Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.4
3.7.4 Enquêteregeling
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706306:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234 (Ogem).
Vgl. (algemeen) Josephus Jitta, in: T&C BW, commentaar op art. 2:345 BW, aant. 1 (actueel t/m 15-02-2023).
Zie Gerechtshof Amsterdam (OK) 11 januari 1990, ECLI:NL:GHAMS:1990:AC1806 (Joh. Friesendorp); Gerechtshof Amsterdam (OK) 21 april 1994, ECLI:NL:GHAMS:1994:AD2093 (Muller Beltex); Gerechtshof Amsterdam (OK) 6 juli 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AY0520 (TCA) en Gerechtshof Amsterdam (OK) 14 november 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ2229 (TCA). Zie hierover verder Eikelboom 2011, en Josephus Jitta en Barkhuysen in JOR 2010/42 en Van Wijk 1996.
Gerechtshof Amsterdam (OK) 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535 (A/B).
Zie Gerechtshof Amsterdam (OK) 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535, r.o. 3.9 (A/B).
Zijn pandrecht blijft daarbij bestaan, slechts verliest hij enkele vennootschapsrechtelijke rechten. In gelijke zin Eikelboom 2011, §6. Voorzichtig zijn Bloemink & Kemp 2020, §4.
Zie over het doel en de strekking van de enquêteregeling HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234 (Ogem).
Vgl. (overdracht ten titel van beheer) Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 28 (MvT).
Vgl. Bloemink & Kemp 2020, §4 die terecht op dit punt het nemo-plusbeginsel niet willen toepassen. Vgl. (uitgaand van een goederenrechtelijke overdracht van de aandelen) Eikelboom 2011, §6.
Zie Josephus Jitta, in: T&C BW, commentaar op art. 2:350 BW, aant. 2 (actueel t/m 15-02-2022). Zie voor een geval waarin op die grond wanbeleid werd aangenomen: HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857 (Zwagerman II).
Zie Gerechtshof Amsterdam 15 maart 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT4045 (Emba). Bovendien verschaft art. 2:350 BW de OK een aanzienlijke discretionaire ruimte om een verzoek afwijzen, ondanks dat sprake is van gegronde reden om te twijfelen aan de juiste gang van zaken, zie HR 20 november 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2646(Louder Holdings).
Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523 (DSM); Gerechtshof Amsterdam (OK) 30 juli 2002, ARO 2002, 125 (Janson Holding). Als er nog geen onderzoek is gelast, dan wordt een onmiddellijke voorziening slechts getroffen als er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (art. 2:349a lid 3 BW).
Vgl. Gerechtshof Amsterdam (OK) 11 september 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3886, r.o. 3.4 (VADA Dordrecht).
Zie HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, r.o. 4.2 (Unilever). Zie voor een geval waarin sprake was van een verzoek door een pandhouder Gerechtshof Amsterdam (OK) 14 april 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1127, r.o. 3.9 (Apotheek Schiemond).
Vgl. Gerechtshof Amsterdam (OK) 20 september 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:2848, r.o. 3.4 en 3.13 (Median Holding).
Vgl. (geschillenregeling) Gerechtshof Amsterdam (OK) 10 juli 2018, ARO 2018/175 en 176, JOR 2019/6, r.o. 3.10 (Maud/RBS).
Vgl. (geschillenregeling) A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.12. De opvatting dat een pandhouder het stemrecht alleen mag aanwenden om het vermogen van de vennootschap in stand te houden of het uitkeren van dividend, is een te restrictieve benadering. Vgl. A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.6. Anders: Philips 2011, p. 64-65.
Zie Gerechtshof Amsterdam (OK) 9 januari 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:6 (KLM) en HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574 (Bab al-Mustaqbal Real Estate/Cordial c.s.).
Vgl. (grootaandeelhouder) Gerechtshof Amsterdam (OK), 10 februari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:302, r.o. 4.36-4.38 (Funda); HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9857, r.o. 3.4 (Zwagerman beheer).
118. De zeggenschapsrechten van een pandhouder kunnen worden beperkt op grond van de enquêteregeling (art. 2:344 e.v. BW). Deze regeling beoogt onder meer de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap, en dient verder ter opening van zaken en vaststelling van de verantwoordelijkheid voor mogelijk blijkend wanbeleid.1 Bevoegd tot het verzoeken van een enquête zijn onder anderen bepaalde aandeelhouders, bepaalde certificaathouders en de vennootschap zelf (art. 2:346 BW).2 De procedure behelst een speciale rechtsgang bij de Ondernemingskamer en kent twee fasen. In de eerste fase staat centraal het verzoek tot het doen van onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de rechtspersoon. In die fase kan de OK voorlopige voorzieningen treffen voor de duur van het geding – zogenoemde onmiddellijke voorzieningen (art. 2:349a lid 2 BW). Een voorbeeld daarvan is de opschorting van het stemrecht. In de tweede fase wordt vastgesteld of er sprake is van wanbeleid. De OK kan in zo’n geval definitieve voorzieningen treffen en bijvoorbeeld een besluit schorsen of vernietigen, of de aandelen ‘overdragen’ ten titel van beheer (art. 2:355 lid 1 BW). Anders dan van de geschillenregeling, kan van de enquêteregeling niet bij statuten of overeenkomst worden afgeweken.3
Lang werd de aandelenoverdracht ten titel van beheer steeds uitgelegd in de goederenrechtelijke zin van het woord.4 De OK is van deze zienswijze teruggekomen.5 Door de overdracht ten titel van beheer gaan volgens haar de aandelen niet tot het vermogen van de beheerder behoren. Het zou bij de voorziening gaan om een rechtsfiguur sui generis, die mede in het licht van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM geen verdergaande gevolgen heeft dan noodzakelijk is voor het beoogde doel.6 Daarom is slechts sprake van de ‘overdracht’ van vennootschapsrechtelijke bevoegdheden zoals het vergaderrecht en het stemrecht. Volgt men de OK in haar redenering dat de vennootschapsrechtelijke rechten overgaan op de beheerder, dan ligt het mijns inziens voor de hand dat bij het treffen van een voorziening ook een stemgerechtigd pandhouder kan worden beperkt in zijn vennootschappelijke rechten.7 De OK motiveerde haar oordeel namelijk met een beroep op het doel van de regeling: het bevorderen van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap.
119. Ongeacht de kwestie wat het rechtskarakter van ‘overdracht ten titel van beheer’, is het aannemelijk dat de pandhouder zijn zeggenschapsrechten kan worden ontnomen. In algemene zin beoogt de enquêteregeling immers onder meer de sanering en het herstel van gezonde verhoudingen.8 Stemrechtontneming kan in dat kader helpen bij de doorbreking van een patstelling binnen de vennootschap.9 De opvatting dat alleen aandeelhouders in hun vennootschappelijke rechten zouden kunnen worden beperkt, doet aan deze ratio geen recht en past mijns inziens niet bij het stelsel van het burgerlijke recht.10
120. De toets die centraal staat bij de vraag of een enquêteverzoek kan worden toegewezen, is of sprake is van ‘gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen’ (artikel 2:350 lid 1 BW). Omdat een pandhouder doorgaans niet het beleid van een vennootschap (mede)bepaalt, gaat het bij een enquêteverzoek dat gedragingen van de pandhouder regardeert in beginsel om de ‘juiste gang van zaken’. Bij de beoordeling van de kwestie of er gegronde redenen bestaan om daaraan te twijfelen, worden er meer belangen in acht genomen dan enkel dat van de vennootschap. Zo kunnen ook gedragingen die in strijd komen met de belangen van bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen aanleiding geven voor de toewijzing van een enquêteverzoek.11 In de literatuur wordt de maatstaf voor toewijzing meestal zo uitgelegd dat er sprake moet zijn van feiten die tezamen een behoorlijke kans inhouden dat het beleid bij nader onderzoek onjuist blijkt te zijn.12 Dat gaat echter niet zo ver dat al op voorhand aannemelijk moet zijn dat er sprake is van wanbeleid.13 Daarnaast kan de OK op verzoek in elke stand van het geding onmiddellijke voorzieningen treffen (art. 2:349a lid 2 BW). Daarvoor is een voldoende zwaarwegende grond vereist.14 Wanneer uit het onderzoek blijkt van wanbeleid, kan de OK eindvoorzieningen treffen die zij op grond van de uitkomst geboden acht (art. 2:355 lid 1 BW).
- Wanneer kunnen de zeggenschapsrechten van een pandhouder worden beperkt?
121. Gelet op de strekking van de regeling zal mijns inziens niet snel sprake zijn van gedragingen die nopen tot de toewijzing van een enquêteverzoek, of het treffen van voorzieningen.15 Zo heeft het enquêterecht specifieke doeleinden. Daartoe behoort volgens de Hoge Raad uitdrukkelijk niet de beslechting van geschillen van louter vermogensrechtelijke aard, of het doen van onderzoek naar de feitelijke achtergrond van dergelijke geschillen. Ligt aan het verzoek een geschil van louter vermogensrechtelijke aard ten grondslag, dan kan een enquêteverzoek niet worden toegewezen.16
Enkele typische geschillen die kunnen ontstaan tussen de pandgever, de vennootschap en de pandhouder vallen daarom buiten de reikwijdte van het enquêterecht. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om geschillen met betrekking tot de verschuldigdheid tot terugbetaling van de verstrekte financiering, de bevoegdheid van de pandhouder tot executoriale verkoop van de aandelen of de wijze waarop de pandhouder de aandelen uitwint.17 Deze aangelegenheden zijn mijns inziens zuiver vermogensrechtelijk. Verder lijkt mij de enquête niet te zijn bedoeld voor onderzoek naar bijvoorbeeld de feitelijke gang van zaken rondom de opstelling van een financier bij de uitbreiding of inperking van verleend krediet.
122. Ook de aard van de positie van een pandhouder binnen de vennootschap noopt mijns inziens tot terughoudendheid. Zijn positie binnen de vennootschap houdt immers nauw verband met zijn gerechtvaardigde belang bij de terugbetaling van de gesecureerde vordering.18 Lange-termijn-betrokkenheid bij de vennootschap en haar organisatie kan daarom van een pandhouder, anders dan soms van een aandeelhouder, niet worden verwacht en – nog belangrijker – niet worden gevergd. Gelet op dit alles zouden de gedragingen van een pandhouder die nauw verband houden met de zekerheidsfunctie van het pandrecht, niet mogen leiden tot de toewijzing van een enquêteverzoek of het treffen van voorzieningen. Zo leveren gedragingen die zijn gericht op het behoud van de waarde van de aandelen, en gedragingen die dienstig zijn aan de executoriale verkoop naar mijn mening in beginsel geen gegronde redenen op om te twijfelen aan een juiste gang van zaken.19 Net als bij de geschillenregeling geldt echter dat een pandrecht de pandhouder geen vrijbrief verschaft voor elke willekeurige gedraging. Handelingen van een pandhouder die onvoldoende verband houden met de zekerheidsfunctie van het pandrecht, kunnen mijns inziens gegronde redenen opleveren op tot twijfel aan een juiste gang van zaken. De drempel voor de toewijzing van een enquêteverzoek ligt namelijk lager dan die bij strijd met de vennootschapsrechtelijke redelijkheid en billijkheid of misbruik van bevoegdheid.20 Verder lijkt mij dat de pandhouder op basis van de redelijkheid en billijkheid onder omstandigheden kan worden gedwongen om duidelijkheid te geven over de toekomst van de vennootschap, en de bij de organisatie van de vennootschap betrokken personen daarover niet onnodig lang in het ongewisse mag laten.21