Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.7.1
2.7.1 Rechtsgevolgen van een gegrond beroep op het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950316:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/75; Asser/Sieburgh 6-I 2020/287 en Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/53. Opschorting leidt niet tot opeisbaarheid van de ‘daartegenover staande verbintenis’ (Rb. Midden-Nederland 14 juni 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:2523, r.o. 4.6).
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205 en 208, alsook p. 211, bij het antwoord op vraag b. Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/75; Asser/Sieburgh 6-I 2020/286; Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/338 en 351; Asser/Hijma7-I 2019/563; Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/53; Van Nispen, Sancties in het vermogensrecht (Mon. BW nr. A11) 2018/46; Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/18 en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/358. Zie voorts HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 4.5 (slotzin). Vgl. HR 15 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1336, NJ 1995/268, m.nt. H.J. Snijders (Roham/McGregor), r.o. 3.3 (“Ook bij een op deze bevoegdheid gegronde opschorting van de nakoming van de verbintenis [art. 6:37 BW], is geen sprake van een tekortkoming in die nakoming.”) en HR 3 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU4907, NJ 2012/91 (Euretco/Naeije), r.o. 3.5.4 (slotalinea). Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 18 januari 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:290, r.o. 5.14; Hof Arnhem-Leeuwarden 11 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4558, r.o. 5.11; GEA van Curaçao 26 juli 2023, ECLI:NL:OGEAC:2023:178, r.o. 4.8; Rb. Amsterdam 7 juni 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:3548, r.o. 4.15; Rb. Limburg 1 september 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:7570, r.o. 2.9 en 2.10 en Rb. Noord-Holland 7 juli 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:10077, r.o. 5.22.
Zie bijv. Rb. Oost-Brabant 13 juli 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:3490, r.o. 4.4 (‘wettelijke rente’); Rb. Zeeland-West-Brabant 25 januari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:418, r.o. 4.24 (‘wettelijke handelsrente’); Rb. Limburg 2 maart 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:1484, r.o. 4.5 (‘rente’, vermoedelijk ex art. 6:119 BW); Rb. Gelderland 5 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:454, r.o. 5.13-5.14 (‘boeterente’) en Rb. Midden-Nederland 1 december 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5959, r.o. 4.26 (‘wettelijke (handels)rente’). Zie over de vergoeding van wettelijke handelsrente ex art. 6:119a en 6:119b BW Mijnssen, Verbintenissen tot betaling van een geldsom (Mon. BW nr. B39) 2017/18. Voor zover de wederpartij op grond van art. 6:59 BW in schuldeisersverzuim verkeert, is op grond van art. 6:119a lid 7 en art. 6:119b lid 6 BW geen wettelijke handelsrente verschuldigd.
HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma (CIA/Heredium), r.o. 5.2. De uitoefening van een retentierecht leidt niet tot het voordeel van het genot van een recreatiewoning krachtens een beperkt recht, naar het oordeel van de belastingkamer van Rb. Gelderland 29 september 2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:5166, r.o. 16.
Vgl. Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6, Boek 6, p. 1222, bij art. 6:37 BW (“Vooropgesteld moet worden dat het redelijk kan zijn dat de schuldenaar die erkent het bedrag van de vordering verschuldigd te zijn, maar de betaling alleen opschort, omdat twee of meer schuldeisers haar opeisen, zonder dat hij kan uitmaken aan wie betaald moet worden, het geld rentegevend belegt ten behoeve van degene die de schuldeiser blijkt te zijn.”), met verwijzing naar Schoordijk 1979, p. 127-128. Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/232.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/76; Asser/Sieburgh 6-I 2020/286; Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/351; Asser/Hijma 7-I 2019/563; Heilbron, Retentierecht en uitwinning (O&R nr. 110) 2019/53 en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/358.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 219. Aldus ook Lock, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2023/3 en Asser/Sieburgh 6-I 2020/292.
Lock, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2023/11 onderdeel a.
Lock, Schuldeisersverzuim (Mon. BW nr. B32c) 2023/11. Zie aldaar ook over de gevolgen van het schuldeisersverzuim van de wederpartij. Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 24 januari 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:181, r.o. 3.24; Rb. Limburg 21 december 2022, ECLI:NL:RBMLIM:2022:10368, r.o. 4.10 en Rb. Amsterdam 24 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:7219, 4.12-4.16. Onjuist is het kennelijke oordeel dat schuldeisersverzuim een vereiste voor opschortingsbevoegdheid zou zijn in Rb. Rotterdam (vzr.) 6 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6463, r.o. 4.8. Schuldeisersverzuim is een mogelijk rechtsgevolg van de uitoefening van een opschortingsrecht.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 30 mei 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:4517, r.o. 3.10; Hof ’s-Hertogenbosch 26 april 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:1353, r.o. 3.7.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2022, r.o. 5.16 en Hof Arnhem 8 april 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD1207, r.o. 4.6. Zie ook Rb. Rotterdam 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7453, r.o. 4.3 en Rb. Noord-Holland 18 mei 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:4356, r.o. 5.6, waarin het verzuim van de ene partij leidt tot opschortingsbevoegdheid van de andere partij en daarmee schuldeisersverzuim van die ene partij, zodat deze niet opschortingsbevoegd is. Zie ook Rb. Overijssel (vzr.) 3 juni 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:1906, r.o. 7.10-7.11.
Zie § 2.8 over het eindigen van het algemene opschortingsrecht.
Opschortingsbevoegdheid op grond van artikel 6:52 lid 1 BW ontneemt de opeisbaarheid aan de verbintenis van de schuldenaar.1 De schuldenaar is daarom nog niet tot nakoming gehouden. De niet-nakoming door de schuldenaar is dan ook geen tekortkoming, zodat zijn wederpartij geen recht heeft op schadevergoeding of, voor zover de verbintenissen voortvloeien uit een overeenkomst, ontbinding vanwege die niet-nakoming.2 In geval van een bevoegde opschorting van een betalingsverplichting is de schuldenaar evenmin vertragingsrente verschuldigd.3 Daarentegen kan de schuldenaar op grond van de aanvullende werking van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede gelet op artikel 6:212 BW, wel gehouden zijn een vergoeding aan zijn wederpartij te betalen wegens verkregen voordeel door het uitgeoefende opschortingsrecht, zoals een behaald rentevoordeel over een bedrag waarvan de schuldenaar de betaling heeft uitgesteld.4 Het is niet uitgesloten dat de schuldenaar gehouden is zo mogelijk een rentevoordeel te behalen over een opgeschort bedrag.5
Voorts kan de opschortingsbevoegdheid leiden tot schuldeisersverzuim van de wederpartij.6 In het algemeen is de wederpartij niet gehouden de schuldenaar in staat te stellen de verbintenis na te komen. Een dergelijke algemene plicht tot medewerking aan de nakoming kent het Nederlandse verbintenissenrecht niet.7 Evenwel mag de wederpartij de nakoming door de schuldenaar niet beletten. De wederpartij kan de nakoming in feitelijke en juridische zin beletten. De wederpartij roept een juridisch beletsel voor de door haar van de schuldenaar verlangde nakoming op als zij door zelf niet na te komen een omstandigheid creëert die de schuldenaar ertoe beweegt om van zijn opschortingsbevoegdheid gebruik te maken.8 Voor zover het uitblijven van de nakoming door de wederpartij aan haar kan worden toegerekend als bedoeld in artikel 6:75 BW en geen andere omstandigheden bestaan waardoor de schuldenaar wordt belet in de nakoming van zijn verbintenis, komt de wederpartij op grond van artikel 6:59 BW in schuldeisersverzuim te verkeren.9 Op grond van artikel 6:54 aanhef en onderdeel a BW is de wederpartij van de opschortingsbevoegde schuldenaar dan niet zelf opschortingsbevoegd.10 De uitoefening van het algemene opschortingsrecht dwingt de wederpartij tot het wegnemen van het beletsel voor de nakoming van de verbintenis door de schuldenaar. Dit beletsel kan de wederpartij wegnemen door bijvoorbeeld harerzijds te presteren.11