Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/3.3.5.1
3.3.5.1 Het parlementaire stelsel
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 12.
Ministers worden tevens geacht verantwoordelijk te zijn voor het beleid gevoerd door hun voorgangers. Voor de omvang van de ministeriële verantwoordelijkheid zie Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 279-315.
Elzinga & Warmelink 1993.
Een noodzakelijk verband tussen beide is hiermee niet gegeven volgens Bovend’Eert en Kummeling. De vertrouwensregel heeft zich in de historische ontwikkeling van het parlementaire stelsel los van het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid ontwikkeld. Een minister kan het vertrouwen van de Kamer hebben verloren, bijvoorbeeld door privéaangelegenheden, terwijl de minister volgens artikel 42 lid 2 Grondwet geen verantwoording schuldig is aan de Kamer(s). Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 274-275.
Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 644 en Kortmann/Bovend’Eert 2016, p. 289-299.
Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 299.
Artikel 64 Grondwet.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 412. Zie ook paragraaf 2.6 over de vestiging van het parlementaire stelsel.
Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 302.
Bovend’Eert & Kummeling 2010, p. 418 en 419.
Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 303-304. Zie ook Van der Pot/Elzinga e.a. 2014, p. 656-657. Zie daarnaast Sillen 2011 die ook bepleit dat de vertrouwensregel geldt tussen de Eerste Kamer en het kabinet.
De verhouding tussen de regering en het parlement wordt beheerst door geschreven en ongeschreven regels van het parlementaire stelsel. De ministeriële verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel vormen de kern van dit stelsel.1
De politieke ministeriële verantwoordelijkheid is verankerd in artikel 42 lid 2 Grondwet: ‘De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk’. De ministeriële verantwoordelijkheid is gekoppeld aan de Koninklijke onschendbaarheid en maakt de minister politiek verantwoordelijk. Ten eerste is de minister verantwoordelijk voor het onder zijn verantwoordelijkheid gevoerde beleid en departementaal beheer2 en vervolgens is de minister over dit beleid verantwoording schuldig aan het parlement. De minister dient uitleg te geven over het regeringsbeleid en dit beleid ook te verdedigen. Politieke controle vormt het spiegelbeeld van ministeriële verantwoordelijkheid. Hoe meer controle-instrumenten het parlement tot zijn beschikking heeft, hoe beter de ministeriële verantwoordelijkheid uit de verf komt.3
De vertrouwensregel kan als ultieme sanctie op de ministeriële verantwoordelijkheid gezien worden.4 De vertrouwensregel houdt in dat ministers of staatssecretarissen, dan wel het gehele kabinet, hun ontslag aanbieden als de Tweede Kamer het vertrouwen in hen opzegt.5 Deze regel is negatief geformuleerd, dat wil zeggen dat het vertrouwen aanwezig is totdat het tegendeel blijkt.6 Het spiegelbeeld van de vertrouwensregel wordt gevormd door de bevoegdheid van de regering om de Kamers te ontbinden.7 Het laatste woord ligt uiteindelijk bij het parlement.8
Omdat zowel de gevallen waarin, de redenen waarom en de wijze waarop het vertrouwen in een minister of staatssecretaris of het gehele kabinet kan worden opgezegd niet gedefinieerd zijn, is het in eerste instantie aan de bewindslieden zelf, in overleg met het kabinet, om te bepalen of de Kamer het vertrouwen in het kabinet dan wel de betreffende minister of staatssecretaris heeft verloren. En vervolgens of de minister, staatssecretaris of het kabinet daaraan politieke consequenties wil verbinden, tenzij de Kamer ondubbelzinnig een motie van wantrouwen aanneemt met het doel de minister weg te sturen.9 Bovend’Eert en Kummeling signaleren dan ook dat het aandeel van de ministers bij het functioneren van het parlementaire stelsel een belangrijke rol inneemt. Volgens de auteurs komt het dan ook geregeld voor dat er op het laatste moment nog overleg plaatsvindt tussen het kabinet en de Kamer om een oplossing te vinden voor de ontstane politieke onrust zonder dat daar politieke consequenties aan worden verbonden.10
Over de vraag of en in hoeverre de vertrouwensregel ook geldt in relatie tot de Eerste Kamer is in de literatuur en in de politieke praktijk niet altijd een eenduidig antwoord gegeven. De laatste jaren lijkt deze echter wel gefunctioneerd te hebben zoals Kortmann/Bovend’Eert e.a. opmerken. Bovendien wijzen de auteurs erop dat het bestaan van de regel niet wordt ontkend in het huidige recht.11