Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/7.9
7.9 Verhindering van nakoming door overheidsvoorschrift of rechterlijke uitspraak
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196989:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dat geldt niet voor voorzieningen waarbij een functionaris wordt geschorst of van een bevoegdheid wordt ontheven, waarbij een functionaris wordt benoemd, of waarbij statutaire bepalingen buiten werking worden gesteld. Die voorzieningen werken van rechtswege. Handelen of nalaten door de rechtspersoon heeft geen effect op zulke voorzieningen. Een verbod op bepaalde besluitvorming kan een rechtspersoon in theorie wel naast zich neerleggen. Zie voor soorten onmiddellijke voorzieningen in hfdst. 4.
Vgl. nr. 246.
BenGH 25 mei 1999, ECLI:NL:XX:1999:AD3060 (Greenib Car BV/Aaltink). Het is een uitspraak over het begrip onmogelijkheid in de zin van art. 611d Rv en art. 4 lid 1 Eenvormige Beneluxwet betreffende de dwangsom. Dat betreft een zo specifieke materie, dat er voor beantwoording van de vraag, of een onmiddellijke voorziening onmogelijkheid kan opleveren, mijns inziens geen aanknopingspunten in deze uitspraak te vinden zijn. Zie evenwel H.J. Snijders, annotatie bij BenGH 25 mei 1999, NJ 2000/14. Hij gaat, toegespitst op dwangsommen, in op het thema van de ontoerekenbare tekortkoming (nr. 6). Daarbij wijst hij op het verschil tussen het niet-nakomen van een overeenkomst en het niet-nakomen van een vonnis en zet het volgende uiteen. Bij het niet-nakomen van een rechterlijk vonnis doet de vraag, of eventuele onmogelijkheid van nakoming voor risico van de schuldenaar komt, er niet toe. Wat hem betreft is niet vol te houden, dat iemand toerekenbaar tekort schiet omdat hij een vonnis, dat achteraf onjuist blijkt, niet nakomt. In kort geding opgelegde dwangsommen blijven verbeurd als de bodemrechter later anders oordeelt dan de voorzieningenrechter. Ze bevorderen de effectiviteit van het rechterlijk verbod (ook van het voorlopige). In het onderhavige onderzoek gaat het in zoverre om het omgekeerde, dat onderzocht wordt wat de situatie is als men aan een rechterlijke uitspraak wel gehoor geeft en (daardoor) een verbintenis niet nakomt.
Waarbij het onderscheid tussen die overheidsinstanties en de staatstaken die ze vervullen valt terug te voeren op de leer van de trias politica.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/359; stelliger Asser-Hartkamp 4-I 1996/337: “De omstandigheid, dat de schuldenaar met overtreding van het verbod zijn verplichting nog had kunnen nakomen, kan hem natuurlijk dit beroep (op overmacht, AF) niet ontnemen.”.
Dat is zo in de overmachtstheorieën die sinds het begin van de 20e eeuw gangbaar zijn, ook in de objectieve leer. Voor een korte aanduiding van de theorieën zie 7.8.3. Twee wat oudere arresten (ook vermeld bij Asser/Sieburgh 6-I 2016/359) illustreren de ontwikkeling van deze opvatting:1) HR 25 juni 1915, Weekblad van het recht nr. 9809, m.nt. E.M. Meijers; NJ 1915, p. 673: Een meelfabriek, die een partij meel uit haar voorraad te Wormerveer had verkocht maar nog niet had geleverd, kreeg te maken met een (antispeculatie) maatregel die in de weg stond aan levering conform het koopcontract. Zij kwam de koopovereenkomst niet na en weigerde te leveren. De Hoge Raad oordeelde dat nakoming van het koopcontract onmogelijk was geworden door de overheidsmaatregel. Overwogen werd, dat omstandigheden, die een rol zouden kunnen spelen bij de beoordeling van een beroep op feitelijke overmacht, in het geval van overmacht als uitvloeisel van een wettelijk verbod slechts in aanmerking kunnen worden genomen voor zover met die omstandigheden rekening is gehouden in het wettelijke voorschrift zelf.2) HR 27 januari 1921, NJ 1921, p. 353: Een verkoper van bonenstaken deed tevergeefs een beroep op overmacht, veroorzaakt door het overheidsverbod. Hij had een partij verkocht en slechts ten dele geleverd, toen de percelen waar hij de bonenstaken vandaan haalde werden getroffen door een verbod van de overheid om staken te kappen. Geoordeeld werd dat de overeenkomst niet inhield dat de bonenstaken van die percelen afkomstig moesten zijn; de verkoper had aan zijn leveringsplicht kunnen voldoen met elders verworven bonenstaken.
Jurisprudentie over nakoming die indruist tegen een overheidsvoorschrift is niet talrijk. Nakoming van een contractuele leveringsverplichting werd onmogelijk geacht in het geval dat een door de gemeente gevestigd voorkeursrecht eraan in de weg stond; de vordering tot nakoming kwam niet voor toewijzing in aanmerking (Hof 's-Hertogenbosch 27 januari 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AU6152, r.o. 4.9).
De Jong, in: De Jong, Krans & Wissink, Verbintenissenrecht algemeen (SBR 4) 2018/135.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-I 2016/338.
HR 20 juni 1947, NJ 1947/390.
De Jong, Niet-nakoming van verbintenissen (Mon. BW nr. B33) 2017/9.3. Zij geeft als voorbeelden respectievelijk het geval van onrechtmatig door de overheid in beslag genomen goederen, waardoor levering onmogelijk is, en het geval van het risico van bedrijfsstillegging bij overtreding van een verbod.
Scholten omschrijft de wet als “de gedragsregel, die de krachtens de constitutie met de taak belaste autoriteit aan de aan haar gezag onderworpenen voorschrijft” (Asser-Scholten (Algemeen deel) 1974, p. 33).
Vgl. 5.2 over het gezag van gewijsde.
Hof 's-Hertogenbosch 27 januari 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AU6152, r.o. 4.9. De primaire vordering tot nakoming werd afgewezen.
HR 10 augustus 1995, ECLI:NL:HR:1995:AC1576 (Gem. Rotterdam/Engel), r.o. 3.7. Niet is met zoveel woorden overwogen dat nakoming onmogelijk was. Dat zou ook in zoverre overbodig zijn, dat de onteigende praktisch niet meer in staat was de onteigende zaken te leveren.
Opgemerkt zij dat uit Hof 's-Hertogenbosch 27 januari 2004, ECLI:NL:GHSHE:2004:AU6152, niet goed kan worden afgeleid dat een algemeen belang van hogere orde vergde dat het particuliere belang van de contractspartij moest wijken.
Asser/Sieburgh 6-I 2016/338. Zij spreekt over ‘hogere plichten’.
Onmiddellijke voorzieningen betreffende de bezoldiging van bestuurders, die in hfdst. 9 aan de orde komen, zijn gewoonlijk niet wezenlijk voor het deugdelijke bestaan van de rechtspersoon.
In 7.12 worden nog paar woorden gewijd aan overheidsvoorschriften en -maatregelen in verband met toerekening van de verhindering aan de debiteur.
Zoals het geval was in HR 27 januari 1921, NJ 1921, p. 353 (zie nt. 228 bij nr. 251).
Bijv. bij aandelentransacties.
[250] De rechterlijke uitspraak hoeft nakoming van een verbintenis niet in absolute zin onmogelijk te maken. Dat geldt ook voor sommige onmiddellijke voorzieningen; in theorie zou de rechtspersoon die maatregelen naast zich kunnen neerleggen.1 De rechtspersoon kan een voorziening, die een prestatie verbiedt, negeren en de prestatie toch leveren. Voor een succesvol beroep op overmacht is het niet nodig dat nakoming absoluut onmogelijk is.2 De vraag of een onmiddellijke voorziening subjectieve of relatieve onmogelijkheid oplevert is daarmee relevant.
Voor de volledigheid wordt het volgende opgemerkt: nakoming van een rechterlijk verbod kan als onmogelijk worden bestempeld, als dezelfde rechter in een ander vonnis een tegenstrijdige uitspraak doet.3
[251] Er is een gelijkenis tussen de rechterlijke uitspraak enerzijds en het overheidsvoorschrift, dat wil zeggen de wet en de op de wet gebaseerde regelgeving, anderzijds. Ze zijn beide afkomstig van met overheidsgezag beklede instanties.4 Die analogie is aanleiding om hier een vergelijking te maken met de situatie waarin een overheidsvoorschrift zich verzet tegen een prestatie. Nakoming is vaak, met overtreding van dat voorschrift, mogelijk. Die omstandigheid staat niet in de weg aan een succesvol beroep op overmacht.5 Nakoming, die bij overheidsvoorschrift verboden is, kan als onmogelijk worden beschouwd.6 Er is dan wettelijke of juridische onmogelijkheid.7 De plicht om het overheidsvoorschrift na te leven weegt zwaarder dan de plicht om de verbintenis na te komen.8 Dat valt terug te voeren op het gewicht dat wordt toegekend aan het algemeen belang dat met het overheidsvoorschrift gemoeid is. Dit laatste wordt van hoger orde geacht dan de individuele, particuliere belangen van contractspartijen.9 Bij een onwettig of onrechtmatig overheidsvoorschrift is die plicht er in beginsel niet, zodat er geen juridische onmogelijkheid is.10 Desalniettemin kunnen er redenen zijn om van de schuldenaar niet te vergen dat hij nakomt. Dan is er een praktische onmogelijkheid (het kan feitelijk niet lukken) of een morele onmogelijkheid (de risico’s voor de schuldenaar zijn te groot).11
[252] Het is de vraag of de opvattingen over overmacht opleverende overheidsvoorschriften passen op gevallen waarin nakoming strijdig is met een rechterlijke uitspraak. De wet en op de wet gebaseerde regelgeving (overheidsvoorschriften) kunnen worden gekarakteriseerd als ‘rechtsvoorschriften met een algemene strekking die gericht zijn tot het publiek in het algemeen’.12 Een uit het overheidsvoorschrift voortkomende belemmering om na te komen treft allen binnen de door het overheidsvoorschrift bestreken rechtssfeer. Die karaktereigenschappen hebben rechterlijke uitspraken vaak niet. De rechtelijke uitspraak heeft veelal betrekking op een concreet geschil en is slechts tussen de partijen in het geding bindend.13
Een onmiddellijke voorziening is altijd gericht tot een individuele rechtspersoon. Dat geldt ook voor een voorziening die een tijdelijk verbod om na te komen inhoudt. Zo’n maatregel vormt in het algemeen slechts voor de rechtspersoon-schuldenaar een beletsel en hoeft niet in de weg te staan aan een vergelijkbare prestatie door iemand anders. Dat aan de onmiddellijke voorziening, anders dan aan het overheidsvoorschrift, de algemene strekking ontbreekt, lijkt een contra-indicatie om nakoming in strijd met de voorziening zonder meer als juridisch onmogelijk aan te merken. Deze constatering behoeft de volgende relativering.
Van overheidsvoorschriften, die een algemene trekking hebben, kunnen overheidsmaatregelen, die een (meer) individuele strekking hebben, worden onderscheiden. Ook overheidsmaatregelen kunnen verhinderingen van nakoming veroorzaken. Over een door een gemeente gevestigd voorkeursrecht op onroerende zaken werd in de jurisprudentie geoordeeld, dat dit voorkeursrecht voor de eigenaresse “definitief een wettelijk beletsel vormt om haar contractuele leveringsverplichting” na te komen, zodat nakoming “blijvend onmogelijk is geworden”.14 In een andere casus had een gemeente zaken onteigend, zodat de onteigende niet kon voldoen aan zijn verplichting die zaken te leveren. Geoordeeld werd, dat de omstandigheid dat de onteigende door de onteigening niet aan zijn verplichting kon voldoen hem niet als een tot schadevergoeding verplichtende tekortkoming kon worden aangerekend.15 Uit deze jurisprudentie blijkt, dat niet doorslaggevend is of de verordening van de overheid een algemene strekking heeft. Ook overheidsmaatregelen, die individuele gevallen betreffen, blijken wettelijke of juridische onmogelijkheid om na te komen te kunnen opleveren. De omstandigheid dat een onmiddellijke voorziening geen algemene strekking heeft, laat dus op zichzelf onverlet dat de voorziening wordt aangemerkt als oorzaak van juridische onmogelijkheid om na te komen.
[253] Hiervoor is vermeld dat nakoming in strijd met een overheidsvoorschrift als juridisch onmogelijk wordt beschouwd, omdat bij een overheidsvoorschrift een algemeen belang betrokken is.16 Met een onmiddellijke voorziening wordt het belang van de rechtspersoon gediend, en gewoonlijk niet een algemeen belang. Dat is een argument om de plicht van de rechtspersoon om de onmiddellijke voorziening na te leven niet zwaarwegender te achten dan de contractuele verplichting om de verbintenis na te komen. Het algemeen belang is echter niet het enige hogere belang, dat aan het nakomen van een minder zwaarwegende verplichting in de weg staat. Nakoming, die onmiddellijk ernstig gevaar voor leven, vrijheid, gezondheid of eerbaarheid meebrengt, kan als onmogelijk worden beschouwd.17 Men bedenke dat de onmiddellijke voorziening in het leven wordt geroepen in verband met een noodtoestand van de rechtspersoon. Nakoming, in strijd met de onmiddellijke voorziening, kan acuut gevaar opleveren voor het welzijn van de rechtspersoon (en soms mogelijk voor zijn voortbestaan). Dat is een argument om aan de plicht om de onmiddellijke voorziening na te leven meer gewicht toe te kennen dan aan de plicht van de rechtspersoon om de verbintenis na te komen. Nakoming, die door een onmiddellijke voorziening verboden is, kan dan als juridisch onmogelijk worden aangemerkt. Mijns inziens moet nakoming als juridisch onmogelijk worden beschouwd, indien de onmiddellijke voorziening is getroffen ter bescherming van de kern van de gezonde toestand van de rechtspersoon. Ik betwijfel of ook van juridische onmogelijkheid kan worden gesproken als de onmiddellijke voorziening die essentie niet raakt.18 De conclusie, dat tekortschieten in de nakoming, die samenhangt met een onmiddellijke voorziening, in het algemeen wettelijk of juridisch onmogelijk is, kan daarom, meen ik, niet getrokken worden.19
[254] Het overheidsvoorschrift of de overheidsmaatregel kan een verbod behelzen, dat alle manieren van nakomen dwarsboomt. Maar het kan ook gaan om een verbod, dat onverlet laat dat de prestatie op een andere manier wordt geleverd.20 Dan is er reden om niet te spreken van juridische onmogelijkheid. Een rechterlijke verbod in de vorm van een onmiddellijke voorziening heeft vaak betrekking op een prestatie met een uniek karakter, die alleen de rechtspersoon kan leveren.21 Ik meen dat in geval van zo’n unieke prestatie nakoming juridisch onmogelijk kan zijn.