde methodiek dient voorafgaand aan onderstaande beschouwing te worden opgemerkt dat het EHRM voor de beoordeling of sprake is van een schending kijkt naar de procedure als geheel. Het feit dat een inbreuk is gemaakt op een van de deelrechten neergelegd in het derde lid van artikel 6 EVRM, hoeft niet te betekenen dat de strafproces niet eerlijk is geweest. Het ondervragingsrecht wordt gerelativeerd, in die zin dat als een goede reden heeft bestaan voor de inperking daarvan en voldoende compensatie is geboden aan de verdediging, er geen schending van het recht op een eerlijk proces zal worden aangenomen.5 De verhouding tussen het ondervragingsrecht in artikel 6 lid 3 sub d en het recht op een eerlijk proces in artikel 6 lid 1 EVRM, is – zoals in het hiernavolgende duidelijk zal worden – niet in alle gevallen even helder. Ook in andere opzichten is de rechtspraak van het EHRM niet altijd consistent en systematisch doordacht. Er lijkt in ieder geval geen duidelijk voorafgaand theoretisch concept aan de jurisprudentie van het EHRM ten grondslag te liggen. Waar mogelijk zal in deze paragraaf worden aangegeven op welke punten nog onduidelijkheid bestaat. Wat wel helder is, is dat het EVRM in beginsel niet voorschrijft hoe de nationale procedure moet worden ingericht. De keuze voor een bepaald stelsel binnen een lidstaat valt buiten de reikwijdte van de supervisie door het EHRM. Het Hof rekent het niet tot zijn taak om de binnen de lidstaten bestaande strafvorderlijke stelsels te standaardiseren.6 Het EVRM geeft uitsluitend minimumrechten die in de nationale procedures moeten worden gewaarborgd. Dat laat onverlet dat wel een uniformerende werking uitgaat van de minimumstandaarden geformuleerd door het EHRM. Bovendien zal het Hof zijn best doen om zijn regels zodanig te formuleren dat zij van toepassing zijn op stelsels die de bewijsbeslissing normeren met behulp van uitsluitingsregels en stelsels waarin in beginsel al het aanwezige bewijsmateriaal aan de beslissende autoriteit wordt gepresenteerd.7 Het spreekt daarbij geen voorkeur uit voor een Anglo-Amerikaanse of continentale wijze van proces voeren.
4.5.1 Aard en inhoud van het ondervragingsrecht4.5.2 Relatie met het onmiddellijkheidsbeginsel4.5.3 Beoordelingsmodel4.5.4 Nadere reflectie op de omvang van het ondervragingsrecht en de toetsing door het Hof