Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.5
3.7.5 Vennootschappelijk belang
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706254:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Als de vennootschap medeschuldenaar is van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd, dan vloeit deze norm ook voort uit artikelen 6:2 BW en 6:248 jo. 6:216 BW.
Zie ingeval aan de vennootschap een onderneming is verbonden o.a. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797, r.o. 4.2.1 (Cancun). Het vennootschappelijk belang wordt dan in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.
Kroeze 2019, p. 2.
Vgl. De Jongh 2019, p. 23-24; Oppedijk van Veen & Sinninghe Damsté 2019, p. 149-150; A-G Assink ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.7; A-G Van Peursem ECLI:NL:PHR:2019:798 (X/Staatsecretaris van Financiën), nr. 2.18; Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/128 onderdeel a.
Vgl. A-G Van Peursem ECLI:NL:PHR:2019:798 (X/Staatsecretaris van Financiën) nr. 2.18.
Vgl. Roelofs 2023, p. 16-17.
123. De pandhouder krijgt bij de uitoefening van zijn zeggenschapsrechten in bepaalde gevallen te maken met het belang van de vennootschap waarvan de aandelen zijn verpand. Zo moet een pandhouder die valt binnen de kring van artikel 2:8 BW zich tegenover de vennootschap en de bij haar organisatie betrokken personen gedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (§3.7.1).1 Zijn stemrecht kan in het kader van de wettelijke geschillenregeling worden ontnomen als hij met zijn gedrag het vennootschappelijk belang zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen (art. 2:342 BW) – §3.7.3. Ook is het vennootschappelijk belang relevant in het kader van de enquêteregeling bij de vraag of sprake is van gegronde redenen om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW) – §3.7.4. Verder kan het belang van de vennootschap een rol spelen bij de vraag of de pandhouder door uitoefening van zeggenschapsrechten misbruik maakt van zijn bevoegdheid (art. 3:13 BW). Voor al deze gevallen is het nuttig om nader in te gaan op wat het vennootschappelijk belang inhoudt en hoe het belang van de pandhouder zich daartoe verhoudt.
Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat de inhoud van het vennootschappelijk belang afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.2 In de literatuur wordt het vennootschappelijk belang daarom dynamisch genoemd.3 Zo zal wat van belang is voor de vennootschap veranderen wanneer de vennootschap insolvent dreigt te worden.4 In dat geval treden mijns inziens de belangen van de gezamenlijke schuldeisers naar de voorgrond, en daarmee indirect ook de belangen van de pandhouder.5 Het belang van de vennootschap beweegt zo bezien toe naar dat van de pandhouder in het geval dat het financieel slecht gaat met de vennootschap. Precies in zulke situaties ligt het meer dan gemiddeld voor de hand dat de pandhouder overgaat tot de uitoefening van zijn zeggenschapsrechten. Deze samenloop van omstandigheden zorgt ervoor dat de belangen van de vennootschap minder vaak botsen met die van de pandhouder dan men in eerste instantie zou verwachten.6 Zo zal het belang van de pandhouder bij het behoud van de waarde van de aandelen, en het belang van de vennootschap bij de continuïteit van de onderneming in veel gevallen hand in hand gaan. Dit inzicht speelt een rol bij alle regelingen waarbij het belang van de vennootschap relevant is.