Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.3
3.7.3 Geschillenregeling
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706195:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De vennootschap zelf kan deze vordering niet instellen.
Zie Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 25 (MvT).
Zie HR 16 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0420, r.o. 3.2 (De Onderdrecht/Pierson Heldring Pierson). Zie daarover Asser/Van Mierlo & Krzeminski 3-VI 2020/54.
Zie overigens ook de beperking die al uitgaat van art. 2:89/198 lid 3 BW wat betreft het stemrecht op verpande aandelen die niet aan vrijelijk aan de rechtsopvolger overdraagbaar zijn.
Zie in gelijke zin Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II 2019/311 onderdeel c.
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2022/114. De geschillenregeling bevat drie pijlers, zie hierover Bulten 2011, p. 129 e.v.
Zo maakte zij geen deel uitmaakte van het rapport van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975, waarop de regeling is gebaseerd en ook niet van het voorontwerp van wet uit 1981.
Zie Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 11 en 24 (MvT). Zie Bos 2005, p. 153 e.v. voor een bespreking van de regeling vanuit het perspectief van het vruchtgebruik op aandelen.
A-G Assink ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.9. Daarbij is ervoor gekozen, anders dan bij de uitstoting van een aandeelhouder, geen prijsvaststelling voor de stemrechtontneming plaats te laten vinden, waarover later in deze paragraaf meer.
In gelijke zin Bulten 2011, p. 130. Daarop is in de literatuur felle kritiek geuit. Hamers 1996, p. 213 schrijft bijvoorbeeld dat bij de regeling geen rekening is gehouden met de positie van de pandhouder. Bulten 2011, p. 138-139 bepleit zelfs de afschaffing ervan.
Zie Bulten 2011, p. 57-58; Vgl. A-G Timmerman ECLI:NL:PHR:2012:BU4969, nr. 4.11 (B.E.K. Holding/X).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 3, 22-23 (MvT). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt verder dat hinderlijk of zelfs onaanvaardbaar gedrag geen grond is voor toewijzing, zie Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 17 (MvT).
Vgl. A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.12; Storm 2018, p. 492; Hutten in JOR 2016/327; Bulten 2011, p. 58; Roest, in: GS Rechtspersonen, art. 2:336 BW, aant. 2 (actueel t/m 13-04-2018); Koster & Rinnooy Kan, in: Sdu Commentaar, art. 2:336 BW, aant. 5.1 (actueel t/m 15-02-2023). Zie ook Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 16 (MvT) en de concept-MvT bij het voorontwerp, p. 2.
Vgl. Bulten 2011, p. 58.
De minister vond dat de vaststelling van de omvang van het verlies voor de pandhouder buitengewoon moeilijk was, zo niet onmogelijk. Zie Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. 3, p. 25 (MvT). Opvallend, want eerder vond de minister nog dat het stemrecht geen vermogenswaarde had. Zie Kamerstukken II 1984/85, 18 905, nr. A-C, p. 1. Het zou gelet op deze moeilijkheid beter zijn geweest als de ontneming slechts tijdelijk zou zijn geweest, met de mogelijkheid tot verlenging van die periode.
Vgl. A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.12. Vooralsnog geldt de eis dat het moet gaan om gedragingen van de pandhouder in zijn hoedanigheid als pandhouder, zie ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.22-3.23. Het wetsvoorstel “Wet aanpassing geschillenregeling en verduidelijking ontvankelijkheidseisen enquêteprocedure” beoogt deze restrectie weg te nemen.
Vgl. A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345 (Maud/RBS), nr. 3.6.
Zie over de kwestie of een pandhouder zijn eigen belang mag nastreven §3.3.4.
Zie Bulten 2011, p. 138, die de gevallen waarin het stemrecht kan worden ontnomen reduceert tot de gevallen waarin er sprake is van misbruik van bevoegdheid (art. 3:13 BW). Vgl. Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/714.
Zie Rb. Amsterdam 9 juli 2008, ECLI:NL:RBAMS:2008:BD9255 (Darenales/Millennium European Holdings II) en Bulten in JOR 2008/296; Rb. Amsterdam 4 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2016:5819 (Maud/RBS); Gerechtshof Amsterdam (OK) 10 juli 2018, ARO 2018/175 en 176, JOR 2019/6 (Maud/RBS) en A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2019:1345, nr. 3.12 (Maud/RBS). De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep op grond van art. 81 RO, zie HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:588 (Maud/RBS).
115. Wanneer een pandhouder met stemrecht door zijn gedragingen het vennootschappelijk belang ‘zodanig schaadt dat in redelijkheid niet kan worden geduld dat hij het stemrecht blijft uitoefenen’, dan kan de rechter hem het stemrecht ontnemen (art. 2:342 lid 1 BW). De vordering hiertoe kan worden ingesteld door de pandgever en door eventuele andere aandeelhouders, mits deze alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen.1 Na het instellen van de vordering kan de rechter direct een voorlopige voorziening treffen die inhoudt dat het stemrecht hangende de procedure al niet meer kan worden uitgeoefend (art. 2:342 lid 2 jo. 2:338 lid 3, tweede zin BW). Als de vordering tot stemrechtontneming wordt toegewezen, gaat het stemrecht terug op de pandgever door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis (art. 2:342 lid 3 BW). Tegen het vonnis staat hoger beroep open bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam.
De wet bepaalt dat wanneer de dagvaarding is betekend, de pandhouder het pandrecht niet kan doen laten overgaan op een derde, tenzij de eiser(s) of de rechter daarvoor toestemming verleent (art. 2:2342 lid 2 jo. 2:338 lid 1 BW). De minister meende dat deze beperking ook gevolgen zou hebben voor de overdraagbaarheid van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd.2 Dat lijkt mij onjuist. Een beperking van de vatbaarheid van een pandrecht voor overgang houdt namelijk niet zomaar een beperking in van de overdraagbaarheid van de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd (vgl. art. 3:83 lid 1 BW). De minister gaat mijns inziens onterecht voorbij aan het onderscheid tussen het pandrecht op de aandelen en de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd, zonder dat dit noodzakelijk is voor de strekking van de regeling. Niet steeds zal het pandrecht namelijk mee-overgaan met de vordering. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat er sprake is van een zuiver persoonlijk pandrecht,3 of het geval waarin de pandhouder voorafgaand aan de overdracht van (een deel van) de vordering afstand doet van het pandrecht (art. 3:258 lid 2 BW). De beperking die uitgaat van artikel 2:2342 lid 2 jo. 2:338 lid 1 BW gaat daarom mijns inziens niet verder dan dat het stemrecht niet overgaat op een rechtsopvolger van de pandhouder, bijvoorbeeld bij de overdracht van de gesecureerde vordering.4 Om dat te voorkomen zou de pandhouder mijns inziens voorafgaand aan de overgang van het pandrecht afstand kunnen doen van zijn stemrecht als pandhouder.5 Het stemrecht van de pandgever herleeft daardoor, en het belang bij de procedure zal daarmee vervallen.
- De achtergrond van de regeling voor de pandhouder
116. De bepaling op grond waarvan het stemrecht de pandhouder kan worden ontnomen, maakt deel uit van de geschillenregeling. Met die regeling is beoogd om een wettelijke oplossing te bieden bij geschillen tussen aandeelhouders die de samenwerking ernstig bemoeilijken in een bv, of in een nv met een besloten karakter.6 De positie van de beperkt gerechtigde met stemrecht werd daarbij aanvankelijk niet geregeld.7 Pas in een later stadium werd daarvoor een regeling getroffen.8 De gedachte daarachter lijkt echter niet volledig gerijpt. De procedure voor stemrechtontneming aan een beperkt gerechtigde is momenteel vormgegeven als een afgeleide van de uitstotingsprocedure.9 De eisen aan de ontneming van stemrecht zijn gelijk aan de eisen die worden gesteld aan de uitstoting van een aandeelhouder.10 De toets uit artikel 2:342 lid 1 BW tot ontneming van het stemrecht valt uiteen in drie elementen: (i) de gedragingen die aanleiding zijn tot uitstoting; (ii) schade aan het vennootschappelijk belang en (iii) een redelijkheidstoets.11 Het staat de vennootschap vrij om voor de ontneming van stemrecht aan een pandhouder in de statuten een afwijkende regeling te treffen. Van de geschillenregeling kan namelijk worden afgeweken bij statuten of overeenkomst, mits daardoor de overdracht van de aandelen niet onmogelijk of uiterst bezwaarlijk wordt (art. 2:337 lid 1 BW).12 Wat de beperking van het stemrecht van een pandhouder betreft, zal dit laatste niet relevant zijn. Hierna volgt een analyse het stelsel van de wettelijke geschillenregeling met betrekking tot de pandhouder.
- Wanneer kan een pandhouder zijn stemrecht worden ontnomen?
117. Uit het stelsel van de wet en rechtspraak met betrekking tot de positie van een pandhouder bij de geschillenregeling volgt dat stemrechtontneming niet snel gerechtvaardigd is. Artikel 2:342 lid 1 BW eist daarvoor dat er sprake is van ‘zodanige’ schade aan het vennootschappelijk belang dat ‘in redelijkheid niet kan worden geduld’ dat de pandhouder het stemrecht blijft uitoefenen. Van zulke schade is niet snel sprake. Zo heeft de wetgever er bijvoorbeeld bewust voor gekozen om, in afwijking van wat in de literatuur is bepleit, de schending van de vennootschappelijke redelijkheid en billijkheid op zichzelf onvoldoende te laten zijn voor ontneming.13 Ook uit de redelijkheidstoets die artikel 2:342 lid 1 BW eist, volgt terughoudendheid. Niet eenvoudig kan een handeling niet in redelijkheid worden geduld.14 Wat de pandhouder betreft, geldt bovendien dat hij geen vergoeding krijgt voor het verlies van zijn stemrecht.15 Er vindt bij de ontneming van stemrecht namelijk, anders dan bij de uitstoting van een aandeelhouder, geen prijsvaststelling plaats.16
Gelet op het voorgaande mogen gedragingen van een stemgerechtigd pandhouder die erop zijn gericht om zijn vordering te waarborgen mijns inziens in beginsel niet leiden tot de ontneming van zijn stemrecht.17 Denk daarbij bijvoorbeeld aan handelingen die zijn gericht op het behoud van de waarde van de verpande aandelen, en gedragingen die dienstig zijn aan de executoriale verkoop.18 Zulke handelingen zouden mijns inziens in redelijkheid moeten worden geduld. Pas wanneer de pandhouder handelingen verricht die onvoldoende verband houden met zijn positie als schuldeiser, kan stemrechtontneming mijns inziens op haar plek zijn. In zo’n geval kan omwille van het belang van de vennootschap de pandhouder zijn stemrecht worden ontnomen.19 In de literatuur wordt wat dit betreft betoogd dat de geschillenregeling geen afbreuk mag doen aan de ‘adequate werking’ van het pandrecht, en dat de pandhouder bij de uitoefening van zijn zeggenschapsrechten in beginsel een gerechtvaardigd belang heeft.20 Zijn stemrecht vervult daarbij een ‘legitieme rol’. Het handelsverkeer zou niet zijn gebaat bij afbreuk daaraan. In de rechtspraak is deze denktrant meermaals gevolgd.21 De precieze betekenis van adequate werking, gerechtvaardigd belang en legitieme rol is niet scherp omlijnd. Daarom zou ik het als volgt willen verwoorden: de geschillenregeling zou niet in de weg moeten staan aan gedragingen van een pandhouder die nauw verband houden met de zekerheidsfunctie van het pandrecht op de aandelen. Daaruit blijkt dat het gaat om zijn belang bij betaling van zijn gesecureerde vordering, en dat de nauwe verwevenheid daarmee zijn handeling moet rechtvaardigen.