Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.6.1.1
5.6.1.1 Bijkantoren en vrij verrichten van diensten
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193738:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
COM(1998) 451 def., p. 14/15. Bij de overgang naar de Icbe-Richtlijn IV bleef dit het uitgangspunt volgens CESR (CESR/08-867, p. 6).
Art. 1 punt 8 Richtlijn Beleggingsdiensten.
Overwegingen Richtlijn Beleggingsdiensten.
Interpretatieve Mededeling van de Commissie inzake vrij verrichten van diensten en algemeen belang in de Tweede BankRichtlijn (97/C 209/04).
Interpretatieve Mededeling van de Commissie inzake vrij verrichten van diensten en algemeen belang in de Tweede BankRichtlijn (97/C 209/04), p. 11 en 12. Zie ook Van Praag (2019) paragraaf 4.
Van Praag (2019) paragraaf 3.
Art. 52 en 60 Verdrag van Rome. Thans gedefinieerd als: ‘De vrijheid van vestiging omvat (…) de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen (…)’ (art. 49 VWEU) en ‘In de zin van de Verdragen worden als diensten beschouwd de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn’, ‘Onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het recht van vestiging, kan degene die de diensten verricht, daartoe zijn werkzaamheden tijdelijk uitoefenen in de lidstaat waar de dienst wordt verricht, onder dezelfde voorwaarden als die welke die staat aan zijn eigen onderdanen oplegt’ (art. 57 VWEU).
Zie uitvoerig Van Praag (2017a), paragraaf 4.2.1.
Interpretatieve Mededeling van de Commissie inzake vrij verrichten van diensten en algemeen belang in de Tweede BankRichtlijn (97/C 209/04), p. 9 en 10.
Interpretatieve Mededeling van de Commissie inzake vrij verrichten van diensten en algemeen belang in de Tweede BankRichtlijn (97/C 209/04), p. 10.
HvJ EU 30-november-1995, C-55/94, ECLI:EU:C:1995:411 (Gebhard). Supra noot 715, p. 10.
Interpretatieve Mededeling van de Commissie inzake vrij verrichten van diensten en algemeen belang in de Tweede BankRichtlijn (97/C 209/04), p. 10.
Zie voor een uitgebreidere analyse van wanneer er sprake is van een bijkantoor en wanneer er sprake is van het vrij verrichten van diensten Van Praag (2019), paragraaf 2-6.
Bijkantoren werden in de betreffende Richtlijn gedefinieerd als ‘een bedrijfszetel die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een beheermaatschappij en die de diensten verricht waarvoor de beheermaatschappij een vergunning heeft gekregen; verscheidene bedrijfszetels in eenzelfde lidstaat van een beheermaatschappij met hoofdkantoor in een andere lidstaat worden als één enkel bijkantoor beschouwd.’1 Dit is gelijk aan de huidige definitie van een bijkantoor.2 Het vrij verrichten werd niet gedefinieerd.
Bij het opstellen van Icbe-Richtlijn IIIA nam de wetgever de opzet van de Richtlijn Beleggingsdiensten als uitgangspunt.3 In de Richtlijn Beleggingsdiensten kende een bijkantoor ook nagenoeg dezelfde definitie als onder Icbe-Richtlijn IIIA.4 De opzet van deze Richtlijn was gebaseerd op de Tweede Banken-Richtlijn.5 Ten aanzien van deze Tweede Banken-Richtlijn heeft de Europese Commissie in een interpretatieve mededeling nader uiteengezet hoe zij de bepalingen omtrent het vrij verrichten van diensten en bijkantoren interpreteert.6 Daarin geeft de Commissie een aantal interessante zienswijzen die ook in het kader van de Icbe-Richtlijn interessant zijn.
Allereerst liet de Commissie haar licht schijnen over wanneer sprake is van een bijkantoor en wanneer sprake is van het vrij verrichten van diensten.7 Het onderscheid tussen deze structuren komt voort uit het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap ofwel het Verdrag van Rome van 1957.8 Daarin waren de vrijheid van vestiging en de vrijheid van diensten opgenomen.9 Het vrij verrichten van diensten is een uitwerking van de vrijheid van diensten en het bijkantoor is een uitwerking van de vrijheid van vestiging.
Tussen de vrijheid van diensten en de vrijheid van vestiging lag een smalle scheidslijn, zo bleek uit de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie.10 Bij duurzame aanwezigheid is sprake van een bijkantoor, het vrij verrichten van diensten had daarentegen een tijdelijk karakter.11 De Commissie stelt dat als een onderneming duurzaam aanwezig is in een lidstaat waar zij diensten verricht, zij in principe onder de Verdragsbepalingen betreffende het recht van vestiging valt.12
Van een duurzaam karakter is echter niet zomaar sprake. Als een dienstverrichter zich in de lidstaat van ontvangst voorziet van de infrastructuur die noodzakelijk is voor het verrichten van de dienst, wil dat niet zeggen dat hij onder het recht van vestiging valt.13 Onder deze infrastructuur kan veel vallen, waaronder een kantoor en vergaderruimtes. Ook de Europese Commissie erkende deze dunne scheidslijn. Zij concludeerde:
“De scheidslijn tussen de begrippen “dienstverrichting" en “vestiging" valt niet steeds gemakkelijk te trekken, vooral indien men, zoals uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt, onder bepaalde omstandigheden kan worden geacht in een lidstaat in het kader van het vrij verrichten van diensten werkzaam te zijn ook al beschikt men in die lidstaat over een zekere infrastructuur.”14
Ook in het kader van de Icbe-Richtlijn zal het niet altijd eenvoudig zijn om te concluderen of er sprake is van een bijkantoor of van het vrij verrichten van diensten. Het onderscheidend criterium hierbij is, zoals blijkt uit voorgaande, geen kantoor maar de duurzaamheid van de werkzaamheden in de lidstaat.15 Dit zal telkens op basis van alle relevante omstandigheden bepaald dienen te worden.