Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.6
3.7.6 Pandhouder niet ‘beperkt stemgerechtigd’
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706210:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Philips 2011, p. 61 e.v. In gelijke zin Burgers 2017, p. 65-67 en Wolf, in: Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:198, aant. 12 (actueel t/m 25-04-2020). Zie voor een nog verdergaand standpunt Hamers 1996, p. 54 voetnoot 143. Hamers schijft dat de pandhouder op grond van art. 3:243 BW is gehouden om het stemrecht uit te oefenen in overeenstemming met het belang van de pandgever.
Zie Burgers 2017 p. 65-68; Wolf, in: GS Rechtspersonen, art. 2:198 BW, aant. 12 (actueel t/m 25-04-2020); Philips, 2011 p. 63-64.
Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 6, p. 1 (MvA).
Kamerstukken II 1973/74, 12 897, nr. 3, p. 5 (MvT).
Zie Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/63; Snijders & Rank-Berenschot 2017/519; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2019/758; Schuijling & Verhagen 2014, p. 339. Vgl. HR 17 januari 1929, ECLI:NL:HR:1929:372 (Schild/Centraal Administratie- en Trustkantoor).
Rb. Amsterdam 3 december 2009, RO 2012/2 (Donetsk).
Zie Philips 2011, p. 62. Philips trad in de Donetsk-zaak overigens als advocaat op namens de pandgever. Hij meldt dit in voetnoot 2 van zijn tijdschriftbijdrage.
Aan een door de algemene vergadering genomen besluit tot uitkering mag het bestuur in het geval van een bv bovendien geen goedkeuring geven als het weet of redelijkerwijs behoort te voorzien dat de vennootschap na de uitkering niet zal kunnen blijven voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden (art. 2:216 lid 2 BW). Bij een nv geldt de regel dat de vennootschap de voor uitkering vatbare winst slechts mag uitkeren voor zover haar eigen vermogen groter is dan het bedrag van het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden (art. 2:105 lid 2 BW).
Vgl. Schuijling en Verhagen 2014, p. 344; Gerechtshof ’s-Gravenhage 20 september 2007, JOR 2008/134, r.o. 15 (Interforce).
Zie Verstappen & Bartels 2011, p. 321-322. Anders Schoordijk 2009, p. 211-212, en Verstijlen 2013/23.
In gelijke zin Verburgt 2014, §3.4. Naast de redelijkheid en billijkheid valt nog te wijzen op de bancaire zorgplicht die voortvloeit uit art. 2 Algemene Bankvoorwaarden, in het geval dat de pandhouder een bank is.
Zie Hamers 1996, p. 54 voetnoot 143.
Zie Philips 2011, p. 63.
Vgl. art. 2:24a BW dat regelt onder welke omstandigheden een rechtspersoon een dochtermaatschappij is, en erop wijst dat de pandhouder het stemrecht in zijn eigen belang kan uitoefenen.
Vgl. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/67.
Vgl. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/40.
Zie Hamers 1996, p. 54; Philips 2011, p. 63.
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 767.
Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/151; Stein, in: GS Vermogensrecht, art. 3:243 BW, aant. 3.2.1 (actueel t/m 01-01-2021).
Zie Philips, 2011 p. 63-64, Burgers 2017 p. 65-68 en Wolf, in: GS Rechtspersonen, art. 2:198 BW, aant. 12 (actueel t/m 25-04-2020).
Zie ook Gerechtshof Amsterdam (OK) 31 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL3680, r.o. 3.14 (Inter Acces Group), waarin onder dreiging van onder meer de executieverkoop van de verpande aandelen een verzoek tot conversie van schuld in aandelen werd toegewezen waarbij een meerderheidsaandeelhouder zijn meerderheidsbelang zag verwateren tot een klein minderheidsbelang.
Vgl. Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/40.
124. In de literatuur wordt betoogd dat de pandhouder zijn stemrecht slechts met een beperkt doel mag aanwenden. Hij zou als beperkt gerechtigde zijn zeggenschap slechts beperkt mogen gebruiken, namelijk enkel om het vermogen van de vennootschap in stand te houden, of om dividenden het uit te keren.1 Ook wordt er betoogd dat een pandhouder zich altijd moet gedragen op een manier die de waarde van de aandelen niet schaadt.2 Ik deel deze opvattingen niet. Dat komt omdat ik de argumenten daarvoor zowel op zichzelf als in onderling verband niet overtuigend vind.
125. Ten eerste wordt er in de literatuur voor de stelling dat een pandhouder slechts beperkt stemgerechtigd is een beroep gedaan op de parlementaire geschiedenis bij de regeling van pandrecht op aandelen. De minister overweegt in de Memorie van Antwoord:
“Volgens het ontwerp komt in beginsel aan de vruchtgebruiker en de pandhouder niet het stemrecht op de aandelen toe, hetgeen wordt gemotiveerd met de stelling dat het hun in de eerste plaats gaat om de economische waarde van die aandelen en niet zozeer om de daaraan verbonden zeggenschap. De leden van de P.v.d.A.-fractie betogen hiertegenover dat het een met het ander samenhangt. Dit is wel juist, al zal het voor de pandhouder in mindere mate gelden dan voor de vruchtgebruiker, maar de wetgever moet nu eenmaal een keuze doen waarvan overigens onder de door de wet aangegeven voorwaarden kan worden afgeweken. Het belang van de aandeelhouder bij het behoud van de zeggenschapsrechten weegt in het algemeen zwaarder, evenals het belang dat aandeelhouders erbij kunnen hebben dat de beslotenheid van hun groep niet tegen hun wil door het stemrecht van derden wordt doorbroken: bij deze belangen is de zeggenschap in de vennootschap in volle omvang betrokken, bij de belangen van vruchtgebruiker en pandhouder is dat slechts het geval voor zover door het uitoefenen van de zeggenschap het vermogen in stand wordt gehouden en dividend wordt uitgekeerd.”3
126. Uit deze passage blijkt mijns inziens waarom de stemrechtverdeling tussen de pandgever en de pandhouder is zoals zij is. Terecht antwoordt de minister op vragen van de Tweede Kamer dat het stemrecht in beginsel bij de pandgever zou moeten blijven, omdat zijn belang dat van de pandhouder overtreft. Het lijkt mij echter onaannemelijk dat de minister hiermee heeft bedoeld om grenzen te stellen aan de uitoefening van het stemrecht door een pandhouder. In de Memorie van Toelichting bij dezelfde regeling overweegt de minister namelijk als volgt.
“Moet bij verpanding de pandhouder stemrecht hebben? En indien deze vraag niet zonder meer bevestigend wordt beantwoord, van welke voorwaarden moet dan de toekenning van het stemrecht afhankelijk zijn? Ten aanzien van het pandrecht dient, zoals gezegd, het vennootschappelijke belang de doorslag te geven bij het scheppen van de mogelijkheid van verpanding van aandelen op naam. Dit vennootschappelijke belang kan met meer reden de doorslag geven bij de toekenning van het stemrecht en wel niet alleen bij aandelen op naam maar ook bij toonderaandelen, omdat het de pandhouder toch in de eerste plaats om het economische belang gaat. Ook hier kan dus in principe het stemrecht bij de aandeelhouder blijven, terwijl ook overigens het voor het vruchtgebruik uiteengezette systeem hier aanbeveling verdient. Deze belangen worden ook op andere wijze redelijk beschermd: zo zullen vruchtgebruiker en pandhouder dikwijls de rechten van certificaathouders hebben (art. 2.3.2.86 en 8c, lid 4; 2.3A.2.7a en 7b, lid 4), en dus bij voorbeeld een enquête kunnen uitlokken; voorts kunnen zij een besluit, bij voorbeeld tot bepaling of bestemming van de winst, dat in strijd met de wet, de statuten of de goede trouw is genomen, doen vernietigen (art. 2.1.8a).”4
127. De minister overweegt dat het de pandhouder ‘in de eerste plaats’ gaat om het economisch belang bij de aandelen. Aan de latere opmerking in de Memorie van Antwoord – dat een pandhouder ‘slechts’ belang heeft bij het bij het in stand houden van het vermogen en de uitkering van dividend – waarop de voorstanders van de beperkte opvatting een beroep doen, ken ik daarom geen groot gewicht toe.
128. Een tweede grond waarop in de literatuur een beroep wordt gedaan ter verdediging van de opvatting dat de pandhouder in algemene zin beperkt is in de uitoefening van zijn stemrecht, is het toe-eigeningsverbod. Het is een pandhouder verboden te bedingen om het pandobject onder bepaalde voorwaarden toe te mogen eigenen (art. 3:235 BW). Dit verbod beoogt de pandgever en zijn crediteuren te beschermen, omdat bij verpanding dikwijls een ongelijke machtspositie bestaat tussen de pandgever en de pandhouder.5 Zonder dit verbod bestaat het gevaar dat de pandhouder wordt overbedeeld ten koste van de pandgever en zijn andere crediteuren. In de zaak Donetsk is door de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat dit toe-eigeningsverbod grenzen stelt aan de uitoefening van het stemrecht door een pandhouder. Zij overwoog als volgt.
“Het via de pandakte verkregen stemrecht in [de vennootschap] kan niet verder reiken dan ter bescherming van de belangen van [de pandhouder] waarvoor haar het stemrecht is verleend, namelijk ter bescherming van haar verhaalsrecht jegens [de pandgever]. Het stemrecht op de aandelen in [de vennootschap] komt haar in die zin slechts toe om het vermogen in [de vennootschap] in stand te houden. Door echter zonder een bijzondere noodzaak daartoe een ander bestuur van [de vennootschap] aan te stellen en bovendien via dat bestuur tot verkoop van het enige vermogensbestanddeel van [de vennootschap] over te gaan, heeft [de pandhouder] naar voorlopig oordeel ten onrechte gehandeld als ware de aandelen in [de vennootschap] haar eigendom.”6
129. Deze zienswijze heeft navolging gevonden bij Philips, die schrijft dat het toe-eigeningsverbod zich uitstrekt tot de situatie dat de pandhouder gebruik maakt van het stemrecht als ware hij een aandeelhouder.7
Gelet op het stelsel van het burgerlijke recht en de strekking van het toe-eigeningsverbod, overtuigen dit standpunt in de literatuur en het vonnis van de rechtbank mij niet. Het toe-eigeningsverbod beoogt namelijk afgedwongen overbedeling te verbieden. Zowel bij de verkoop van vermogensbestanddelen van de vennootschap als bij een daaropvolgende uitkering is daarvan geen sprake. De verkoop en overdracht van vermogensbestanddelen van de vennootschap en de uitkering van dividend daarna vindt plaats door het bestuur van de vennootschap. De pandhouder met stemrecht en de vennootschap mogen mijns inziens niet zomaar worden vereenzelvigd. Het bestuur heeft een zelfstandige en van de pandhouder te onderscheiden bevoegdheid en verantwoordelijkheid. Het bestuur zal bij de verkoop en uitkering het belang van de vennootschap centraal moeten stellen, en niet dat van de pandhouder (art. 2:129/239 lid 5 BW).8 Dat de pandhouder betrokken is geweest bij de benoeming van deze bestuurders of (via de algemene vergadering) zelfs uitdrukkelijk de verkoop instrueert, maakt dat mijns inziens niet anders.9 Wel speelt het belang van de pandhouder (en andere schuldeisers) een rol bij de inhoud van het vennootschappelijk belang (§3.7.5).
Een vergelijkbare discussie met betrekking tot de reikwijdte van het toe-eigeningsverbod bestaat in het kader van de verkoop door de hypotheekhouder op grond van volmacht of lastgeving van zijn hypotheekgever. Terecht wordt daarbij door sommigen geschreven dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de handeling in kwestie en de executie van het goed, en dat de verlening van volmacht of lastgeving niet binnen de reikwijdte van het toe-eigeningsverbod valt.10
In de Donetsk-zaak had de rechtbank mijns inziens kunnen volstaan met het oordeel dat de bestuurders die tot verkoop en uitkering waren overgegaan ongeldig door de stemgerechtigd pandhouder waren benoemd. Het ontslag van de voormalig bestuurders en de benoeming van de nieuwe had namelijk buiten vergadering plaatsgevonden zonder dat de pandgever met die wijze van besluitvorming had ingestemd. De uitkomst van de zaak was dan vergelijkbaar geweest.
130. De pandhouder heeft een zorgplicht tegenover de pandgever en de vennootschap. Dat volgt uit de tussen hen geldende redelijkheid en billijkheid (art. 2:8, 6:2 en 6:248 BW).11 In de literatuur is verdedigd dat de pandhouder op grond van zijn zorgplicht het stemrecht dient uit te oefenen in overeenstemming met de belangen van de pandgever.12 Ook is betoogd dat de pandhouder bij de uitoefening van het stemrecht zijn zorgplicht zou schenden als hij aanstuurt op een dividenduitkering of een bestuurswissel.13 In algemene zin lijken mij deze stellingen onjuist. Uit de wet volgt namelijk dat de pandhouder eigen zeggenschapsrechten is gegeven (§3.7.2).14 Het uitgangspunt daarbij is dat de pandhouder, net als de pandgever, bij de uitoefening daarvan zijn eigen belang mag nastreven (§3.3.4). Wel beperkt de zorgplicht de pandhouder in zoverre, dat hij zich bij de uitoefening van zijn zeggenschapsrechten niet uitsluitend mag laten leiden door zijn eigen belang.15 Steeds zal hij bij de uitoefening rekening moeten houden met het vennootschappelijk belang, de belangen van de pandgever, en de belangen van andere bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen (§3.3.4).16 Doet hij dat naar maatstaven van redelijk en billijkheid onaanvaardbaar, dan is in een concreet geval de uitoefening van zijn zeggenschapsrechten ongeldig. Als de pandhouder in zulke gevallen met zijn stemrecht besluiten heeft kunnen bewerkstelligen, zoals het ontslag van een bestuurder, dan kunnen deze besluiten vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 onderdeel b BW.
De grondslag die vaak wordt aangevoerd voor de beperkte stemgerechtigdheid, is overigens niet de zorgplicht die volgt uit de (vennootschappelijke) redelijkheid en billijkheid, maar de zorgplicht uit artikel 3:243 lid 1 BW.17 Dat artikel bepaalt dat de pandhouder verplicht is om als een goed pandhouder te zorgen voor de in pand gegeven zaak. Die verplichting houdt in dat hij de zaak niet mag verwaarlozen.18 Hij moet het bijvoorbeeld op een behoorlijke wijze te beschermen tegen diefstal, beschadiging of verlies. Als hij dat zelf niet kan, dan moet hij het aan een derde in bewaring geven die wel op een passende manier zorg ervoor kan dragen.19 Ook uit deze bepaling volgt niet dat de pandhouder bij de uitoefening van zijn stemrecht het belang van de pandgever leidend moet maken, of niet mag aansturen op een dividenduitkering of bestuurswissel. Bovendien past de sanctie die de wet stelt op de schending van de zorgplicht uit artikel 3:243 lid 1 BW niet bij een pandrecht op aandelen. De sanctie bij ‘in ernstige mate’ tekortschieten, is namelijk dat de zaak moet worden afgegeven (art. 3:257 BW). Echter, omdat aandelen onstoffelijk zijn, kan van afgifte in eigenlijke zin geen sprake zin. Met enige flexibiliteit van geest is ‘afgifte’ van het stemrecht wel denkbaar. Daarin voorziet de wet echter al op een andere plek. Wanneer een pandhouder door zijn gedragingen het vennootschappelijk belang ‘zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen’, dan kan hem zijn stemrecht worden ontnomen (art. 2:342 BW) – §3.7.3.
131. Ten slotte wordt door sommigen verdedigd dat de pandhouder zich steeds moet gedragen op een manier die de waarde van de aandelen niet schaadt.20 Zo’n algemene eis staat mijns inziens op gespannen voet met de openheid en flexibiliteit van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, nu tegenover het behoud van de waarde van de aandelen mijns inziens andere relevante belangen kunnen worden geplaatst. Zo kan het in een concreet geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid toch aanvaardbaar zijn dat een pandhouder handelingen verricht die de waarde van de verpande aandelen doen dalen, maar beogen de continuïteit van de vennootschap te beschermen – en zo de kans op volledige terugbetaling van de gesecureerde vordering. Een voorbeeld van zo’n geval is de situatie waarin nieuwe aandelen worden uitgegeven door de vennootschap als gevolg waarvan de pandgever zijn meerderheidsbelang verliest.21 Denkbaar is immers dat door het verloren gaan van de controle die van een meerderheidsbelang kan uitgaan, de waarde daalt van het pakket aandelen dat is verpand. Ik ben van mening dat een pandhouder zijn zeggenschapsrechten mag gebruiken om aan te sturen op en zijn medewerking mag verlenen aan deze aandelenuitgifte. Niettemin geldt ook in zo’n situatie dat de pandhouder binnen de grenzen moet blijven die de wet stelt aan de uitoefening van het stemrecht, en dus onder andere rekening moeten houden met het vennootschappelijk belang, de belangen van zijn pandgever, en de belangen van de andere bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen (zie §3.3.4).22