Aandeelhoudersverantwoordelijkheid
Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.5.2:3.5.2 Inhoud van het debat
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/3.5.2
3.5.2 Inhoud van het debat
Documentgegevens:
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS303750:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Berle 1931, p. 1049.
Berle 1931, p. 1049.
Dodd 1932, p. 1163.
Dodd 1932, p. 1148.
Dodd 1932, p. 1148.
Hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.3. en verder.
Zie in dit verband paragraaf 2.3.3.1. van dit hoofdstuk.
Zie in dit verband paragraaf 2.3.4.1. van dit hoofdstuk.
Op deze pluraliteit als kenmerk van het Nederlandse vennootschapsrecht zal hieronder in paragraaf 3.7. en verder nader worden ingegaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder deze omstandigheden vond het debat tussen Berle en Dodd plaats. Berle vond dat de taken en bevoegdheden die het vennootschapsrecht aan de bestuurders gaf dienden te worden aangewend om het belang van de aandeelhouders te behartigen. Hij schreef in dit verband:
‘It is the thesis of this essay that all power granted to a corporation or to the management of a corporation, or to any group within the corporation, whether derived from statute or charter or both, are necessarily and at all times exercisable only for the rateable benefit of all shareholders as their interests appears.’1
Daarna vervolgt hij:
‘And that, in every case, corporate action must be tested twice: first, by the technical rules having to do with the existence and proper exercise of the power; second, by equitable rules somewhat analogous to those which apply in favor of a cestui que trust [i.e. a trust created for a beneficiary] to the trustee’s exercise of wide powers granted to him in the instrument making him a fiduciary.’2
Berle omschreef de relatie tussen de aandeelhouders en het bestuur als een vorm van delegatie, waarbij de verantwoordelijkheid om te ondernemen middels de vennootschap door de aandeelhouders was gedelegeerd aan de bestuurders die deze verantwoordelijkheid moesten uitoefenen ten behoeve van – en derhalve met het oog op – de belangen van de aandeelhouders. Kortom, men moest de oorspronkelijke situatie van de scheiding van ‘ownership’ en ‘control’ herstellen, waarbij aandeelhouders weer effectief toezicht moesten kunnen houden op het bestuur.
Dodd vond daarentegen dat de vennootschap, omdat zij middels incorporatie een afzonderlijke rechtsentiteit/rechtspersoon werd, niet kon worden beschouwd als een instrument voor aandeelhouders. De bestuurders dienden zich te richten op de rechtspersoon, zijnde een instituut, en niet op haar aandeelhouders. Interessant zijn in dit verband de woorden waarmee Dodd zijn artikel afsluit:
‘Despite many attempts to dissolve the corporation into an aggregate of stockholders, our legal tradition is rather in favor of treating it as an institution directed by persons who are primarily fiduciaries for the institution rather than for its members. That lawyers have commonly assumed that the managers must conduct the institution with single-minded devotion to stockholder profit is true; but the assumption is based upon a particular view of the nature of the institution which we call a business corporation, which concept is in turn based upon a particular view of the nature of business as a purely private enterprise. If we recognize that the attitude of law and public opinion toward business is changing, we may then properly modify our ideas as to the nature of such a business institution as the corporation and hence as to the considerations which may properly influence the conduct of those who direct its activities.’3
Dodd vond bovendien dat de vennootschap niet alleen een winstfunctie voor haar aandeelhouders had, maar ook een sociale functie.4 De vennootschap en daarmee haar bestuurders hadden juist een bredere maatschappelijke functie, en mochten zich derhalve niet alleen richten op de belangen van aandeelhouders. Hij overweegt in dit verband:
‘He believes that public opinion, which ultimately makes law, has made and is today making substantial strides in the direction of a view of the business corporation as an economic institution which has a social service as well as a profit-making function, that this view has already had some effect upon legal theory, and that it is likely to have a greatly increased effect upon the latter in the near future.’5
Wanneer naar het debat en bijbehorende argumenten wordt gekeken, valt op dat de opvattingen van Berle en Dodd redelijk goed te plaatsen zijn in de hierboven genoemde opvattingen omtrent het karakter van de vennootschap.6 De opvattingen van Berle gaan uit van een situatie waarin het primaat bij de aandeelhouders ligt. Zij zijn tezamen de centrale figuur en delegeren de taken en bevoegdheden die zij, omwille van specialisatie en efficiëntie, willen delegeren. De bestuurder diende te worden beschouwd als een soort ingehuurde beheerder van het door de aandeelhouders ingelegde vermogen, waarmee hij mocht ondernemen. Deze opvatting sluit nauw aan bij de voornoemde contractuele visie op het karakter van de vennootschap. Ook daar wordt ervan uit gegaan dat het primaat bij de aandeelhouders ligt en dat de bestuurders als mandatarissen van de aandeelhouders functioneren.7 Dodd heeft het daarentegen over de vennootschap als instituut, waarbij hij de zelfstandigheid van de juridische entiteit benadrukt. Hij wijst ook op de wijzigende maatschappelijke opvattingen over de vennootschap en haar sociale functie. Deze zienswijze sluit nauw aan bij de institutionele theorie, waarbij de zelfstandigheid en eigen regels van de vennootschap worden benadrukt.8 Dodd verwijst eveneens naar die zelfstandigheid, waar hij vervolgens tevens de pluraliteit van belangenbehartiging aan lieert.9