Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.11:3.7.11 Overgang pandrecht
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.11
3.7.11 Overgang pandrecht
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706266:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
139. Wanneer de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd (gedeeltelijk) overgaat, dan gaan de pandrechten die van de vordering afhankelijk zijn in beginsel (gedeeltelijk) over op de verkrijger (art. 3:7 jis. 3:82 en 3:227 lid 1 BW). Ook bij de fusie of de splitsing van een pandhouder die een rechtspersoon is, gaan de pandrechten mee over (art. 3:80 lid 2 BW). In al die gevallen geldt als uitgangspunt dat wanneer de pandhouder een pandrecht met stemrecht had, de verkrijger het pandrecht verkrijgt met inbegrip van dat stemrecht. Was sprake van voorwaardelijk stemrecht, dan is het stemrecht van de verkrijgende pandhouder onderworpen aan dezelfde voorwaarden. In bepaalde gevallen is de overgang van het pandrecht echter onvoldoende voor de (voorwaardelijke) stemgerechtigdheid. Wanneer de nieuwe pandhouder geen persoon is aan wie de aandelen vrijelijk kunnen worden overgedragen, dan geldt als bijkomende wettelijke voorwaarde voor de stemgerechtigdheid dat de overgang van het stemrecht is goedgekeurd door het daartoe bevoegde vennootschapsorgaan (art. 2:89/198 lid 3 BW). Wanneer deze goedkeuring uitblijft, wordt de opvolgende pandhouder niet stemgerechtigd.1 Deze regeling voorkomt dat de vennootschap vanwege een handeling waarop zij geen invloed kan uitoefenen, wordt geconfronteerd met een onbekende die een eigen recht heeft bij de besluitvorming binnen de vennootschap. Doordat de wet ook bij de overgang van het pandrecht de goedkeuring van de vennootschap vereist, is een vennootschap met een besloten karakter in staat haar beslotenheid te waarborgen. Was de ex-pandhouder stemgerechtigd, dan gaat mijns inziens door een afwijzend besluit het stemrecht over op de verkrijger-aandeelhouder. Was de ex-pandhouder slechts stemgerechtigd onder opschortende voorwaarden, dan zal het stemrecht na een afwijzend besluit niet meer overgaan.
Opvallend genoeg volgt uit de tekst van de wet dat wanneer de nieuwe pandhouder een persoon is aan wie de aandelen wel vrijelijk kunnen worden overgedragen, ook goedkeuring nodig is. Het luidt namelijk: ‘Treedt een ander in de rechten van de pandhouder, dan komt hem het stemrecht slechts toe, indien het in de vorige zin bedoelde orgaan dan wel, bij gebreke daarvan, de algemene vergadering de overgang van het stemrecht goedkeurt.’ In de literatuur is op deze onterechte bescherming van de beslotenheid gewezen.2 De beslotenheid is immers niet in het geding als de opvolgend pandhouder binnen de besloten kring valt.3
140. Naast het eventuele stemrecht, verkrijgt de nieuwe pandhouder bij de overgang van een pandrecht op nv-aandelen op grond van de wet certificaathoudersrechten, tenzij hij geen stemrecht heeft én deze rechten hem bij overgang van het pandrecht of bij de statuten van de vennootschap ‘worden onthouden’ (art. 2:89 lid 4 BW). Bij bv-aandelen verkrijgt de nieuwe pandhouder die rechten slechts als hij het (onvoorwaardelijke) stemrecht heeft, of wanneer de statuten bepalen dat een pandhouder zonder stemrecht zulke rechten heeft en ‘bij de overgang van het pandrecht niet anders is bepaald’ (art. 2:198 lid 4 BW). Zowel artikel 2:89 lid 4 als artikel 2:198 lid 4 BW is op dit punt passief geformuleerd. Onduidelijk blijft zo wie er kunnen bepalen dat certificaathoudersrechten niet of juist wel aan de nieuwe pandhouder toekomen. De wetsgeschiedenis zwijgt op dit punt en in de literatuur is de kwestie voor zover mij bekend onopgemerkt gebleven. Op het eerste oog ligt het voor de hand dat de pandgever en de pandhouder kunnen bepalen dat aan de pandhouder geen certificaathoudersrechten zullen toekomen. Echter, bij de overgang van het pandrecht is de pandgever niet per se partij. De overgang kan immers het gevolg zijn van de overdracht van de gesecureerde vordering of de fusie of splitsing van de pandhouder. Sterker nog, bij de overgang van het pandrecht hoeft zelfs de pandhouder niet per se betrokken te zijn. De overgang kan namelijk ook het gevolg zijn van dat een derde wordt gesubrogeerd in de gesecureerde vordering (art. 6:150 jo. 3:82 BW). Het ‘anders bepalen’ of het ‘onthouden’ van certificaathoudersrechten is dan lastig voorstelbaar. De wetgever heeft dat mogelijk niet doorgehad. Gelet op het stelsel van de wet en de strekking van de bepaling, lijkt mij de meest aannemelijke uitleg dat bij de vestiging zowel de pandgever en de pandhouder kunnen bepalen dat de laatste geen certificaathoudersrechten zal verkrijgen. Bij de overgang kunnen zij dat slechts voor zover de overgang het gevolg is van een rechtshandeling waarbij ten minste één van hen partij is.