Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.2:3.7.2 Opschorting stem- en vergaderrecht
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.2
3.7.2 Opschorting stem- en vergaderrecht
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706224:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Visser 2004, p. 3, 18-19; Van Solinge 1999, p. 126 en 142.
Vgl. Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/63 onderdeel c; Schwartz in: GS Rechtspersonen, art. 2:227 BW, aant. 2 (actueel t/m 09-01-2019) die aannemen dat onder aandeelhouder ook pandhouder kan worden verstaan.
Anders Van Kampen 2019, p. 318-319.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
114. De vennootschapsstatuten kunnen bepalen dat het stemrecht of het vergaderrecht is opgeschort zolang een aandeelhouder in gebreke is te voldoen aan een wettelijke of statutaire verplichting (art. 2:87b lid 3, 2:117 lid 3/227 lid 6 en 2:118/228 lid 1 BW). Denk daarbij bijvoorbeeld aan de verplichting tot volstorting van het aandeel (art. 2:80/191 lid 1 BW). Het is dan de vraag of deze opschorting doorwerkt in het recht van de pandhouder. Gelet op het stelsel van de wet is dat mijns inziens niet het geval. Wanneer het stemrecht op de pandhouder overgaat, dan verkrijgt hij daardoor een eigen recht.1 Hij oefent dan niet het recht van de pandgever uit. Hetzelfde geldt voor het vergaderrecht. Indien een pandhouder vergaderrecht is toegekend, dan verkrijgt hij daardoor een eigen recht. De pandgever behoudt in die gevallen bovendien zijn vergaderrecht (art. 2:89/198 lid 4 jo. 2:117/227 lid 2 BW). Wanneer een pandgever zijn wettelijke of statutaire (extra) verplichting niet nakomt, dan raakt zijn stem- en vergaderrecht daardoor mogelijk opgeschort. In die gevallen is er mijns inziens in beginsel geen reden om aan te nemen dat ook het recht van de pandhouder raakt opgeschort. Dit volgt mijns inziens uit het stelsel van de wet. Daaruit blijkt mijns inziens dat het stem- en vergaderrecht van een pandhouder kan worden opgeschort, als een wettelijke of statutaire verplichting niet wordt nagekomen. Of dat het geval is, is mijns inziens een kwestie van uitleg van de statuten.2 Wanneer het gaat om verplichtingen waarop de pandhouder geen doorslaggevende invloed kan uitoefenen, dan ligt het mijns inziens niet voor de hand om aan te nemen dat ook de rechten van de pandhouder opgeschort raken wanneer de statuten dat niet met zoveel woorden bepalen.3
Gelet op het voorgaande is het vanuit de vennootschap bezien raadzaam om, als het de bedoeling is om ook het stemrecht van een pandhouder op te schorten indien de aandeelhouder een wettelijke of statutaire verplichting niet nakomt, een bepaling van die strekking in de statuten op te nemen. Vanuit een (beoogd) pandhouder bezien is het raadzaam om de statuten op zo’n bepaling na te lopen, en in de pandakte of de financieringsdocumentatie een verplichting van de pandgever jegens de pandhouder op te nemen tot nakoming van de wettelijke of de statutaire verplichtingen jegens de vennootschap. Dan levert een tekortkoming in de nakoming van zulke verplichtingen jegens de vennootschap ook een tekortkoming in de nakoming op jegens de pandhouder. Dit kan van pas komen wanneer de pandhouder wordt gehinderd in de uitoefening van zijn stem- of vergaderrecht als gevolg van de niet-nakoming van wettelijke of statutaire verplichtingen van de pandgever.