Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.2.1.2
3.2.1.2 Wie kan bij uiterste wilsbeschikking een stichting oprichten?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232219:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Asser/Perrick 4 2017/158-162; Handboek Erfrecht, F.W.J.M. Schols 2015/VIII.1. Voor een bijzonder geval waarbij de rechtbank machtiging verleende aan de curator het testament van een onder curatele gestelde te herroepen, zie Rechtbank Midden-Nederland 26 november 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:6455, RFR 2015/39. Zie over deze uitspraak tevens EstateTip Review 2014-39. Eerder had Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 september 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:6484, NJF 2013/447 de curator geen machtiging verleend tot het maken van een uiterste wilsbeschikking namens een onder curatele gestelde. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 augustus 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:5079 weigerde ook machtiging aan de curator tot herroeping van een uiterste wilsbeschikking. Zie ook E.M.A. van Amersfoort, ‘De uiterste wilsbeschikking als hoogstpersoonlijke rechtshandeling een bijzondere rechtsfiguur?’, WPNR 2014/7027 en ‘Testamentaire vertegenwoordiging steeds een stapje dichterbij’, WPNR 2018/7178.
Wet van 6 april 1995 tot nadere regeling van het gezag over en van de omgang met minderjarige kinderen, Stb. 1995, 240.
Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, A.J.M. Nuytinck 2018/206.
Over de vraag of de wettelijk vertegenwoordiger machtiging van de kantonrechter nodig heeft voor het verlenen van toestemming aan de minderjarige voor rechtshandelingen genoemd in artikel 1:345 lid 1 BW, zijn de meningen verdeeld, zie J.H.M. ter Haar, Minderjarigen en (de zorg voor hun) vermogen (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2013, p. 77-78. De wettelijk vertegenwoordiger zal in elk geval de machtiging nodig hebben van de kantonrechter als de minderjarige een schenking of gift wil doen aan de op te richten stichting (artikel 1:253k BW in verbinding met artikel 1:345 lid 1 letter b BW).
Voor voorbeelden van andere wettelijke uitzonderingen op de onbekwaamheid uit artikel 1:234 BW, zie Asser/De Boer 1* 2010/788.
Niet alleen de vraag of sprake is van een uiterste wilsbeschikking tot oprichting van een stichting is van belang, maar ook de vraag wie bevoegd is die uiterste wilsbeschikking te maken.
Handelingsbekwamen die tevens wilsbekwaam zijn kunnen uiterste wilsbeschikkingen maken. Daarnaast zijn ook bepaalde minderjarigen hiertoe bevoegd, evenals personen die om andere redenen dan hun geestelijke toestand onder curatele zijn gesteld (artikel 4:55 BW).1 Omdat de regels voor het maken van uiterste wilsbeschikkingen voor bepaalde minderjarigen afwijken van de regels omtrent de mogelijkheid tot oprichting van een stichting bij leven, is het noodzakelijk hierop in te gaan.
Zolang iemand de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt, is hij minderjarig. Sinds de wetswijziging uit 19952 is een minderjarige handelingsbekwaam, zij het met een belangrijke beperking. De beperking is, dat slechts de minderjarige die handelt met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger bekwaam is rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt (artikel 1:234 lid 1 BW). Onder de huidige wet kan een minderjarige met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger een rechtspersoon oprichten. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger geen toestemming geeft, is de wettelijk vertegenwoordiger zelf bevoegd namens de minderjarige de rechtspersoon op te richten. Dit vloeit voort uit artikel 1:245 lid 3 BW: de wettelijk vertegenwoordiger oefent het gezag uit. Daaronder wordt mede begrepen het in en buiten rechte vertegenwoordigen van de minderjarige in burgerlijke handelingen.3 Voor sommige rechtshandelingen heeft de minderjarige geen toestemming nodig van zijn wettelijk vertegenwoordiger. Dat geldt voor rechtshandelingen ten aanzien waarvan het voor een minderjarige van zijn leeftijd gebruikelijk is deze zelfstandig te verrichten. De vereiste toestemming van de wettelijk vertegenwoordiger wordt dan verondersteld te zijn verleend (artikel 1:234 lid 3 BW).
Het oprichten van rechtspersonen valt niet te zien als een rechtshandeling waarvan het gebruikelijk is dat die door een minderjarige wordt verricht. Een minderjarige kan daardoor slechts met toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger een stichting oprichten.4
Een minderjarige van zestien jaar of ouder kan echter zonder toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger een uiterste wilsbeschikking maken.5 Betekent dit dat hij ook zelfstandig, zonder toestemming van zijn wettelijk vertegenwoordiger, bij dode een stichting mag oprichten, terwijl hij voor de oprichting bij leven deze toestemming wel nodig heeft? Naar mijn mening is dit het geval. Geen enkel voorschrift beperkt de bevoegdheid tot oprichting van een stichting bij of krachtens uiterste wilsbeschikking tot meerderjarigen. Hier geldt dat de lex specialis van artikel 4:55 BW voorgaat op de lex generalis van artikel 1:234 BW.