Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/4.4.2.2.4
4.4.2.2.4 Verweermiddelen
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931070:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op borgtocht is art. 6:11 lid 1 t/m 3 BW van overeenkomstige toepassing (art. 7:868 BW). Voor subrogatie geldt een vergelijkbare bepaling, zie art. 6:145 BW, waarover par. 4.4.2.3.
Van Boom 1999, p. 166-168; Asser/Sieburgh 6-I 2020/131; Van Boom 2016a, 178-180.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 116 (MvA II); Asser/Sieburgh 6-I 2020/131.
Zie hierna, nr. 157.
Zie hiervoor, nr. 130.
Zie voor deze terminologie Van Boom 1999, p. 171-173; Van Boom 2016a, p. 182-185.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 114-115 (TM); Asser/Sieburgh 6-II 2021/130.
Vgl. art. 6.1.2.5 OM, dat verweermiddelen die “na de verbintenis van de medeschuldenaar zonder diens goedvinden” waren ontstaan, niet inroepbaar achtte.
Zie hiervoor, nr. 115.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 114 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 114 (TM). Te denken valt aan art. 6:52 BW, art. 6:262 BW en art. 6:263 BW.
Aldus uitdrukkelijk Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 101 (TM) en HR 8 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK1615, NJ 2010/155, m.nt. S.F.M. Wortmann (X/UWV), r.o. 3.3.1. Vgl. HR 28 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2911, NJ 2000/290, m.nt. J.B.M. Vranken; JOR 1999/91(Spektrum Financieringen/van der Valk), r.o. 3.2, en zie voorts Van Boom 2016a, p. 113.
Ook wel aangeduid als ‘zwakke werking’, zie Asser/Sieburgh 6-II 2021/423. Vgl. art. 3:304 BW.
Van Boom 2016a, p. 220, voetnoot 119.
Zie hiervoor, nr. 179.
Vgl. art. 3:323 BW.
Vgl. Van Boom 1999, p. 210-212; Van Boom 2016a, p. 219-221.
Schoordijk 1979, p. 89.
Zie uitgebreid Stein 2020b.
Koopmann 1993, p. 25; Asser/Sieburgh 6-II 2021/396.
Koopmann 1993, p. 25; Asser/Sieburgh 6-II 2021/396.
Ook wel aangeduid als ‘sterke werking’, zie Asser/Sieburgh 6-II 2021/432.
Zie daarover Hoofdstuk 3, par. 3.2.2, en Hoofdstuk 4, par. 4.2.2.4.
Gerechtshof Leeuwarden 11 augustus 2004, ECLI:NL:GHLEE:2004:AQ6656, NJ 2005/47, r.o. 3. Vgl. Kamerstukken II 1979/80, 15940, 3, p. 7.
Zie voor het Nederlandse recht Rechtbank Zwolle-Lelystad 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBZWLY:2011:BU5790 (CapitalP), r.o. 4.3; Beltzer 2008, p. 94-98; Zwemmer 2012/5.6.0; Haanappel-van der Burg 2015/3.6.2; en Beltzer 2020, p. 180-181. Zie in andere zin Gerechtshof Den Haag 16 februari 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:241 (CapitalP), r.o. 8.1 e.v., en Lintsen 2022/4.8.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3784, NJ 2016/196, m.nt. C.E. du Perron; JOR 2014/172, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (ASR/Achmea), r.o. 3.7.4.
HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8690, NJ 2010/12, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/243, m.nt. E. Loesberg (Bras/The Satisfactorie), r.o. 3.4.
Het kan hierbij zowel gaan om de nakoming van zijn verbintenis als om het maken van kosten (art. 6:10 lid 1 resp. lid 3 BW).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 115 (MvA II); Asser/Sieburgh 6-I 2020/129.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 110 (TM) en 112 (MvA II).
Zie Van Boom 1999, p. 185-186; Van Boom 2016a, p. 197-198.
Van Boom 1999, p. 185-186; Van Boom 2016a, p. 197-198.
Dit geldt ook voor de vernietiging van de rechtshandeling waaruit de verbintenis van de hoofdschuldenaar bij borgtocht voortvloeit, omdat de verbintenis van de borg dan ook tenietgaat (art. 3:7 jo. 3:82 BW). Vgl. HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8690, NJ 2010/12, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/243, m.nt. E. Loesberg (Bras/The Satisfactorie), waar echter in cassatie vast stond dat de vernietigingsbevoegdheid niet was uitgeoefend door de hoofschuldenaar (r.o. 3.4, slot).
In die zin: Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 112 (MvA II). Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2020/129, die een dergelijke inroepbaarheid wel op art. 6:11 BW baseert.
Zie Van Boom 1999, p. 185-186; Van Boom 2016a, p. 197-198.
Denk bijvoorbeeld aan toetreding door C als hoofdelijk schuldenaar tot een aan B verstrekt krediet, waarbij C zich ten aanzien van de toetreding op dwaling kan beroepen.
Zie Van Boom 1999, p. 185-186; Van Boom 2016a, p. 197-198.
Parl. Gesch. Boek 3 BW 1981, p. 185-186 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 115 (MvA II); Schoordijk 1979, p. 88; Asser/Sieburgh 6-II 2021/129.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 112 (MvA II).
Van Boom 1999, p. 184-186; Van Boom 2016a, p. 196-198. Hij verwijst naar de bevoegdheid van de borg tot opschorting van zijn verplichtingen jegens de schuldeiser indien hij de hoofdschuldenaar een redelijke termijn heeft gegund om over te gaan tot uitoefening van een hem toekomende vernietigingsbevoegdheid (art. 7:852 lid 2 BW).
Van Boom 1999, p. 186-187; Van Boom 2016a, p. 198-199.
Heeft de presterende schuldenaar reeds met succes regres genomen, en ontvangt hij vervolgens zijn prestatie van de schuldeiser terug (art. 6:271 BW), dan zullen de aangesproken medeschuldenaren aan art. 6:212 BW een aanspraak kunnen ontlenen jegens de presterende schuldenaar.
Faber 2005/33.
Vgl. HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8690, NJ 2010/12, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/243, m.nt. E. Loesberg (Bras/The Satisfactorie), r.o. 3.4.
Van Boom 1999, p. 177-180; Van Boom 2016a, p. 189-192.
Van Boom 1999, p. 177; Van Boom 2016a, p. 189.
Van Boom 1999, p. 178-179; Van Boom 2016a, p. 190-191.
Van Boom 1999, p. 178; Van Boom 2016a, p. 190.
Zie hierna, nr. 181.
Hetzelfde geldt op grond van art. 6:145 BW in het kader van de overgang van een vordering. Zie voor een en ander Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 537 (TM); Van Achterberg 1999/17 en 22; Faber 2005/267; Asser/Sieburgh 6-II 2021/266; Verheul, in: GS Verbintenissenrecht, art. 6:145 BW, aant. 7.1 (online, actueel t/m 1 juli 2022). Vgl. voorts HR 6 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8690, NJ 2010/12, m.nt. Jac. Hijma; JOR 2008/243, m.nt. E. Loesberg (Bras/The Satisfactorie), r.o. 3.4.
Vgl. Faber 2005/33. Anders ligt dit mogelijk indien sprake is van een meerpartijenovereenkomst op grond waarvan verrekening niettemin mogelijk is, zie HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1789, NJ 2020/166, m.nt. F.M.J. Verstijlen; JOR 2020/22, m.nt. N.E.D. Faber (Contractuele meerpartijenverrekening), r.o. 3.2.
Zie hierna, nr. 181.
Zie hierna, nr. 174.
Zie par. 4.3.3 en par. 4.3.4.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 124-125 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 124 (TM).
Zie hiervoor, nr. 120.
Van Boom 1999, p. 190-191; J.S. Kortmann 2010/15 (p. 1175); Van Kessel 2013, p. 101-102; Van Boom 2016a, p. 202-203; Boekraad 2017/2.3 (p. 78 e.v.); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.3 (p. 83).
Van Kessel 2013, p. 101-102; Boekraad 2017/2.3 (p. 78 e.v.). Anders: Van Boom 1999, p. 190-191; Van Boom 2016a, p. 202-203. J.S. Kortmann 2010/15 (p. 1175) onderschrijft de wenselijkheid van de door Van Boom voorgestane uitlegregel, maar meent terecht dat die niet het geldende recht weergeeft. Vgl. voorts Boekraad 2017/2.4 (p. 83). Zie voor enkele uitzonderingen hierna, nr. 163.
Zie bijvoorbeeld Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.4. De niet-schikkende schuldenaar dient het beding dan wel te aanvaarden (art. 6:253 lid 1 BW jo. art. 6:254 lid1 BW), tenzij het is vormgegeven als onherroepelijk derdenbeding om niet (art. 6:253 lid 4 jo. art. 6:254 lid1 BW).
Zie daarover hierna, nr. 196.
Stein 2023a.
Zie voor een duiding hiervan Aaftink 1974, p. 74-79; Rijken 1983, p. 19-20.
Zie hiervoor, nr. 122.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.4.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.6.2.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.6.1.
HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:837, NJ 2015/255 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2015/191, m.nt. N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt (Bia Beheer), r.o. 3.6.2.
Vgl. Rijken 1983, p. 19-20.
Zie hiervoor, nr. 118.
Deze kwestie lag ook niet voor.
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 124-125 (TM).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 125 (MvA II).
J.S. Kortmann 2010/5 (p. 1170); Boekraad 2017/1 (p. 74) en 2.3 (p. 82); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/4.2 (p. 189-193).
Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Amsterdam 4 februari 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:194 (CDC/Kemira Chemicals), r.o. 3.1, waar kennelijk na een schikking met Akzo/Eka, Arkema France/Elf Aquitane werd doorgeprocedeerd tegen de niet-schikkende gedaagde Kemira onder vermindering van de eis “met bedragen die anders, ingevolge de interne draagplicht, voor rekening van Akzo/Eka en Arkema France SA (/ Elf Aquitaine) zouden komen”. Zie voorts Rechtbank Noord-Nederland 23 september 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:3292 (Breuker q.q. & Lettinga q.q./X), r.o. 4.65-4.68, en voorts de door Boekraad 2017/2.2 (p. 77); Beenders, Polkerman & Hofstee 2017; Boekraad 2017, p. 154; en Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.4 (p. 184-186) aangehaalde voorbeelden. In Hoofdstuk 5, par. 5.2.4, ga ik nader in op de procesrechtelijke gevolgen van dergelijke bedingen.
Terecht in die zin: Rechtbank Rotterdam 23 juni 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6636 (SECC/Kone), r.o. 4.4. Zie voorts Boekraad 2017/2.5 (p. 86). Ik kan mij dan ook niet vinden in de suggestie van Van Boom – ten aanzien van een schikking in de zin van art. 6:193o BW – dat de reductie niet het gevolg zou zijn van de schikking zelf, maar van betaling op grond van die schikking. Zie Van Boom 2016a, p. 206. Vgl. kritisch ten aanzien van dergelijke regels Whittaker 2005a, p. 41-42.
Net als Boekraad 2017/2.5 (p. 86) meen ik dat uit Rechtbank Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11305 (CDC/Shell c.s.), r.o. 2.21, mijns inziens niet anders mag worden afgeleid. In deze zaak was het Nederlandse recht niet toepasselijk.
Kamerstukken II 2003/04, 29414, nr. 3, p. 23-24.
Zie Richtlijn 2014/104/EU, art. 19 lid 1 en 2 en considerans, nr. 51-52; Kamerstukken II 2015/16, 34490, 3, p. 16-17; Van Boom 2016a, p. 204-206; Boekraad 2017/9.2.4 (p. 83-85); Beenders, Polkerman & De Pree 2019/3.5 (p. 86-88).
Zie par. 4.3.4.
Dit randnummer is grotendeels ontleend aan Stein 2022a/3.
Of dit is gebeurd, is een kwestie van uitleg volgens de daarvoor geldende maatstaven. Zie hiervoor, nr. 122.
Vgl. Van Boom 1999, p. 191-198; Keirse & Jongeneel 2013/175 en 179; Van Boom 2016a, p. 206-212;Asser/Sieburgh 6-I 2020/118 en 129.
Van opzet of bewuste roekeloosheid is hier geen sprake.
Van Wassenaer van Catwijck 1985, p. 135-136; Spier 1992a/17; W. Snijders 1992, p. 387; Krans 1999, p. 207, p. 220-221 en p. 227, zij het dat hij een dergelijk beding niettemin soms tóch niet inroepbaar acht jegens zijn medeschuldenaren (p. 234-235); J.L. Snijders 2012, p. 165; Asser/Sieburgh 6-I 2020/118 en 129. Vgl. voorts W. Snijders 1992, p. 386-387; Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 167 en p. 169 e.v.; en Pannevis 2019/366.
Vgl. voor deze duiding Van Boom 1999, p. 191-192; Van Boom 2016a, p. 206-207, die zelf overigens een andere opvatting huldigt.
Vgl. Keirse & Jongeneel 2013/178, die menen dat het onaanvaardbaar zou zijn de gevolgen van het exoneratiebeding voor rekening te laten komen van niet-exoneranten.
Van Boom 2016a, p. 207. Vgl. Van Boom 1999, p. 191-192: “Naar mijn mening doet een exoneratie de verbintenis niet teniet gaan (en dus ook niet bij voorbaat). Een exoneratie is een contractueel verweermiddel dat in beginsel aan de uitoefening van de rechten uit een schadevergoedingsverbintenis in de weg staat.”
Denk aan een derdenbeding (art. 6:253 BW) of de mogelijkheid van een ondergeschikte om zich te beroepen op verweermiddelen van zijn ‘meerdere’ (‘blokkering van de paardensprong’, art. 6:257 BW).
Van Boom 1999, p. 192; Van Boom 2016a, p. 207-208. Vgl. ook Boekraad 2017/9.3 (p. 94-100).
Keirse & Jongeneel 2013/175 en 179; Boekraad 2017/9.3 (p. 95). Zie voorts Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 169 e.v.
Afhankelijk van de geldende uitlegnormen zal er meer of minder ruimte zijn voor de partijbedoelingen, maar als partijen met elkaar een overeenkomst sluiten die de strekking heeft dat de exonerant in de toekomst niet aansprakelijk zal zijn jegens de benadeelde, lijkt het mij het meest bij die partijbedoelingen aansluiten om de exonerant ook echt niet tot schadevergoeding verplicht te achten.
Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 169-170; Keirse & Jongeneel 2013/175-179; Boekraad 2017/9.3 (p. 94-100). Zie voor het oude recht in die zin De Kok 1965, p. 146.
Vgl. voor het Duitse recht Keuk 1972, p. 528 l.k.
Van Boom 1999, p. 196-198; Keirse & Jongeneel 2013/178; Van Boom 2016a, p. 209-212; Boekraad 2017/9.3 (p. 94-100).
Van Boom 1999, p. 192-193; Van Boom 2016a, p. 208.
Van Boom 1999, p. 196-198; Keirse & Jongeneel 2013/178; Van Boom 2016a, p. 209-212; Boekraad 2017/9.3 (p. 94-100).
Van Boom 1999, p. 193-198; Van Boom 2016a, p. 208-212. In dezelfde zin: Boekraad 2017/9.3 (p. 96).
Van Boom 1999, p. 193-198; Van Boom 2016a, p. 208-212. In dezelfde zin: Boekraad 2017/9.3 (p. 96).
Keirse & Jongeneel 2013/178.
Zie hiervoor, nr. 120 en 162 e.v.
Van Boom 1999, p. 195-198; Keirse & Jongeneel 2013/178; Van Boom 2016a, p. 209-212; Boekraad 2017/9.3 (p. 94-100).
Van Boom 1999, p. 192, en Van Boom 2016a, p. 208: “Naar mijn overtuiging kan een exoneratie als zodanig onmogelijk eventuele regresrechten van de debiteuren negatief beïnvloeden.”; Keirse & Jongeneel 2013/178 (p. 140): “Hiervoor [bedoeld zal zijn ‘hierdoor’; DFHS] draagt de mede-aansprakelijke immers een groter aandeel in de schade van de schadelijder dan overeenstemt met het gedeelte daarvan dat hem aangaat.”; en Boekraad 2017/9.3 (p. 95): “ten nadele van een andere schuldenaar”. Zie ook Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 169: “Deze laatste [de niet-exonerant; DFHS] zou daardoor [door het inroepen van het exoneratiebeding door de exonerant jegens hem; DFHS] meer moeten dragen dan het geval zou zijn geweest indien de schadelijder met de andere mede-aansprakelijke geen exoneratie zou zijn overeengekomen.”; Krans 1999, p. 222: “Het gevolg (…) kan namelijk zijn dat de niet-geëxonereerde aansprakelijke meer schade draagt dan hem in de onderlinge verhouding met de andere schadeveroorzaker/exonerant aangaat”.
Een verhaalsrecht jegens de exonerant kan in ieder geval niet op subrogatie berusten (art. 6:12 BW), omdat er simpelweg geen vordering op de exonerant bestaat waarin de niet-exonerant zou kunnen worden gesubrogeerd. Voor een regresrecht uit hoofde van art. 6:10 lid 2 BW geldt dit niet, maar valt evenmin in te zien waarom de exonerant intern zou moeten bijdragen in een schuld waarvoor hij extern niet aansprakelijk is. Vgl. Weir 1983 (orig. 1975)/12-92 (p. 51-52): “To render the contractor liable to tortfeasors when he would not be liable to the victim is on the face of it rather strange.”
Vgl. Boulanger 1974, p. 193: “Die Ausgleichsbeziehungen unter den Gesamtschuldnern können dann aber nur die Folge der Haftung jedes Schuldners auf den vollen Schuldbetrag und nicht deren Voraussetzung sein.”
Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 169; Keirse & Jongeneel 2013/178; Boekraad 2017/9.3 (p. 95).
Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 115 (MvA II): “Buiten het artikel vallen derhalve de eveneens denkbare verweermiddelen die neerkomen op de stelling dat niet aan de eisen van artikel 4 [art. 6:10 BW; DFHS] is voldaan, zodat er reeds om die reden geen verplichting tot bijdragen kan zijn ontstaan. Men denke met name aan betwisting van het feit dat dat degene die de bijdrage verlangt, enig bedrag aan de schuldeiser heeft betaald of aan het verweer dat er op het tijdstip van de betaling geen schuld bestond of dat hoofdelijke verbondenheid ontbrak (…).” Zie instemmend Schoordijk 1979, p. 87-88.
Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2020/118 en 129.
Die mogelijkheden zullen er niet zijn indien de niet-exonerant (uitsluitend) op buitencontractuele grondslag aansprakelijk is en er voor het ontstaan van aansprakelijkheid op die grondslag geen rechtsverhouding bestond met de benadeelde.
Zie daarover uitgebreid Stein 2023a.
Voor de goede orde merk ik op dat die rechtvaardiging niet kan zijn gelegen in art. 6:14 BW. Ten eerste is die bepaling mijns inziens niet (direct of analogisch) van toepassing. Ten tweede zou een dergelijke toepassing ook niet tot het beoogde resultaat leiden, omdat instemming door de schuldeiser met exoneratie van de exonerant dan als uitgangspunt juist géén afbreuk zou doen aan zijn rechten jegens niet-exoneranten, en ook niet voorkomt dat de exonerant mogelijk verplicht is tot bijdragen in de schuld (art. 6:14 eerste volzin BW).
Vgl. [2002] 1 W.L.R. 1419 (HL) (Co-operative Retail Services Ltd v. Taylor Young Partnership Ltd ), 1434 (Lord Bingham): “It would no doubt have been open to TYP and HLP [de niet-exoneranten; DFHS] to seek to be included as co-insured in the joint names insurance, or to have made other arrangements. (…) The real complaint of the former [de niet-exoneranten; DFHS] is the failure to take steps to guard against the contingency which has in fact occurred, a contingency which could in my opinion have been foreseen had the right questions been asked at the right time.”
[2010], 1 W.L.R. 258 (QBD) (Nationwide Building Society v. DHL Ltd and Cobbets), 75B (Clarke J): “There is something to be said for the view that a defendant who has a limitation clause should not be in a worse position than he would have been if both defendants had a similar clause.” Overigens werd in deze zaak een beroep op het exoneratiebeding niet toegestaan vanwege fraude door de exonerant.
Dit randnummer is grotendeels ontleend aan Stein 2022a/3.6.
Zie hiervoor, nr. 164. Zie voorts Stein 2022a/3.6.
Van Wassenaer van Catwijck 1985, p. 147; Spier 1992a/17; Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 167. Anders thans: Keirse & Jongeneel 2013/175 en 207.
Zie hiervoor, nr. 164.
Zie Parl. Gesch. Boek 6 BW 1981, p. 115 (MvA II). Anders: Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 169; en Krans 1999, p. 207, p. 220-221 en p. 227, zij het dat hij een dergelijk beding niettemin soms tóch niet inroepbaar acht jegens zijn medeschuldenaren (p. 234-235).
Vgl. ten onrechte in die zin Keirse & Jongeneel 2013/207; Boekraad 2017/9.3 (p. 95).
Zie hiervoor, nr. 164 en 165.
Zie hiervoor, nr. 164.
Van Boom 1999, p. 205; Keirse & Jongeneel 2013/175-179; Van Boom 2016a, p. 215. Van Boom laat overigens wel ruimte voor uitzonderingen op dit uitgangspunt.
Zie hiervoor, nr. 164.
De lat daarvoor ligt – ook zonder toepasselijke aansprakelijkheidsbeperking – hoog, zie bijvoorbeeld Rechtbank Amsterdam 29 april 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2382, JOR 2015/206, m.nt. E.J. van Praag (Curatoren DSB c.s./DNB).
HR 9 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:309, NJ 2018/228, m.nt. V.P.G. de Serière; JOR 2018/125, m.nt. K. Frielink (GSFS/DNB), r.o. 3.3.3.
Zo zijn de bestuurders van de bank mogelijk aansprakelijk jegens de obligatiehouders, vgl. HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, NJ 1990/286, m.nt. J.M.M. Maeijer (Beklamel), r.o. 3.2.
Vgl. Van Boom 2016a, p. 215-216.
Zie bijvoorbeeld art. 8:110, art. 8:983 BW en art. 8:1105 BW.
Zie hiervoor, nr. 164.
In HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345, NJ 2017/467, m.nt. J. Spier (JMV/Zürich), r.o. 3.3.3 (c), worden deze bepalingen aangeduid als elkaars “spiegelbeeld”.
Zie hiervoor, nr. 164 en 166. Ook Van Boom plaatst deze rechtsfeiten op een lijn, en komt dus ook hier tot een andere uitkomst, zie Van Boom 1999, p. 213-214, en Van Boom 2016a, p. 222-223.
In dezelfde zin De Kok 1965, p. 145; Spier 1982, p. 231-232; Asser/Sieburgh 6-II 2021/179, die opmerkt dat de aard van het matigingsrecht meebrengt “dat naast elkaar aansprakelijke personen (bijvoorbeeld werkgever en werknemer) tot verschillende bedragen kunnen worden veroordeeld”; en Van den Berg, in: GS Schadevergoeding, art. 6:109 BW, aant. 5 (online, actueel t/m 25 mei 2021). Vgl. voorts Krans 1999, p. 230-231. Anders: Van Boom 1999, p. 213-214, en Van Boom 2016a, p. 222-223, die deze koppeling niet noodzakelijk acht.
Zie daarover Hoofdstuk 5, par. 5.2.
Zie daarover Hoofdstuk 5, par. 5.3.
Asser/Hartkamp 4-I* 1984/494. Zie in dezelfde zin Boonekamp 1990, p. 174-175; Spier 1992a/17; Boonekamp 2013/8.3.3 (p. 162); en Asser/Sieburgh 6-II 2021/179, die opmerkt dat “dat het feit dat de schuldenaar zich met succes op art. 6:109 BW beroept of kan beroepen, niet een verweermiddel is waarop de schuldenaar zich ook tegen een andere dan de oorspronkelijke schuldeiser kan beroepen (zie art. 6:11 BW)”. Vgl. Krans 1999, p. 230-231.
Van Boom 1999, p. 213-214; Van Boom 2016a, p. 222-223.
Zie hierna, par. 4.4.2.3.4.
Zie hiervoor, nr. 164.
Zie par. 4.4.2.3.
Zie bijvoorbeeld Van Wassenaer van Catwijck & Jongeneel 1995, p. 169 e.v.; Krans 1999, p. 221-226; Keirse & Jongeneel 2013/178; Boekraad 2017, par. 9.3 (p. 94-100). Vgl. Van Boom 1999, p. 192-194; Van Boom 2016a, 207-209.
153. Algemeen. Indien een hoofdelijk schuldenaar krachtens regres verhaal wenst te nemen op zijn medeschuldenaren, rijst de vraag of die medeschuldenaren de verweermiddelen die zij jegens de schuldeiser kunnen of konden inroepen, ook kunnen inroepen tegen de regreszoekende medeschuldenaar. Ik bespreek hier allereerst de wettelijke regeling van art. 6:11 lid 1 t/m 3 BW.1
Het is mogelijk dat uit de rechtsverhouding tussen de hoofdelijk schuldenaren voortvloeit dat verweermiddelen ruimer of juist minder ruim kunnen worden ingeroepen (art. 6:11 lid 4 BW). De wettelijke regeling van de inroepbaarheid van verweermiddelen is van regelend recht. Art. 6:11 lid 4 BW bepaalt met zoveel woorden dat art. 6:11 lid 1 t/m 3 BW slechts geldt voor zover niets anders voortvloeit uit de onderlinge rechtsverhouding tussen de hoofdelijk medeschuldenaren. Die onderlinge rechtsverhouding staat dus voorop; art. 6:11 lid 1 t/m 3 BW is een regeling voor het geval de inroepbaarheid van een verweermiddel niet (duidelijk) uit die rechtsverhouding blijkt.2 Die rechtsverhouding wordt niet alleen bepaald door een eventuele overeenkomst tussen hen, maar ook door de redelijkheid en billijkheid (art. 6:8 jo art. 6:2 BW).3 Zo kan uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeien dat een in regres aangesproken schuldenaar de verjaring van de op hem rustende verbintenis jegens de schuldeiser kan inroepen tegen zijn medeschuldenaar, ook als die bevoegdheid (nog) niet uit art. 6:11 lid 3 BW voortvloeit.4
Het vooropstellen van de rechtsverhoudingen tussen hoofdelijk schuldenaren in art. 6:11 lid 4 BW is niet alleen van belang voor de inroepbaarheid van verweermiddelen, maar heeft ook bredere, symbolische waarde, omdat hierin tot uitdrukking komt dat die rechtsverhoudingen in de eerste plaats leidend zijn. Hoewel dit niet met zoveel woorden is bepaald, ziet men dit bijvoorbeeld bij het vaststellen van de draagplicht van hoofdelijk schuldenaren.5
154. Anterieure en posterieure verweermiddelen. Ter beantwoording van de vraag of een verweermiddel door de in regres aangesproken schuldenaar kan worden ingeroepen, moet onderscheid worden gemaakt tussen verweermiddelen die ten tijde van het ontstaan van de hoofdelijke verbondenheid reeds bestonden (‘anterieure verweermiddelen’) en verweermiddelen die pas later zijn opgekomen (‘posterieure verweermiddelen’).6
Anterieure verweermiddelen kunnen door de in regres aangesproken schuldenaar in beginsel ook worden ingeroepen tegen een regreszoekende medeschuldenaar (art. 6:11 lid 1 BW). Deze bepaling is nodig omdat de regresvordering – anders dan de krachtens subrogatie verkregen verhaalsvordering – een nieuwe verbintenis is. Het is niet vanzelfsprekend dat de in regres aangesproken schuldenaar zich jegens een medeschuldenaar kan beroepen op verweermiddelen die hij jegens de schuldeiser kon inroepen.
Posterieure verweermiddelen kunnen soms ook worden ingeroepen, behalve als zij voortvloeien uit een rechtshandeling met de schuldeiser verricht nádat de hoofdelijke verbintenissen van de aangesproken en de regreszoekende schuldenaar reeds waren ontstaan (art. 6:11 lid 2 BW). De ratio hiervan is dat de regreszoekende schuldenaar zijn rechtspositie moet kunnen bepalen op het moment waarop hij hoofdelijk verbonden raakt, en dat hij daarbij uiteraard geen rekening kan houden met verweermiddelen die voortvloeien uit nadien verrichte rechtshandelingen.7 Daarnaast lijkt mij van belang dat een schuldenaar vanaf dat moment niet tegen de wil van zijn medeschuldenaren hun rechtspositie negatief kan beïnvloeden.8
155. Opschortende voorwaarde, tijdsbepaling en uitstel van betaling. Zoals reeds besproken,9 kan ook hoofdelijke verbondenheid bestaan indien aan de ene verbintenis wel, maar aan de andere geen (opschortende) voorwaarde of tijdsbepaling is verbonden. Heeft een van de schuldenaren jegens de schuldeiser een opschortende voorwaarde of tijdsbepaling bedongen, dan kan hij zich ook tegen zijn regreszoekende medeschuldenaar verweren met een beroep op dit verweermiddel.10 De in regres aangesproken schuldenaar is dus niet verplicht aan zijn regresverplichtingen te voldoen totdat de voorwaarde is ingetreden of de tijdsbepaling is verstreken die aan zijn verbintenis jegens de schuldeiser verbonden was. Of uitstel van betaling verleend jegens één van de hoofdelijk schuldenaren ook werking heeft jegens de andere schuldenaren, is een kwestie van uitleg van de rechtshandeling waarbij het uitstel werd verleend (art. 6:9 lid 2 BW).
156. Opschorting. Hetzelfde moet worden aangenomen indien de aangesproken schuldenaar zich jegens de schuldeiser kon beroepen op een wettelijk of contractueel opschortingsrecht;11 de aangesproken schuldenaar kan zich dan in beginsel ook op opschorting beroepen jegens een verhaalzoekende medeschuldenaar. Bij een dergelijke opschorting gaat het om opschorting van de verplichting de regresvordering te voldoen zolang de oorspronkelijke schuldeiser een verplichting jegens de in regres aangesproken schuldenaar niet nakomt, en ook overigens aan de vereisten voor opschorting is voldaan (zie art. 6:52 en art. 6:262 t/m 264 BW).
Kan schuldenaar B zich jegens A beroepen op de opschorting van de nakoming van de op hem (B) rustende verbintenis, omdat A een op hem (A) rustende verplichting niet nakomt, dan kan B dit opschortingsrecht dus ook inroepen tegen zijn medeschuldenaar C, indien C regres op hem neemt. Van dit geval moet worden onderscheiden het geval dat de in regres aangesproken schuldenaar zijn prestatie kan opschorten wegens de niet-nakoming van een op de regreszoekende medeschuldenaar (C) rustende verplichting, in welk geval de opschorting met art. 6:11 BW niets van doen heeft.
157. Verjaring. Het zelfstandige karakter van hoofdelijke verbintenissen brengt mee dat de daarop betrekking hebbende rechtsvorderingen afzonderlijk verjaren.12 Verjaring heeft tot gevolg dat de aan een vorderingsrecht verbonden rechtsvordering tenietgaat, maar het vorderingsrecht blijft – als tegenhanger van de natuurlijk geworden verbintenis (art. 6:3 BW) – voortbestaan.13 Verjaring van één van meerdere hoofdelijke verbintenissen heeft dus niet tot gevolg dat de schuldenaar van die verbintenis niet langer hoofdelijk verbonden is,14 maar slechts dat sprake is van hoofdelijke verbondenheid waarbij de nakoming van één van de verbintenissen niet meer kan worden afgedwongen. Hoewel verjaring een verweermiddel is dat mogelijk door de in regres aangesproken schuldenaar kan worden ingeroepen, bepaalt art. 6:11 lid 3 BW dat dit beroep hem slechts toekomt indien een zowel hij als de regreszoekende medeschuldenaar ten tijde van het ontstaan van de regresvordering de voltooide verjaring had kunnen inroepen tegen de oorspronkelijke schuldeiser. Met andere woorden: alleen indien de presterende schuldenaar de schuld voldeed op een moment waarop (de rechtsvordering tot bescherming van) zowel de vordering op hem als de vordering op de in regres aangesproken medeschuldenaar reeds was verjaard, kan hij de regreszoekende medeschuldenaar een beroep op verjaring tegenwerpen.
Dit wijkt af van hetgeen geldt in het kader van subrogatie,15 en ook van hetgeen geldt bij borgtocht: de verbintenis van de borg gaat teniet indien de rechtsvordering(en) tegen de hoofdschuldenaar zijn verjaard (art. 7:853 BW).16
De ratio van deze regel moet erin worden gezocht dat de schuldenaar die in regres wordt aangesproken door een medeschuldenaar die voldeed aan een op hem rustende hoofdelijke verbintenis die nog niét was verjaard, niet met lege handen zou moeten staan vanwege het enkele feit dat de rechtsvordering van de oorspronkelijke schuldeiser jegens de in regres aangesproken schuldenaar wél reeds was verjaard.17 De in regres aangesproken schuldenaar moet er geen voordeel van genieten dat niet hij, maar zijn medeschuldenaar is aangesproken. Tegen die achtergrond vind ik art. 6:11 lid 3 BW op punten te streng. Neem bijvoorbeeld het geval dat hoofdelijk schuldenaar B ná het verstrijken van de verjaringstermijn voor (de rechtsvordering die verbonden is aan) de op hem rustende verbintenis overgaat tot betaling aan schuldeiser A, en vervolgens zijn medeschuldenaar C – die zich jegens A niet op verjaring had kunnen beroepen – in regres aanspreekt. Waarom kan C niet van B verlangen dat B zich jegens A op verjaring beriep?18 De ratio zal erin zijn gelegen dat B ook na het intreden van de verjaring voldoet aan een op hem rustende verbintenis (art. 6:3 BW). Bovendien is het maar de vraag wat een dergelijk beroep voor gevolg zou hebben gehad, omdat de vordering van A op C immers nog niet was verjaard, zodat A zich nog tot C had kunnen wenden. Niettemin meen ik dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan voortvloeien dat indien B zich jegens A niet op verjaring beroept, C dit jegens B wél kan inroepen als verweermiddel (art. 6:8 jo. 6:2 en art. 6:11 lid 4 BW).
Doet een van de hoofdelijk schuldenaren jegens de schuldeiser afstand van een hem toekomend beroep op verjaring (art. 3:322 lid 3 BW),19 dan rijst de vraag of dit gevolgen heeft voor de overige schuldenaren. Art. 6:11 lid 3 BW stelt immers als voorwaarde dat op het moment waarop de regresvordering ontstond, alle hoofdelijk schuldenaren zich jegens de schuldeiser op de voltooiing van de verjaring had kunnen beroepen. Doet een van de hoofdelijk schuldenaren vóórdat hij betaalt afstand van een hem toekomend beroep op verjaring, dan lijkt niet aan dit vereiste te zijn voldaan.
Stel dat A sinds 15 januari 2015 een vordering heeft op zowel B als C, die daarvoor hoofdelijk verbonden zijn. Zowel B als C komt – behoudens stuiting – jegens A een beroep toe op verjaring vanaf het moment dat vijf jaren zijn verstreken sinds de dag na de dag waarop zij met hun regresvordering bekend raakten. Was dat onmiddellijk, dan zijn beide verjaringstermijnen op 16 januari 2020 verstreken. Zij kunnen zich vanaf die datum met succes beroepen op verjaring.
Heeft B vervolgens – dus na het verstrijken van de verjaringstermijn van de aanspraak op hem – aan A te kennen gegeven dat hij afstand doet van het hem toekomende beroep op verjaring, en voldoet hij vervolgens de hoofdelijke schuld aan A, dan was op het moment waarop de regresvordering ontstond, niet voldaan aan de vereisten van art. 6:11 lid 3 BW.
Zou dit het geldende recht weergeven, dan zou dit meebrengen dat de schuldenaar die afstand doet van een hem toekomend beroep op verjaring, terwijl ook de aanspraken jegens zijn medeschuldenaren zijn verjaard, nadeel zou kunnen toebrengen aan die medeschuldenaren. Zónder die afstand zou het door hem jegens de schuldeisers verrichten van de verschuldigde prestatie immers weliswaar een regresvordering in het leven roepen voor zover aan de vereisten daarvoor is voldaan (art. 6:10 lid 2 BW), maar zou de in regres aangesproken medeschuldenaar zich jegens hem kunnen verweren met een beroep op verjaring (art. 6:11 lid 3 BW). Ik acht een dergelijke uitkomst met Koopmann en Sieburgh onaanvaardbaar.20 Men kan aan die uitkomst ontkomen indien men de zinsnede “had kunnen inroepen” in die zin opvat, dat de presterende schuldenaar de verjaring had kunnen inroepen indien hij van de verjaring geen afstand zou hebben gedaan.21 Een andere route naar hetzelfde resultaat is dat de afstand van de verjaring door de presterende schuldenaar jegens de schuldeiser in die verhouding wellicht geldig is, maar niet aan zijn medeschuldenaren worden tegengeworpen gelet op het bepaalde in art. 6:8 jo. 6:2 lid 2 BW. De schuldenaar die afstand deed ondervindt van de afstand immers geen voordeel, terwijl zijn medeschuldenaren daarvan wel nadeel ondervinden. Een dergelijke uitkomst sluit bovendien aan bij de gedachte die aan art. 6:11 lid 2 BW ten grondslag ligt, namelijk dat een schuldenaar na het ontstaan van de hoofdelijke verbondenheid niet door middel van een rechtshandeling met de schuldeiser een verweermiddel in het leven kan roepen dat hij aan zijn medeschuldenaren kan tegenwerpen. Met die strekking is het in lijn om een rechtshandeling waarmee de schuldenaar na het intreden van de hoofdelijke verbondenheid een verweermiddel aan zijn medeschuldenaren beoogt te ontnemen, evenmin het beoogde effect te laten hebben.
Voldoet B, na jegens A afstand te hebben gedaan van verjaring, de volledige schuld aan A (op bijvoorbeeld 1 februari 2020), dan verkrijgt hij weliswaar een regresvordering op C voor zover aan de vereisten van art. 6:10 lid 2 BW is voldaan, maar kan C zich daartegen verweren met een beroep op verjaring (art. 6:11 lid 3 BW).
158. Verval. Hoewel het leerstuk van verval verwantschap vertoont met verjaring, moet zij in het kader van hoofdelijke verbintenissen mijns inziens anders worden behandeld. Bij verval gaat niet alleen de rechtsvordering, maar ook het vorderingsrecht – en de daarmee corresponderende verbintenis – teniet.22
De gevolgen van verval in de interne verhoudingen is mijns inziens afhankelijk van het moment waarop het verval intreedt. Is dat vóórdat de regresvordering ontstond, dan kan het verval wél worden ingeroepen omdat ten tijde van de prestatie geen hoofdelijke verbondenheid (meer) bestond. Van regres uit hoofde van art. 6:10 BW op de voormalig schuldenaar wiens verbintenis is vervallen, kan dan geen sprake zijn. Art. 6:11 lid 3 BW is op deze situatie niet van toepassing, en dat is ook niet nodig, omdat het niet gaat om rechtsverhoudingen tussen hoofdelijk schuldenaren, maar juist om rechtsverhoudingen met een partij wier verbintenis is vervallen en die dus niet langer hoofdelijk schuldenaar is. Vervalt zijn verbintenis nádat een medeschuldenaar heeft gepresteerd, dan heeft het verval mijns inziens geen invloed op de interne verhoudingen. In dat geval kan het verval dus niet met succes worden ingeroepen jegens de verhaalzoekende medeschuldenaar, omdat ten tijde van de prestatie door die schuldenaar wél sprake was van hoofdelijke verbondenheid. Is op dat moment een regresvordering ontstaan, terwijl de verbintenis van de tot bijdragen aangesproken schuldenaar jegens de schuldeiser op dat moment nog niet was vervallen, dan is niet voldaan aan het vereiste dat het verweermiddel reeds op dat moment kon worden ingeroepen jegens de schuldeiser (art. 6:11 lid 1 BW). Dit geldt zowel voor verval op grond van de wet (bijv. art. 6:89 en art. 7:23 BW) als op grond van overeenkomst van vóór het ontstaan van de hoofdelijke verbondenheid. Gaat het echter om verval als gevolg van een rechtshandeling die na het ontstaan van de hoofdelijke verbondenheid wordt verricht met de schuldeiser, dan is het verval reeds om die reden niet inroepbaar jegens de verhaalzoekende medeschuldenaar (art. 6:11 lid 2 BW).
Indien A een vordering heeft van € 1 miljoen op B, C en D, die daarvoor hoofdelijk zijn verbonden, dan laat het verval van de verbintenis van D nádat B of C presteerde, eventuele regresrechten jegens D dus onverlet. D kan zich niet verweren met een beroep op het verval van zijn verbintenis en blijft intern gehouden in de schuld bij te dragen.
De rechtsgevolgen van verval zijn mijns inziens van belang voor de hoofdelijke aansprakelijkheid in het kader van overgang van onderneming.23 De oorspronkelijke werkgever is na de overgang naast de nieuwe werkgever hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst die zijn ontstaan vóór de overgang (art. 7:663, tweede volzin BW), maar slechts “gedurende een jaar”. Het gaat hier om een wettelijke vervaltermijn.24 Mijns inziens is voor het kunnen inroepen van het verstrijken van de vervaltermijn door de in regres aangesproken voormalige werkgever, dus bepalend of het verval ten tijde van het ontstaan van de regresvordering al was ingetreden. Zo ja, dan zal het verval inroepbaar zijn jegens de verhaalzoekende nieuwe werkgever, omdat ten tijde van de betaling door hem geen sprake meer was van hoofdelijke verbondenheid. Zo niet, dan zal het verval niet inroepbaar zijn, omdat het verval op dat moment dan nog niet inroepbaar was jegens de werknemer (art. 6:11 lid 1 BW). Voor een regresvordering die vóór het verstrijken van de vervaltermijn is ontstaan, geldt zelf in mijn ogen géén vervaltermijn. Dit betekent dus dat de voormalig werkgever ook ná het verstrijken van de éénjaarstermijn nog tot bijdragen kan worden aangesproken door de nieuwe werkgever.25 De begrenzing daarvan is gelegen in de wettelijke verjaringsregels en in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.26
159. Vernietiging. Indien de in regres aangesproken schuldenaar de bevoegdheid had de rechtshandeling waaruit de op hem rustende verbintenis (jegens de schuldeiser) voortvloeit te vernietigen, of de overeenkomst waaruit die verbintenis voortvloeit te ontbinden, rijst de vraag of dit een verweermiddel is dat op de voet van art. 6:11 BW kan worden ingeroepen tegen de regreszoekende medeschuldenaar. Daarbij verdient allereerst opmerking dat een enkele bevoegdheid tot vernietiging geen verweermiddel oplevert dat jegens medeschuldenaren kan worden ingeroepen, omdat het slechts een wilsrecht tot het doen ontstaan van een dergelijk verweermiddel betreft.27 Slechts indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, kan hieruit een verweermiddel voortvloeien dat tegen hen kan worden ingeroepen. Daarbij is van belang dat aan de vernietiging in beginsel terugwerkende kracht toekomt (art. 3:53 lid 1 BW).
Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat een succesvol beroep op vernietiging door een schuldenaar jegens de schuldeiser ook gevolgen heeft voor de verhoudingen tussen de hoofdelijk schuldenaren.28 Het maakt daarbij niet uit of een bevoegdheid tot vernietiging is uitgeoefend vóór de prestatie door de regreszoekende schuldenaar,29 en evenmin of de vernietiging enkel de verbintenis van de in regres aangesproken schuldenaar treft, of ook die van de regreszoekende schuldenaar.
Was de vernietigingsbevoegdheid al uitgeoefend ten tijde van de prestatie door de regreszoekende schuldenaar, en raakte zij alle verbintenissen, dan was op het moment van de prestatie geen sprake van hoofdelijke verbondenheid. 30 Van regres in de zin van art. 6:10 BW is dan geen sprake; de regreszoekende schuldenaar die jegens de schuldeiser presteerde, heeft jegens hem een vordering uit onverschuldigde betaling (art. 6:203 BW).31 Raakte de reeds uitgeoefende vernietigingsbevoegdheid niet alle verbintenissen, maar enkel die van de in regres aangesproken schuldenaar, dan behoorde de in regres aangesproken schuldenaar ten tijde van het delgen van de schuld niet tot de kring van hoofdelijk schuldenaren, en bestaat evenmin een regresvordering jegens hem. De regreszoekende schuldenaar moet zich dan tot de (eventuele) overige medeschuldenaren wenden. Het slagen van een dergelijk verweer brengt strikt genomen ook mee dat geen regresvordering (meer) bestaat tot bijdragen in de gemaakte kosten (art. 6:10 lid 3 BW ook niet (meer) van toepassing is.32 Niettemin heeft de pseudo-schuldenaar die kosten heeft gemaakt terwijl hij redelijkerwijs veronderstelde dat hij mogelijk aansprakelijk was, mijns inziens verhaal op zijn medeschuldenaren. Voor zover de actie uit ongerechtvaardigde verrijking hier geen soelaas biedt, kan art. 6:10 lid 3 BW analogisch worden toegepast,33 of kan onder omstandigheden een oplossing worden gevonden in het beperken van de werking van de vernietiging en/of het opleggen van een betalingsverplichting (art. 3:53 lid 2 BW).
Indien de vernietigingsbevoegdheid wordt uitgeoefend nádat de regreszoekende schuldenaar zijn prestatie verrichtte, dan brengt de terugwerkende kracht van de vernietiging (art. 3:53 lid 1 BW) eenzelfde uitkomst mee. Heeft de vernietiging betrekking op alle hoofdelijke verbintenissen, dan is achteraf bezien onverschuldigd gepresteerd en heeft de presterende (pseudo-)schuldenaar een vordering uit onverschuldigde betaling op de (pseudo-)schuldeiser (art. 6:203 BW).34 Van een vordering tot bijdragen in die schuld uit hoofde van art. 6:10 BW kan dan geen sprake zijn en van een daartegen op de voet van art 6:11 BW in te roepen verweermiddel evenmin. Heeft de vernietiging enkel betrekking op de verbintenis van degene die zich op vernietiging beroept, dan moet – uitgaande van de terugwerkende kracht van de vernietiging – wat de interne verhoudingen betreft hetzelfde gelden: de schuldenaar die heeft gepresteerd heeft geen regres op de (pseudo-)medeschuldenaar. De inroepbaarheid van de vernietiging heeft ook hier met art. 6:11 BW niets van doen, omdat die bepaling nu juist toepassing mist bij gebreke van een regresvordering.35 Ook hier geldt dat art. 6:10 lid 3 BW strikt genomen niet (meer) van toepassing is, maar sta ik eenzelfde oplossing voor, al dan niet onder toepassing van art. 3:53 lid 2 BW.
Het gevolg van deze opvatting is wel dat indien ná een door een van de schuldenaren verrichte prestatie een andere schuldenaar een vernietigingsbevoegdheid uitoefent ten aanzien van enkel diens verbintenissen, de draagplicht van de (andere) schuldenaren daardoor kan stijgen.36 Tegelijkertijd bestond de vernietigingsbevoegd juist om degene die haar kan uitoefenen te beschermen, door zich van een op hem rustende verplichting te voldoen.
Stel dat A een vordering heeft B en C tot betaling van € 200.000, waarvoor zij hoofdelijk verbonden zijn, en dat B dit bedrag voldoet aan A. Als B vervolgens regres wil nemen op C, maar C de rechtshandeling waaruit zijn verbintenis voortvloeit vernietigt (zonder dat deze vernietiging ook de verbintenis van B treft)37, dan is het gevolg hiervan dat B door de vernietiging (met terugwerkende kracht) volledig draagplichtig wordt. Voor Van Boom is dit reden om een dergelijke werking niet te aanvaarden.38 De rechtvaardiging voor die uitkomst is echter gelegen in de terugwerkende kracht van de vernietiging, die erop gericht is om degene die zich op vernietiging kan beroepen in een positie te brengen die hetzelfde is als indien de rechtshandeling nooit had plaatsgevonden.39 Dit betekent mijns inziens ook dat de oplossing voor de soms onaanvaardbare gevolgen hiervan moeten worden gezocht in het beperken van de werking van de vernietiging en/of het opleggen van een betalingsverplichting op de schuldenaar die zich op vernietiging beroept (art. 3:53 lid 2 BW).
Ik meen dus dat indien een van de hoofdelijk schuldenaren zich op vernietiging beroept, dit kan worden ingeroepen tegen regreszoekende medeschuldenaren, omdat als gevolg van de (in beginsel) terugwerkende kracht van de vernietiging er ten tijde van de prestatie geen of slechts in beperkte mate hoofdelijke verbondenheid bestond. Van een verweermiddel in de zin van art. 6:11 BW is hierbij overigens geen sprake, omdat uitoefening daarvan – ongeacht het moment van uitoefenen van – belet dat sprake is van een regresvordering in de zin van art. 6:10 BW. Door de vernietiging haar werking deels te ontzeggen (art. 3:53 lid 2 BW), kan zo nodig een ander resultaat worden bereikt.
Voor de goede orde merk ik op dat indien vernietigingsbevoegdheid voortvloeit uit een rechtshandeling met of jegens de schuldeiser verricht nádat de hoofdelijke verbondenheid reeds was ingetreden, de vernietiging niet inroepbaar is jegens medeschuldenaren (art. 6:11 lid 2 BW).
160. Ontbinding en ontbindende voorwaarde. Voor ontbinding is het onderscheid tussen een ten tijde van de prestatie wel reeds uitgeoefende bevoegdheid en een op dat moment nog niet uitgeoefende bevoegdheid wél van belang. Ook hier geldt dat een enkele ontbindingsbevoegdheid geen verweermiddel oplevert. Wel heeft het inroepen van de ontbinding door de ene hoofdelijk schuldenaar mogelijk gevolgen voor zijn medeschuldenaren.
Een ten tijde van de prestatie reeds uitgeoefende ontbindingsbevoegdheid voorkómt dat een regresvordering in de zin van art. 6:10 BW ontstaat, omdat van hoofdelijke verbondenheid van de partij die ontbond, ten tijde van de door een andere partij verrichte prestatie dan geen sprake was.40 Dit geldt ongeacht of de ontbinding alleen betrekking heeft op de verbintenis van de aangesproken schuldenaar, of ook op die van de regreszoekende schuldenaar. Gaat het om ontbinding van de overeenkomst(en) waaruit alle hoofdelijke verbintenissen voortvloeiden, dan was op het moment van de prestatie in het geheel geen sprake van hoofdelijke verbondenheid. De regreszoekende schuldenaar heeft simpelweg onverschuldigd gepresteerd en heeft uit dien hoofde een vordering op de oorspronkelijke schuldeiser (art. 6:271, eerste volzin jo. art. 6:203 BW). Indien de aangesproken schuldenaar zich vóór de prestatie door ontbinding van slechts zijn verbintenis bevrijdde, behoorde hij ten tijde van de prestatie niet tot de kring der hoofdelijk schuldenaren, zodat evenmin op hem regres kan worden genomen. De regreszoekende schuldenaar zal zich slechts kunnen verhalen op eventuele (andere) medeschuldenaren. Hetzelfde geldt indien vóór de prestatie een ontbindende voorwaarde in werking treedt (art. 6:22 BW).
Wordt de ontbindingsbevoegdheid pas uitgeoefend nádat de prestatie door de regreszoekende schuldenaar is verricht, dan ligt het ingewikkelder.
Ontbinding van de overeenkomst(en) waaruit alle hoofdelijke verbintenissen voortvloeiden heeft géén terugwerkende kracht (art. 6:269 BW), maar doet wel ongedaanmakingsverbintenissen ontstaan (art. 6:271 BW). Het ontbreken van terugwerkende kracht brengt mee dat de ontbinding strikt genomen geen gevolgen heeft voor een reeds ontstane regresvordering;41 ten tijde van de prestatie was immers – ook achteraf bezien – sprake van hoofdelijke verbondenheid, en indien daarbij de draagplicht van de presterende schuldenaar is overschreden is hierdoor een regresvordering ontstaan (art. 6:10 BW). Het is echter niet te billijken dat de presterende schuldenaar die ná de door hem verrichte prestatie overgaat tot ontbinding, zowel een vordering tot ongedaanmaking heeft jegens de (voormalig) schuldeiser, als een regresvordering op zijn (voormalig) medeschuldenaar. Mogelijk wordt dat opgelost door art. 6:271 BW, dat bepaalt dat de nog niet nagekomen verbintenissen door de ontbinding komen te vervallen. Hoe dan ook heeft art. 6:11 BW hier goede zin, omdat die bepaling meebrengt dat de in regres aangesproken schuldenaar zich kan verweren met een beroep op de reeds door de verhaalzoekende medeschuldenaar uitgeoefende ontbindingsbevoegdheid. Er is (mogelijk) wel een regresvordering, maar de schuldenaar die daarmee wordt geconfronteerd, kan zich daartegen verweren met een beroep op de ontbinding. Hetzelfde geldt indien na de prestatie een ontbindende voorwaarde in werking treedt die alle hoofdelijke verbintenissen betreft (art. 6:22 jo. art. 6:24 lid 1 BW).
Het nadeel van deze opvatting is dat de schuldenaar die presteerde zich tot de schuldeiser dient te wenden ter terugvordering van het door hem betaalde. De medeschuldenaar blijft buiten schot. Met name indien de schuldeiser niet in staat blijkt tot terugbetaling van het door hem ontvangene, leidt dit tot een verslechtering van de vermogenspositie van de schuldenaar die presteerde.42 Verschillende oplossingen zijn hier denkbaar. Een eerste oplossing zou zijn om hier een mededelingsplicht aan te nemen, zowel voor de schuldenaar die presteert als voor de schuldenaar die ontbindt.43 Een andere oplossing kan worden gevonden in de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:8 jo. art. 6:2 BW): indien blijkt dat de regreszoekende schuldenaar geen verhaal vindt bij de schuldeiser, is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de in regres aangesproken schuldenaar zich beroept op een na de prestatie uitgeoefende ontbindingsbevoegdheid.44
Gaat het om ontbinding (nádat een van de schuldenaren presteerde) die enkel gevolgen heeft voor de verbintenis van de in regres aangesproken schuldenaar (een ‘individuele’ ontbindingsbevoegdheid), dan ligt het nog weer ingewikkelder. In ieder geval is duidelijk dat de uitoefening van een individuele ontbindingsbevoegdheid geen invloed heeft op de prestatie van de regreszoekende schuldenaar. Is die verschuldigd verricht door de presterende schuldenaar, dan verandert de ontbinding van de overeenkomst van diens (voormalig) medeschuldenaar daar niets aan. De vraag is echter of een dergelijke ontbinding inroepbaar is jegens medeschuldenaren. Enerzijds heeft de in regres aangesproken schuldenaar er ook dan belang bij dat hij alsnog zijn ontbindingsbevoegdheid kan inroepen tegen zijn medeschuldenaar, te meer nu hij niet altijd op de hoogte zal zijn van een door zijn medeschuldenaar verrichte prestatie. Anderzijds zou een dergelijk verweer meebrengen dat de regreszoekende schuldenaar géén vordering uit onverschuldigde betaling heeft op de oorspronkelijk schuldeiser, maar hij wél een medeschuldenaar minder heeft om regres op te nemen. De in regres aangesproken schuldenaar zou zich dan van zijn regresverplichtingen kunnen bevrijden met werking jegens zijn medeschuldenaren, ongeacht of een van hen al heeft gepresteerd. Daarmee ontbreekt een prikkel om snel tot ontbinding over te gaan. Sieburgh meent dat een ten tijde van de prestatie nog niet uitgeoefende individuele ontbindingsbevoegdheid nadien niet meer met werking jegens de overige schuldenaren kan worden uitgeoefend, omdat “volgens art. 6:11 lid 1 BW het tijdstip van ontstaan van de bijdrageverplichting beslissend is”.45 Ik volg haar in deze benadering, en meen dat een ontbindingsbevoegdheid die wordt uitgeoefend nádat de schuldenaar die tot ontbinding overging, reeds verplicht was tot bijdragen in de gedelgde hoofdelijke schuld, zich jegens de verhaalzoekende medeschuldenaar niet kan verweren met een beroep op de ontbinding van de overeenkomst waaruit zijn verbintenis jegens de schuldeiser voort. Uiteraard is denkbaar dat uit de interne rechtsverhouding(en) tussen de hoofdelijk schuldenaren iets anders voortvloeit, bijvoorbeeld omdat de presterende schuldenaar tot betaling is overgegaan terwijl hij wist dat zijn medeschuldenaar zich op ontbinding zou gaan beroepen. Het verhaal krachtens regres kan dan afstuiten op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:8 jo art. 6:2 lid 2 BW). Gaat het om een na de prestatie ingetreden ontbindende voorwaarde, dan is dit mijns inziens evenmin als verweermiddel inroepbaar op grond van (art. 6:22 jo.) art. 6:11 BW.
161. Verrekening. Voor een ten tijde van betaling door de presterende schuldenaar reeds uitgeoefende verrekeningsbevoegdheid, stelt art. 6:7 lid 2 BW buiten kijf dat zij kan worden ingeroepen tegen medeschuldenaren. De verrekening door de ene schuldenaar heeft tot gevolg dat de hoofdelijke schuld reeds was tenietgegaan ten tijde van de prestatie door de andere schuldenaar; de schuldenaar die betaalde heeft onverschuldigd gepresteerd en heeft uit dien hoofde een vordering op de voormalig schuldeiser (art. 6:203 BW).46
Lastiger te beantwoorden is de vraag of een verrekeningsbevoegdheid die ten tijde van de prestatie nog niet is uitgeoefend, door de tot verrekening bevoegde schuldenaar kan worden ingeroepen tegen een regreszoekende medeschuldenaar. Uiteraard is die bevoegdheid zelf geen verweermiddel.47 Het gaat om de vraag of de in regres aangesproken schuldenaar die bevoegdheid alsnog met werking jegens de regreszoekende medeschuldenaar kan uitoefenen. Aangezien de schuld aan de voormalig schuldeiser door de prestatie teniet is gegaan, kan die schuld niet meer worden verrekend. De vraag is vervolgens echter of de in regres aangesproken schuldenaar een vordering op de voormalig schuldeiser in verrekening kan brengen met de regresvordering.
Van Boom betoogt dat dit inderdaad het geval is.48 Zijn belangrijkste argument is dat indien een verrekeningsbevoegdheid niet als verweermiddel in de zin van art. 6:11 lid 1 BW zou worden gekwalificeerd, de medeschuldenaar die zich op verrekening had kunnen beroepen, zijn verrekeningsbevoegdheid verliest door de nakoming door een andere hoofdelijk medeschuldenaar.49 Daartegenover staat echter dat indien een verrekeningsbevoegdheid jegens de oorspronkelijke schuldeiser wél zou kunnen worden tegengeworpen aan de regreszoekende medeschuldenaar, hij geen verhaal vindt op de tot verrekening bevoegde medeschuldenaar: hij heeft immers eerst de schuldeiser voldaan, om vervolgens zijn regresvordering op het verrekeningsverweer te zien afstuiten.
Stel dat A een vordering heeft van € 100.000 op B en C, die daarvoor hoofdelijk verbonden zijn. B is voor 75% draagplichtig; C voor 25%. C kon zich jegens A op verrekening beroepen omdat hij niet alleen € 100.000 aan A verschuldigd was, maar ook een vordering op A heeft ter grootte van € 40.000. Als B de hoofdelijke schuld van € 100.000 aan A voldoet, kan hij voor een bedrag van € 25.000 regres nemen op C (art. 6:10 lid 2 BW). Als C zich jegens B kan beroepen op zijn verrekeningsbevoegdheid, zou dit meebrengen dat de regresvordering van B jegens C niet slaagt. Feitelijk komt dit dan erop neer dat B het deel van de schuld dient te dragen dat voor rekening kwam van C.
Van Boom lost dit probleem op door het in het kader van regres gedane beroep van de in regres aangesproken schuldenaar op verrekening te zien als verrekeningsverklaring van hem jegens de oorspronkelijke schuldeiser, aan welke verklaring terugwerkende kracht toekomt (art. 6:127 lid 1 jo. art. 6:129 lid 1 BW). Daarmee is het door de presterende schuldenaar betaalde bedrag achteraf bezien onverschuldigd betaald voor zover de bevoegdheid tot verrekening bestond, en kan hij dit bedrag van de oorspronkelijke schuldeiser als onverschuldigd terugvorderen (art. 6:203 BW).50
Ik begrijp Van Boom zo dat C zich jegens B kan beroepen op zijn verrekeningsbevoegdheid in diens verhouding tot A, zij het slechts tot het beloop van de regresvordering van B jegens C. Staat men C in zoverre een beroep op verrekening toe, dan zou dit meebrengen dat de regresvordering van B jegens C niet slaagt. B heeft dan € 100.000 aan A betaald, maar kan niet voor € 25.000 verhaal nemen op C, omdat dat door een door C jegens B (?) uitgebrachte verrekeningsverklaring tot gevolg heeft dat de schuld van C aan A (€ 40.000) met terugwerkende kracht in mindering is gekomen op de schuld van B en C aan A (€ 100.000), voor zover B regres kon nemen op C (€ 25.000). Achteraf bezien heeft B dan dus € 25.000 onverschuldigd betaald aan A en dient B dat bedrag bij A terug te halen. (Daarnaast resteert in dit voorbeeld nog een restvordering van B jegens A van € 15.000.)
Zoals Van Boom zelf ook onderkent, is deze constructie tamelijk gecompliceerd en zelfs “gekunsteld”.51 De regresvordering is een nieuwe vordering die ontstaat op grond van de wet. Daarom valt niet in te zien waarom de tot verrekening bevoegde schuldenaar zich met een beroep op zijn niet-uitgeoefende verrekeningsbevoegdheid zou kunnen verweren jegens een verhaalzoekende medeschuldenaar. Art. 6:130 lid 1 BW voorziet onder omstandigheden weliswaar in behoud van verrekeningsbevoegdheid in gevallen waarin de vordering die in verrekening kan worden gebracht onder bijzondere titel overgaat op een derde, maar daarvan is hier – anders dan in geval van subrogatie52 – geen sprake. Ook art. 6:11 lid 1 BW brengt mijns inziens niet mee dat de verrekeningsbevoegdheid jegens de regreszoekende schuldenaar kan worden uitgeoefend, omdat een niet uitgeoefende verrekeningsbevoegdheid geen verweermiddel is in de zin van die bepaling.53 Laat een hoofdelijk schuldenaar na een hem toekomende verrekeningsbevoegdheid uit te oefenen vóórdat een andere schuldenaar de schuld voldoet, dan verliest hij daarmee dus in beginsel zijn verrekeningsbevoegdheid.54 Wil hij dat voorkomen, dan dient hij zich jegens de schuldeiser dus op verrekening te beroepen vóórdat een medeschuldenaar de hoofdelijke schuld voldoet.
Niettemin behoudt hij zijn verrekeningsbevoegdheid onder omstandigheden ten aanzien van het verhaalsrecht krachtens subrogatie.55 Oefent hij die bevoegdheid uit, dan gaat in zoverre ook het verhaalsrecht krachtens regres teniet.56
162. Afstand en schikking (algemeen). Afstand van een van de hoofdelijke verbintenissen heeft tot gevolg dat de desbetreffende verbintenis tenietgaat (art. 6:160 BW). Het betreft een meerzijdige rechtshandeling. Deze wijze van tenietgaan heeft niet altijd bevrijdende werking jegens de overige schuldenaren.57
Als A een vordering van € 1 miljoen heeft op hoofdelijk schuldenaren B, C en D, met onderlinge draagplichtigheid voor 20% (B), 30% (C) en 50% (D), dan heeft afstand door A van zijn vordering op B geen gevolgen voor de aansprakelijkheid van C en D. Wordt C en/of D vervolgens met succes aangesproken door A, dan hebben zij binnen de grenzen van art. 6:10 BW regres op B.
De afstand van de vordering levert in dit geval géén verweermiddel op dat de in regres aangesproken schuldenaar jegens zijn regreszoekende medeschuldenaren kan inroepen (art. 6:14, eerste volzin BW). Deze regel heeft in een systeem waarin de aansprakelijkheid van de niet-schikkende schuldenaren door de schikking in beginsel niet wordt aangetast, goede zin. Als de externe aansprakelijkheid van de niet-schikkende schuldenaren onverkort in stand blijft, maar de schikkende schuldenaar zich jegens hen op de schikking zou kunnen beroepen ter afwering van een regresvordering, zou een individuele hoofdelijk schuldenaar door een schikking met de schuldeiser kunnen bewerkstelligen dat hij niet in regres kan worden aangesproken.58 Niettemin hebben de schikkende partijen het in hun macht om te voorkomen dat jegens de schikkende schuldenaar nog regresvorderingen ontstaan. Art. 6:14, tweede volzin BW bepaalt dat indien de schuldeiser zich jegens de schikkende schuldenaar verplicht om zijn vordering jegens de niet-schikkende hoofdelijk schuldenaren te verminderen met het “met het bedrag dat als bijdrage gevorderd had kunnen worden [van de schikkende schuldenaar; DFHS]”. De gedachte is hier dat indien de niet-schikkende schuldenaren extern niet langer aansprakelijk zijn voor het deel van de schuld waarvoor de schikkende schuldenaar intern draagplichtig was, zij intern ook geen verhaal meer hoeven te nemen op de schikkende schuldenaar.59
Een 6:14-clausule heeft reeds het beoogde effect als de schuldeiser zich (eenzijdig) verbindt tot het verminderen van zijn vordering jegens de niet-schikkende schuldenaren, en het gaat dus niet om een (meerzijdige) afstand in de zin van art. 6:160 BW.60 Zoals reeds opgemerkt,61 is de vraag of een schikkende schuldeiser een 6:14-clausule is aangegaan, een kwestie van uitleg,62 en ligt in de enkele afstand niet reeds besloten dat de schuldeiser een 6:14-clausule is aangegaan.63 Tegelijkertijd acht ik de uitkomst van een 6:14-clausule – vermindering van de aansprakelijkheid van de niet-schikkende schuldenaren met het deel van de schuld waarvoor de schikkende schuldenaar draagplichtig is – doorgaans wel gerechtvaardigd, zodat ook ik geen hoge eisen zou willen stellen aan het aangaan van een dergelijke verplichting.
Heeft de schuldeiser zich aldus verbonden tot vermindering van zijn vordering jegens een niet-schikkende hoofdelijk schuldenaar, dan levert dit voor de schikkende schuldenaar dus een verweermiddel op jegens een niet-schikkende schuldenaar die zich – na de schikking – op hem wil verhalen. Dat rechtsgevolg van de schikking kan hier dus worden ingeroepen jegens een derde, die bij de clausule dus zelf geen partij is.64 Dit roept de vraag op of een na de schikking door de schuldeiser aangesproken niet-schikkende hoofdelijk schuldenaar, zich op zijn beurt op de 6:14-clausule kan beroepen jegens de schuldeiser. Acht men het beding niet-inroepbaar door een niet-schikkende schuldenaar, dan bestaat het risico dat de schuldeiser hem voor het volle pond aanspreekt, terwijl hij vervolgens géén verhaal kan nemen op de schikkende schuldenaar. Om die reden kan men in de schikkingsovereenkomst een derdenbeding opnemen, zodat de 6:14-clausule ook door een niet-schikkende hoofdelijk schuldenaar kan worden ingeroepen.65 Uiteraard dient hij daarvan dan wel op de hoogte te zijn.66 Kan de niet-schikkende schuldenaar de 6:14-clausule ook inroepen jegens de schuldeiser indien een derdenbeding ontbreekt? Enerzijds ligt het voor de hand om hem dit niet toe te staan, simpelweg omdat hij daarbij geen partij is en de dogmatiek dan weinig ruimte laat voor inroepbaarheid. Hij moet dan het volle pond betalen aan de schuldeiser, zónder dat hij verhaal kan nemen op de schikkende schuldenaar. Anderzijds zou men de 6:14-clausule ook wél inroepbaar kunnen achten door niet-schikkende hoofdelijk schuldenaren. Art. 6:14, tweede volzin BW bevrijdt dan niet alleen de schikkende schuldenaar tegen verhaalzoekende medeschuldenaren, maar ook de niet-schikkende schuldenaren, voor zover de schikkende schuldenaar draagplichtig was. De schuldeiser geeft door het aangaan van een 6:14-clausule dan dus een deel van zijn vordering jegens de niet-schikkende hoofdelijk schuldenaren prijs. Hoewel de tekst van art. 6:14 BW hierover geen uitsluitsel geeft, zou ik het gerechtvaardigd vinden om het beding ook inroepbaar te achten door niet-schikkende hoofdelijk schuldenaren. De dogmatiek over inroepbaarheid van rechtsgevolgen van overeenkomsten jegens niet-partijen is een stuk minder star dan wel wordt gedacht.67 Bovendien is de inroepbaarheid van een 6:14-clausule jegens de niet-schikkende schuldenaar toegestaan, hetgeen in mijn ogen mede rechtvaardigt dat die clausule ook door die schuldenaar kan worden ingeroepen. Ik concludeer dan ook dat een 6:14-clausule ook zónder (aanvaard) derdenbeding kan worden ingeroepen jegens de schuldeiser.
Het belang van een 6:14-clausule kan worden geïllustreerd aan de hand van het arrest Bia Beheer. Bia Beheer is de moedermaatschappij van Mastertools en heeft zich door middel van een 403-verklaring hoofdelijk verbonden voor de uit rechtshandeling voortvloeiende schulden van Mastertools. Een van die schulden betreft een (mogelijke) aansprakelijkheid uit wanprestatie jegens Lentink wegens het niet (tijdig en behoorlijk) vervaardigen van een zogeheten trekstempel. Nadat eerst Mastertools in staat van faillissement wordt verklaard, wordt ook Bia Beheer failliet verklaard. Beide vennootschappen hebben een eigen curator. De curator van Mastertools sluit vervolgens een ‘dadingsovereenkomst’68 met Lentink, op grond waarvan (i) de curator € 25.000 betaalt aan Lentink en (ii) partijen elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Bij deze overeenkomst is (de curator van) Bia Beheer niet betrokken. In de procedure die volgt, vordert Lentink q.q. van Bia Beheer nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de 403-verklaring. Heeft, met andere woorden, de dading tussen Lentink en Mastertools ook gevolgen voor Bia Beheer? Het antwoord is uiteraard afhankelijk van de kwalificatie van de getroffen schikking.69 Het hof heeft aan de dading het gevolg verbonden dat de schuld van Bia Beheer is verminderd, zij het slechts ten belope van het door Mastertools betaalde bedrag (€ 25.000).70 Het staat in cassatie vast dat de gesloten overeenkomst géén afstand in de zin van art. 6:9 BW inhoudt jegens Bia Beheer.71 De cassatieprocedure staat in het teken van de vraag of de aansprakelijkheid van Bia Beheer als 403-aansprakelijke moedermaatschappij ruimer kan zijn dat de schulden van Mastertools, die door de schikking tot € 25.000 zijn beperkt.72 De Hoge Raad overweegt echter dat hier sprake is van hoofdelijke verbondenheid en dat “deze dading ingevolge art. 6:7 lid 2 BW slechts tot gevolg [heeft] dat de schuld van Bia Beheer is verminderd met het door [de curator van Mastertools] betaalde bedrag van € 25.000,--“.73 Het oordeel van het hof blijft dus in stand.
Het is niet eenvoudig dit arrest te duiden, maar duidelijk is dat het hof en de Hoge Raad Bia Beheer enkel bevrijd achten ten belope van de door haar dochtermaatschappij betaalde € 25.000. Wat is de titel van deze betaling? Kennelijk zien het hof en de Hoge Raad het betaalde als nakoming in de zin van art. 6:7 lid 2 BW, omdat hieraan ook voor Bia Beheer bevrijdende werking toekomt. Van een inbetalinggeving althans schuldvernieuwing, in die zin dat een andere prestatie wordt verricht, althans de oorspronkelijke schuld wordt vervangen door een nieuwe schuld van € 25.000, zou Bia Beheer op grond van art. 6:7 lid 2 BW immers juist wél volledig zijn bevrijd. In die sleutel lees ik ook de cassatieklachten van Bia Beheer. Voor zover de schuld van Mastertools niet is afgenomen door de betaling door Lentink, zien het hof en de Hoge Raad de dading kennelijk als afstand,74 waaraan in beginsel géén werking toekomt jegens Bia Beheer (art. 6:14, eerste volzin BW). In zoverre vormt het arrest een onderstreping van het zelfstandige karakter van de uit een 403-verklaring voortvloeiende hoofdelijke verbintenis.75
Bia Beheer had wél kunnen profiteren van de getroffen schikking indien daarbij was bedongen dat Lentink zijn vordering(en) op Bia Beheer zou verminderen “met het bedrag dat als bijdrage [van Mastertools; DFHS] gevorderd had kunnen worden” (art. 6:14 BW, tweede volzin). Op die wijze zou Lentink zich hebben verbonden om zijn vordering op Bia Beheer te verminderen met het deel van de hoofdelijke schuld waarvoor Mastertools draagplichtig was. De draagplicht van Mastertools blijkt niet uit het arrest,76 maar het zal geregeld zo zijn dat indien tussen de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij geen regeling is getroffen over de draagplicht voor ‘403-schulden’, de dochtermaatschappij volledig draagplichtig is. Bia Beheer zou dan door de werking van de 6:14-clausule niet langer aansprakelijk zijn geweest jegens Lentink. Daarmee zou tevens worden voorkomen dat enige regresvordering zou ontstaan van Bia Beheer op Mastertools, omdat de resterende externe aansprakelijkheid van Bia Beheer (jegens Lentink) dan gelijk zou zijn geweest aan haar interne draagplicht (namelijk nihil).
Stel dat A een vordering van € 1 miljoen heeft op hoofdelijk schuldenaren B, C en D, met onderlinge draagplichtigheid voor 20% (B), 30% (C) en 50% (D), A met B een schikking treft. B is voor 20% draagplichtig, zodat het gaat om een bedrag van € 200.000. Komen A en B bij de schikking overeen dat A zijn vordering jegens C en D met dit bedrag zal verminderen, dan kan de in de schikking vervatte afstand van zijn vordering op B wél worden ingeroepen door B, indien hij door C en/of D in regres wordt aangesproken (art. 6:14, tweede volzin BW). De reden daarvoor is uiteraard dat het hiervoor geschetste bezwaar dan niet opgaat: C en D ondervinden geen ‘last’ van de afstand jegens B, maar profiteren daarvan juist, omdat A ook de vordering jegens hen vermindert met een bedrag ter grootte van B’s draagplicht. Er bestaat dan geen noodzaak voor een regresvordering jegens V, omdat C en D niet meer betalen dan hun gezamenlijke draagplicht, en dus niet een deel van de schuld aan de schuldeiser voldoen waarvoor B verantwoordelijk is.77 Voor deze werking is het voldoende dat A zich jegens B verbindt om zijn vordering op C en D te verminderen; het betreft dus niet een afstand in de zin van art. 6:160 BW.78 Wil een dergelijke verplichting het gewenste effect hebben, dan zal zij wel moeten zijn gericht op al hetgeen van B als bijdrage gevorderd had kunnen worden, met inbegrip van eventuele kosten (art. 6:10 lid 3 BW) en eventuele omslag als gevolg van het onmogelijk blijken van verhaal op een van de hoofdelijk schuldenaren (art. 6:13 BW).79
In de praktijk zal echter doorgaans niet aanstonds duidelijk zijn wat de draagplicht van de verschillende schuldenaren is.80 Hoe kan schuldeiser A bewerkstelligen dat zijn vordering op C en D wordt verminderd met B’s draagplicht, zonder te weten wat die draagplicht is? A kan zijn vordering bijvoorbeeld verminderen met ‘al hetgeen van B gevorderd had kunnen worden door zijn medeschuldenaren, uit welken hoofde dan ook’, al dan niet onder verwijzing naar art. 6:10 BW, art. 6:12 BW, art. 6:13 BW, art. 6:162 BW en art. 6:212 BW. Dergelijke bedingen worden geregeld gehanteerd.81
De werking van dergelijke ‘6:14-clausules’ is niet beperkt tot het bedrag dat in het kader van de schikking wordt betaald. Wordt geschikt zónder dat enig bedrag wordt betaald (‘met gesloten beurzen’), of is het bedrag anderszins lager dan de draagplicht van de schikkende schuldenaar, dan kan hij dus evengoed van zijn verplichting tot bijdragen worden bevrijd door middel van een 6:14-clausule.82 De keerzijde hiervan is mijns inziens dat toepassing van een dergelijke clausule bij een schikkingsbedrag dat hóger is dan de draagplicht van de schikkende schuldenaar, niet in mindering komt op de aansprakelijkheid van de overige schuldenaren.83 Het voorgaande is uiteraard anders indien de betaling wél strekte tot nakoming van de oorspronkelijke schuld (of anderszins leidde tot bevrijding in de zin van art. 6:7 lid 2 BW), maar dan is in zoverre van afstand geen sprake geweest. Het hangt af van de titel van de betaling.
163. Afstand en schikking (kartelschade, WCAM en WAMCA). Voor schikkingen ten aanzien van schadevergoedingsvorderingen wegens schending van mededingingsrecht en schikkingen in het kader van de WCAM of WAMCA, geeft de wet regels die afwijken van art. 6:14 BW.
Een vaststellingsovereenkomst in het kader van de WCAM wordt doorgaans gesloten tussen de representatieve organisatie (in de zin van art. 3:305a BW) en de aangesproken partij. Wil een dergelijke overeenkomst ook de ‘leden’ van de achterban van de representatieve organisatie binden, dan is daarvoor uiteraard hun instemming nodig. De wet voorziet echter in de mogelijkheid om een dergelijke overeenkomst door de rechter verbindend te laten verklaren voor de gehele achterban (art. 7:907 e.v. BW). Voor het geval naast de aangesproken partij nog anderen hoofdelijk aansprakelijk zijn, bepaalt art. 7:910 lid 1 BW dat art. 6:14 BW van overeenkomstige toepassing is, maar dat er behoudens blijk van andere bedoelingen van wordt uitgegaan dat de schuldeisers zich verplichtingen tot vermindering van hun vordering op eventuele andere hoofdelijk schuldenaren met het bedrag waarvoor de schikkende partij draagplichtig is. Er geldt dus een wettelijk vermoeden dat schikkende schuldenaar en schuldeisers gebruik hebben gemaakt van de hun toekomende mogelijkheid een 6:14-clausule op te nemen in de schikkingsovereenkomst. Hetzelfde geldt indien een schikking wordt getroffen in het kader van de WAMCA (art. 1018h lid 3 Rv jo.) art. 7:910 lid 1, tweede volzin BW). De gedachte achter dit wettelijk vermoeden is dat de schikkende hoofdelijk schuldenaar finaliteit beoogt, en dat hij niet buiten de overeenkomst om in regres zou moeten kunnen worden aangesproken indien een van de schuldeisers zich na de schikking tot een andere hoofdelijk schuldenaar wendt.84
Voor schadevergoedingsvorderingen wegens een inbreuk op het mededingingsrecht gaat de wet nog verder: daarvoor geldt in afwijking van art. 6:14 BW dat de aansprakelijkheid van de niet-schikkende schuldenaren van rechtswege wordt verminderd met de draagplicht van de schikkende schuldenaar (art. 6:193o BW). Het gaat hier om dwingend recht, zodat afwijking bij overeenkomst in beginsel niet mogelijk is.85 De vraag is uiteraard wel wanneer sprake is van een ‘schikking’ in de zin van art. 6:193o BW.86 Bij de beantwoording van die vraag zal acht moeten worden geslagen op art. 12 Richtlijn 2014/104/EU, waar wordt gesproken van ‘schikkingsovereenkomst’. Gelet op de brede strekking van het begrip ‘minnelijke schikking’ (art. 2, aanhef en sub 22 Richtlijn 2014/104/EU) meen ik dat er voor partijen weinig ruimte bestaat om de schikking zo vorm te geven dat er geen evenredige vermindering optreedt. Het begrip ‘schikking’ uit art. 6:193o BW is dus aanzienlijk ruimer dan het begrip ‘afstand’ uit art. 6:14 BW.
164. Contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid (exoneratiebedingen).87 Het recht biedt partijen binnen zekere grenzen de ruimte hun eventuele wettelijke aansprakelijkheid vooraf uit te sluiten door middel van een contractuele regeling (een ‘exoneratiebeding’). Daaronder versta ik hier slechts bedingen die zijn overeengekomen vóórdat de schade waarop zij betrekking hebben, is ingetreden.
Door middel van een exoneratiebeding kan een partij voorkomen dat zij met succes tot schadevergoeding wordt aangesproken, behalve voor zover het gaat om opzettelijk of bewust roekeloos veroorzaakte schade,88 of de exoneratie anderszins naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW). Indien de exonerant ook zijn medeschuldenaren wil laten profiteren van zijn exoneratiebeding, kan hij daartoe uiteraard een derdenbeding overeenkomen, of de benadeelde afstand laten doen van diens vorderingen op die overige schuldenaren, bijvoorbeeld ten belope van de draagplicht van de exonerant (art. 6:9 jo. 6:14, tweede volzin BW).89 Over het antwoord op de vraag of ook buiten deze gevallen een exoneratiebeding ten behoeve van een mogelijk hoofdelijk schuldenaar kan worden ingeroepen tegen een ander, die aansprakelijk is voor de schade waarop het exoneratiebeding betrekking heeft, bestaat in de literatuur discussie. Het antwoord op deze ‘doorwerkingsvraag’ is mede afhankelijk van de werking die men aan een dergelijk exoneratiebeding toekent: belet zij dat een schadevergoedingsvordering ontstaat, of enkel dat zij wordt uitgeoefend?90
Stel dat A € 1 miljoen aan schade heeft geleden, die het gevolg is van het gezamenlijk onrechtmatig jegens A handelen door B, C en D. B heeft zich jegens A geëxonereerd voor iedere aansprakelijkheid, uit welken hoofde ook.91 Is B jegens A wel aansprakelijk, maar kan de verbintenis tot schadevergoeding als gevolg van het exoneratiebeding niet worden afgedwongen? Of is B simpelweg niet gehouden tot schadevergoeding, en rust op hem ook geen verbintenis daartoe? In het eerste geval kan sprake zijn van hoofdelijke verbondenheid van B, C en D; in het tweede geval zijn hooguit C en D hoofdelijk verbonden.
Enerzijds wordt – met name in de wat oudere literatuur – verdedigd dat een succesvolle uitsluiting van aansprakelijkheid voorkómt dat op de exonerant een schadevergoedingsverbintenis komt te rusten.92 De consequentie van deze opvatting is dat de exonerant op grond van het exoneratiebeding niet verplicht is tot vergoeding van enige schade van de benadeelde, en dus ook niet met andere, wél aansprakelijke partijen hoofdelijk is verbonden uit hoofde van art. 6:102 lid 1 BW. De exonerant blijft in deze opvatting buiten schot: niet alleen kan de benadeelde van hem geen schadevergoeding verkrijgen omdat het exoneratiebeding daaraan in de weg staat, ook kan een andere, wel aansprakelijke partij – nadat zij de schade van de benadeelde heeft vergoed – geen regres nemen op de exonerant, simpelweg omdat art. 6:10 en 6:12 BW bij gebreke van hoofdelijke verbondenheid geen toepassing vinden.93 De economische gevolgen van het exoneratiebeding komen in deze opvatting voor rekening van de schuldeiser die ermee instemde dat de aansprakelijkheid jegens hem werd uitgesloten, namelijk voor zover de exonerant draagplichtig zou zijn geweest.94
Anderzijds zijn er auteurs die menen dat een exoneratiebeding niet voorkomt dat de exonerant met anderen hoofdelijk aansprakelijk is. Deze opvatting is met name verdedigd door Van Boom, die meent dat een dergelijk exoneratiebeding voor de exonerant slechts een verweermiddel in het leven roept, maar zijn aansprakelijkheid – het ontstaan van een schadevergoedingsverbintenis – onverlet laat:95
“De eenvoudigste oplossing is aan te nemen dat een exoneratie de verbintenis niet teniet doet gaan (en dus ook niet bij voorbaat). Een exoneratie is in mijn optiek een contractueel verweermiddel dat in beginsel aan uitoefening van de rechten uit een schadevergoedingsverbintenis in de weg staat.” (nadruk in origineel).
Wat Van Boom betreft kan dus wel degelijk sprake zijn van een kring van hoofdelijk schuldenaren waartoe ook de exonerant behoort, maar brengt het exoneratiebeding mee dat hij zich jegens de benadeelde met succes kan verweren. Voldoet een andere hoofdelijk schuldenaar de schuld aan de schuldeiser, dan staat het exoneratiebeding volgens hem niet eraan in de weg dat regres wordt genomen op de exonerant, omdat exoneratiebedingen – buiten gevallen waarin daaraan derdenwerking toekomt96 – “onmogelijk eventuele regresrechten van de debiteuren negatief [kunnen] beïnvloeden”, omdat “[d]erden niet [worden] geraakt door bedingen in een contract waarbij zij geen partij zijn”.97 Keirse & Jongeneel en Boekraad huldigen eenzelfde opvatting.98 In deze opvatting – die ervan uit lijkt te gaan dat exoneratiebedingen altijd moeten worden uitgelegd als ‘slechts verweermiddel’99 – heeft de exonerant dus wel degelijk een schuld aan de gelaedeerde (en heeft de gelaedeerde een daarmee corresponderend vorderingsrecht), zij het dat de exonerant op grond van het exoneratiebeding niet kan worden gedwongen zijn schuld te voldoen. Kennelijk achten de aangehaalde auteurs het onaanvaardbaar dat de exonerant zou kunnen voorkomen dat hij hoofdelijk verbonden raakt.100
In het hiervoor gegeven voorbeeld brengt deze opvatting mee dat B weliswaar een schuld heeft aan A, maar die niet hoeft na te komen. Het ligt voor de hand dat de schuldeiser de weg van de minste weerstand volgt en C aanspreekt tot betaling, ervan uitgaande dat C zijn aansprakelijkheid niet ook heeft uitgesloten (rechtstreeks met A of doordat de werking van het exoneratiebeding tussen A en B is uitgebreid tot derden, art. 6:253 BW).
Een consequente toepassing van deze opvatting zou zijn dat de hoofdelijk aansprakelijke partij die zich niét exonereerde, en die met succes door de benadeelde is aangesproken voor meer dan zijn draagplicht, een bijdrage zou kunnen vorderen van de exonerant (art. 6:102 lid 1 jis. art. 6:101 en 6:10 lid 2 BW en art. 6:12 BW). Waar de exonerant zijn aansprakelijkheid ‘aan de voorkant’ met succes heeft uitgesloten jegens de benadeelde, belet dit in deze opvatting niet dat hij ‘via de achterdeur’ in regres wordt aangesproken door niet-exoneranten.101
Presteert schuldenaar C vervolgens, door het betalen van schadevergoeding aan A, dan is kennelijk de gedachte dat B profiteert van die prestatie, omdat zijn schuld aan A daardoor tenietgaat (art. 6:7 lid 2 BW). Als de hoofdelijk te vergoeden schade € 1 miljoen bedroeg en B en C beide voor 50% draagplichtig zijn, zou C voor € 500.000 verhaal kunnen nemen op B.
De aangehaalde auteurs achten dit echter toch niet de aangewezen oplossing, omdat zij de aansprakelijkheid van de niet-exoneranten van rechtswege willen verminderen met de het deel van de schuld waarvoor de exonerant – in hun opvatting – draagplichtig is.102 Mijns inziens geeft een dergelijke opvatting niet het geldende recht weer, en is zij inconsistent en op punten zelfs misleidend. De besproken opvattingen nemen als vertrekpunt dat een exoneratiebeding geen nadelige gevolgen zou kunnen hebben voor derden. In de woorden van Van Boom:103
“Naar mijn overtuiging kan een exoneratie als zodanig onmogelijk eventuele regresrechten negatief beïnvloeden. Derden worden niet geraakt door bedingen in een contract waar zij geen partij bij zijn. Niets wijst erop dat de wetgever met de verweermiddelenregeling van art. 6:11 BW in dit opzicht een afwijking voor ogen stond van het contractenrechtelijk beginsel dat overeenkomsten aan de positie van derden geen afbreuk doen.”
De inconsistentie van de door mij bestreden opvatting is erin gelegen dat genoemde auteurs bezwaar lijken te hebben tegen het toekennen van gevolgen van een exoneratiebeding voor derden, terwijl zij vervolgens zélf menen dat een niet-exonerant een exoneratiebeding zou kunnen inroepen ter verkorting van zijn aansprakelijkheid jegens de schuldeiser.104 De precieze hiervoor aangevoerde grondslag verschilt, maar Van Boom, Keirse & Jongeneel en Boekraad betogen allemaal dat het resultaat zou moeten zijn dat een exoneratiebeding ten behoeve van een exonerant ook niet-exoneranten bevrijdt, namelijk voor zover de exonerant draagplichtig zou zijn geweest. Hoewel de gekozen routes verschillen, leiden zij tot hetzelfde resultaat. Van Boom (en in zijn voetspoor ook Boekraad) meent dat het exoneratiebeding meebrengt dat de aansprakelijkheid van de niet-exoneranten jegens de benadeelde van rechtswege wordt verminderd met het deel van de schuld waarvoor de exonerant draagplichtig was. 105 Van Boom en Boekraad komen daartoe op grond van een analogie met de afstand door de schuldeiser van een bestaande hoofdelijke verbintenis met gebruikmaking van een 6:14-clausule (art. 6:14, tweede volzin BW).106 Keirse & Jongeneel komen tot hetzelfde resultaat, waar zij betogen dat dit een geval is waarin verhaal op een medeschuldenaar niet mogelijk is (als bedoeld in art. 6:102 lid 2 tweede volzin jo. art. 6:13 BW).107 Waar zij het enerzijds principieel onmogelijk achten dat het exoneratiebeding gevolgen heeft voor (andere) aansprakelijke partijen, kennen zij dergelijke gevolgen daaraan vervolgens dus alsnóg toe.
In deze opvatting(en) heeft het exoneratiebeding tussen A en B tot gevolg dat C’s aansprakelijkheid wordt verminderd met 50% (B’s draagplicht), zodat C door de werking van het exoneratiebeding A-B nog slechts voor € 500.000 aansprakelijk is jegens B. Omdat dit deel C’s draagplicht niet te boven gaat, ontstaat geen regresrecht jegens B.
De daartoe gebruikte redeneringen doen gekunsteld aan. Art. 6:14 BW ziet op een andere kwestie dan de hier besproken problematiek, namelijk de afstand van een reeds bestaande hoofdelijke verbintenis door de schuldeiser.108 Bovendien laat deze bepaling de aansprakelijkheid van andere schuldenaren in beginsel juist onberoerd (art. 6:14, eerste volzin BW). Art. 6:102 lid 2 tweede volzin jo. art. 6:13 BW ziet eveneens op een andere kwestie, namelijk het geval waarin verhaal op een medeschuldenaar op grond van een reeds bestaand verhaalsrecht uit hoofde van art. 6:10 en/of 6:12 BW niet mogelijk blijkt. Als er geen verhaalsrecht is, kan art. 6:102 lid 2 tweede volzin BW uiteraard geen toepassing vinden.
Van inconsistentie is geen sprake indien men onderscheid zou maken tussen ‘positieve’ gevolgen voor de aansprakelijke derde en ‘negatieve’ gevolgen, in die zin dat het probleem zou zijn dat een exoneratiebeding geen nadelige gevolgen kan hebben voor derden. De genoemde auteurs lijken het vooral onaanvaardbaar te vinden dat de derde ‘nadeel’ ondervindt van het exoneratiebeding en lijken daarom niet te willen aanvaarden dat het exoneratiebeding in de weg staat aan verhaal jegens de exonerant door een niet-exonerant.109 Het niet kunnen nemen van verhaal op de exonerant wordt dan gezien als een ‘nadelig’ gevolg.110 De gedachte is kennelijk dat indien geen exoneratiebeding zou zijn overeengekomen, de exonerant intern aansprakelijk zou zijn tot het beloop van zijn draagplicht, terwijl dat niet het geval is indien men aanvaardt dat het exoneratiebeding in de weg staat aan verhaal jegens de exonerant. Het niet kunnen nemen van verhaal op de exonerant door niet-exoneranten wordt dan gezien als een nadeel dat is ‘veroorzaakt’ door het exoneratiebeding.
Op dit punt vind ik de hier besproken opvatting misleidend. Van nadeel is immers alleen sprake indien men vertrekt vanuit de situatie waarin de exonerant met de niet-exonerant(en) hoofdelijk is verbonden en ook draagplichtig is, en zich daaraan vervolgens ‘onttrekt’ door een contractuele regeling met de benadeelde. Die situatie doet zich in de door mij besproken gevallen echter juist niet voor, omdat het gaat om bedingen die zijn overeengekomen vóórdat enige schade – en dus ook aansprakelijkheid – intreedt. Komt men – door uitleg – tot de conclusie dat het exoneratiebeding belet dat een schadevergoedingsverbintenis komt te rusten op de exonerant, dan is de exonerant simpelweg niet verplicht tot vergoeding van schade die valt binnen het bereik van het exoneratiebeding. Van enige schadevergoedingsverbintenis kan dan geen sprake zijn, laat staan van enige draagplicht. De ‘technische’ reden daarvoor is dat de exonerant niet tot de kring van hoofdelijk schuldenaren behoort, en dus ook niet draagplichtig kan zijn in de zin van art. 6:10 e.v. BW.111 Een eventueel verhaalsrecht kan slechts een gevolg zijn van hoofdelijke verbondenheid, maar niet het fundament waarop de hoofdelijkheid rust.112 De rekenvoorbeelden waarvan diverse auteurs zich bedienen ter onderbouwing van de stelling dat een exoneratiebeding enige draagplicht zou verhogen,113 gaan mijns inziens van dit verkeerde vertrekpunt uit waar het totaal aan draagplichten zónder de exonerant lager is dan 100%. Men zou dit ook zo kunnen uitdrukken dat de exonerant simpelweg niet verantwoordelijk is voor de door hem veroorzaakte schade, indien hij zich van die verantwoordelijkheid rechtsgeldig heeft vrijgetekend.
Ik meen dan ook dat een contractuele exoneratie tussen een benadeelde en een (mogelijk) aansprakelijke partij, indien zij zo moet worden uitgelegd dat zij voorkomt dat op de exonerant een schadevergoedingsverbintenis komt te rusten, belet dat de exonerant hoofdelijk verbonden raakt met partijen die wél verplicht zijn de schade te vergoeden waarop het exoneratiebeding betrekking heeft. De door partijen aldus op rechtsgeldige gecreëerde juridische realiteit is tegenwerpelijk aan niet-exoneranten, om de simpele reden dat het rechtsgevolg waarop die niet-exoneranten zich jegens de exonerant beroepen – een regresrecht uit hoofde van hoofdelijke verbondenheid (art. 6:102 lid 1 jo. art. 6:10 lid 2 BW) – zich niet heeft voorgedaan. Met art. 6:11 BW heeft deze inroepbaarheid overigens niets van doen. Die bepaling is immers slechts van toepassing op het inroepen van verweermiddelen tussen hoofdelijk schuldenaren,114 terwijl daarvan in de door mij besproken situatie geen sprake is.115 Dat laat overigens onverlet dat de door mij voorgestane uitkomst juist in lijn is met de beginselen die aan art. 6:11 BW ten grondslag liggen, omdat het niet gaat om het doorwerken van rechtsfeiten bij reeds bestaande hoofdelijke verbondenheid.116 Deze opvatting heeft als voordeel dat zij in staat is op eenvoudige wijze te verklaren waarom de exonerant niet hoofdelijk verbonden is en niet tot bijdragen verplicht is, zonder dat enige wettelijke bepaling – ik denk met name aan art. 6:11 BW, art. 6:14 BW en art. 6:102 lid 2 tweede volzin jo. art. 6:13 BW – geweld hoeft te worden aangedaan. Zij brengt mee dat niet-exoneranten in mijn ogen onverminderd aansprakelijk zijn jegens de schuldeiser.
De rechtvaardiging voor de door mij gekozen oplossing kan worden gevonden in de partijautonomie. Dat lijkt wellicht paradoxaal, omdat het bezwaar van de door mij aangehaalde auteurs juist is dat een exoneratiebeding geen gevolgen kan hebben voor derden, maar de autonomie van partijen kent twee kanten. Enerzijds kan een mogelijk in de toekomst aansprakelijke partij gebruik maken van de haar toekomende autonomie door wél een exoneratie te bedingen bij haar wederpartij (de ‘positieve zijde’), maar anderzijds kan die partij er ook voor kiezen om dat niet te doen (de ‘negatieve zijde’).117 In de door mij verdedigde opvatting wordt recht gedaan aan beide zijden van dit autonomie-beginsel, omdat de exonerant niet aansprakelijk is (de positieve zijde), maar het beding de aansprakelijkheid van niet-exoneranten onverlet laat (de negatieve zijde).118 Een opvatting waarin men het beding niettemin rechtsgevolgen toekent voor niet-exoneranten, loopt mijns inziens spaak met de negatieve zijde van de autonomie van partijen. Wat rechtvaardigt dat de schuldeiser die heeft ingestemd met een uitsluiting van aansprakelijkheid van één mogelijk aansprakelijke partij, maar niet met uitsluiting van de aansprakelijkheid van anderen, jegens die anderen toch een deel van zijn aanspraken prijsgeeft?119 Waarom zou een partij die zich mogelijk had kunnen exonereren, maar dat niet heeft gedaan, recht hebben op het afwentelen van een deel van de schade die hij aan de benadeelde conform zijn aansprakelijkheid heeft vergoed?120 En als de niet-exonerant niet slechter af mag zijn dan het geval zou zijn geweest indien de exonerant zich niet had vrijgetekend, waarom geldt dan niet evenzeer dat de exonerant niet slechter af mag zijn dan het geval zou zijn geweest indien alle niet-exoneranten zich wél hadden vrijgetekend?121
165. Contractuele beperking van aansprakelijkheid (exoneratiebedingen).122 Er is mijns inziens geen reden om in het kader van een contractuele beperking van aansprakelijkheid een andere opvatting te huldigen dan voor een contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid.123 Indien (uit de uitleg van het beding volgt dat) het exoneratiebeding aansprakelijkheid niet uitsluit, maar beperkt, meen ik dat voor zover aansprakelijkheid beperkt is, geen schadevergoedingsverbintenis op de exonerant komt te rusten.124 Ik zie, met andere woorden, de beperking van aansprakelijkheid als een gedeeltelijke uitsluiting van aansprakelijkheid in de hiervoor125 besproken zin. De reden daarvoor is dat hij in zoverre niet tot de kring van hoofdelijk schuldenaren behoort (met art. 6:11 BW heeft de inroepbaarheid van het exoneratiebeding dus niets van doen);126 er zijn verschillende ‘kringen’ van hoofdelijk schuldenaren.
Heeft A € 1 miljoen aan schade geleden, die het gevolg is van een aan B, C en D toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad, maar is A met B overeengekomen dat B’s aansprakelijkheid is beperkt tot een bedrag van € 400.000, dan behoort hij wél tot de kring van hoofdelijk schuldenaren, zij het slechts tot een bedrag van € 400.000. Dat wil zeggen: B, C en D zijn hoofdelijk gehouden de schade ter grootte van € 400.000 te vergoeden. Daarnáást is er in het door mij gegeven voorbeeld een kring van hoofdelijk schuldenaren waartoe slechts C en D behoren, namelijk tot vergoeding van de overige € 600.000 aan schade; B is in zoverre immers niet aansprakelijk.
Voldoet D de schuld ter grootte van € 1 miljoen aan A, en spreekt D vervolgens B in regres aan tot betaling van meer dan zijn externe aansprakelijkheid jegens A (€ 400.000), dan kan hij zich mijns inziens beroepen op de rechtsgevolgen van het met A overeengekomen exoneratiebeding. Voor zover de aansprakelijkheid van D het bedrag van € 400.000 overschrijdt, is B immers geen hoofdelijk schuldenaar en dus ook niet jegens D verplicht bij te dragen in die schuld (voor het meerdere).
Deze opvatting brengt mee dat een draagplicht die is gebaseerd op een situatie zónder aansprakelijkheidsbeperking niet bruikbaar is in gevallen waarin een van de schuldenaren zijn aansprakelijkheid heeft beperkt. Ook hier kan het dus niet zo zijn dat het exoneratiebeding de draagplicht van de exonerant ‘beperkt’.127 Is de aansprakelijkheid van B beperkt tot € 400.000, dan dient de draagplicht van B in die schuld te worden vastgesteld. Voor het overige (€ 600.000) zijn alleen C en D draagplichtig; B heeft hiermee niets van doen.
166. Wettelijke uitsluiting en beperking van aansprakelijkheid. Indien een van de (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren zich op een wettelijke uitsluiting kan beroepen is het – net als bij exoneratiebeding ten behoeve van hem128 – de vraag of hieraan ook gevolgen toekomen in de verhouding tussen hem en zijn (beweerdelijk) medeschuldenaren. Art. 6:110 BW voorziet in beperking van aansprakelijkheid bij algemene maatregel van bestuur.129 Daarnaast zijn er ook wettelijke beperkingen van aansprakelijkheid, zoals art. 1:25d Wft.
Net als Van Boom en Keirse & Jongeneel een contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid jegens de schuldeiser inroepbaar achten door de medeschuldenaren van de exonerant, met als gevolg dat de aansprakelijkheid van die medeschuldenaren wordt verminderd met de draagplicht van de exonerant,130 menen zij dat indien één van de (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaren zich kan beroepen op een wettelijke uitsluiting van aansprakelijkheid, ook de medeschuldenaren hiervan profiteren tot het bedrag waarvoor de schuldenaar die zich op de uitsluiting kan beroepen, draagplichtig is.131
Mijns inziens geldt hiervoor echter hetzelfde als voor een contractuele uitsluiting van aansprakelijkheid.132 Als een wettelijke bepaling meebrengt dat de aansprakelijkheid van de ene (mogelijk) aansprakelijke partij is uitgesloten, dan is zij simpelweg niet aansprakelijk en is hij dus ook niet hoofdelijk met die ander aansprakelijk. Wordt zij toch in regres aangesproken tot bijdragen, dan kan zij zich verweren met een beroep op het ontbreken van hoofdelijke verbondenheid. Zou dit niet mogelijk zijn, dan zou het doel van de wettelijke beperking van aansprakelijkheid – namelijk voorkomen dat de schadelast bij de desbetreffende partij komt te rusten – niet worden bereikt.
Op grond van art. 1:25d Wft zijn DNB en de AFM, en hun directieleden, commissarissen en werknemers, niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door de uitoefening van een hun opgedragen wettelijke taak of bevoegdheid, behoudens opzet of grove schuld (art. 1:25d lid 1 resp. 2 Wft). Indien een onder toezicht van DNB staande bank bijvoorbeeld leningen aangaat – denk aan obligatieleningen – waarvan aanstonds duidelijk is dat zij die niet zal kunnen terugbetalen, is bij het inderdaad niet terug kunnen betalen daarvan mogelijk uit wanprestatie aansprakelijk. Indien DNB is tekortgeschoten in de op haar rustende wettelijke toezichtstaak, zou DNB in beginsel óók aansprakelijk kunnen zijn.133 De wettelijke beperking sluit die aansprakelijkheid echter uit, behoudens opzet of grove schuld. Geldt hier, aannemende dat DNB toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld, dat DNB aansprakelijk is (en er dus een schadevergoedingsvordering bestaat), maar dat DNB niet gehouden is die na te komen met een beroep op art. 1:25d Wft? Of belet die bepaling simpelweg dat DNB aansprakelijk is (en dat aldus een schadevergoedingsvordering ontstaat)? Uit de wettekst en de rechtspraak van de Hoge Raad134 volgt dat DNB buiten gevallen van opzet of grove schuld simpelweg niet aansprakelijk is. Daarmee kan DNB ook niet hoofdelijk met anderen zijn verbonden. DNB behoort niet tot de kring der hoofdelijk schuldenaren en kan zich met succes tegen een eventuele regresaanspraak verweren, omdat van een regresvordering in de zin van art. 6:10 BW geen sprake is.135 De bank die uit wanprestatie aansprakelijk is, dient de schade dus zelf te dragen, althans kan verhaal nemen op eventuele andere, medeaansprakelijke partijen.136 Zij profiteren echter niet van een wettelijke aansprakelijkheidsbeperking die voor hen niet geldt. Daarvoor maakt het mijns inziens geen verschil of de wettelijke uitsluiting van aansprakelijkheid is geclausuleerd (bijv. tot een bepaald bedrag of tot gevallen waarin geen sprake is van opzet of grove schuld): voor zover er geen aansprakelijkheid bestaat, is van hoofdelijke verbondenheid geen sprake.137
Ook inden de wet voorziet in een beperking van aansprakelijkheid,138 moet worden aangenomen dat hetzelfde geldt als bij een contractuele beperking van aansprakelijkheid. Ook hier is dus mogelijk sprake van meerdere kringen van hoofdelijk schuldenaren: een kring tot het bedrag van de beperking, waartoe ook de schuldenaar die zich daarop kan beroepen behoort, en een kring voor het meerdere, waarvan die schuldenaar geen deel uitmaakt.139 Een dergelijke koppeling tussen een wettelijke uitsluiting van aansprakelijkheid en de inroepbaarheid jegens medeschuldenaren sluit aan bij wat geldt voor de werknemer, die behoudens opzet of bewuste roekeloosheid niet (extern) aansprakelijk is jegens zijn werkgever of derden voor tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden toegebrachte schade (art. 7:661 lid 1 BW), en in beginsel evenmin (intern) draagplichtig is indien de werkgever in die hoedanigheid wordt aangesproken (art. 6:170 lid 3 BW).140
167. Rechterlijke matiging. Wat betreft rechterlijke matiging (art. 6:109 BW) moet mijns inziens onderscheid worden gemaakt tussen de situatie waarin die matiging reeds heeft plaatsgevonden en die waarin een (beweerdelijk) schuldenaar zich ter afwering van een regresvordering op matiging beroept, terwijl een rechter nog niet over diens aansprakelijkheid heeft geoordeeld.
Doorgaans zal de rechterlijke matiging (art. 6:109 BW) worden uitgesproken op hetzelfde moment als het moment waarop de aansprakelijkheid van een partij wordt vastgesteld. De rechterlijke matiging komt dan erop neer dat er weliswaar aansprakelijkheid bestaat, maar dat de daaruit voortvloeiende schadevergoedingsverbintenis in omvang wordt beperkt. Een dergelijke matiging plaats ik op een lijn met de hiervoor besproken contractuele of wettelijke beperkingen van aansprakelijkheid.141 De matiging van de schadevergoedingsverplichting van een schuldenaar brengt mee dat hij extern niet tot een hoger bedrag verplicht is tot schadevergoeding, en daarmee kan ten aanzien van hem slechts sprake zijn van hoofdelijke verbondenheid tot het beloop van zijn schadevergoedingsverplichting.142 Dat een andere schuldenaar wél voor het volle pond aansprakelijk is, leidt dus hoogstens tot hoofdelijke verbondenheid tot het gezamenlijk beloop. Uiteraard kan dan geen sprake zijn van een regresvordering voor een betaling door die ander boven het gezamenlijke beloop. Dit vloeit voort uit de beperkte hoofdelijke aansprakelijkheid, en heeft met art. 6:11 BW niets van doen.
Stelt A een schadevergoedingsvordering van € 100.000 te hebben op zowel B als C, waarbij A meent dat zij jegens hem A hoofdelijk verbonden zijn, dan kan bij matiging van de schadevergoedingsverbintenis van B tot € 75.000 slechts sprake zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid tot dit gezamenlijke beloop. Voor de overige € 25.000 is slechts C jegens A aansprakelijk (er zijn dan dus meerdere ‘circuits’). Voldoet C de volledige schuld van € 100.000 aan A, dan doet hij dat voor € 75.000 als hoofdelijk schuldenaar en voor € 25.000 als enig schuldenaar. Een eventuele regresvordering van hem jegens B kan dan slechts betrekking hebben op het aandeel van B in het deel van de schade waarvoor B medeaansprakelijk was (art. 6:10 lid 2 BW); slechts de hoofdelijke schuld van € 75.000 moet immers tussen B en C worden verdeeld. De inroepbaarheid door B jegens C van zijn beperkte aansprakelijkheid jegens A heeft met art. 6:11 BW niets van doen.
Het zal geregeld voorkomen dat op de vorderingen van de benadeelde jegens meerdere schuldenaren die hij hoofdelijk aansprakelijk houdt, afzonderlijk en dus mogelijk ook op verschillende momenten wordt beslist.143 Indien een (beweerdelijk) schuldenaar door een (beweerdelijk) benadeelde in rechte wordt betrokken, en wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, staat het die schuldenaar in beginsel vrij om zich vervolgens te richten tot partijen waarvan hij meent dat zij met hem hoofdelijk aansprakelijk waren jegens de benadeelde.144 Als een dergelijke partij zich vervolgens verweert met de stelling dat indien zij door de benadeelde zou zijn opgeroepen, zij zich met succes op matiging (art. 6:109 BW) zou hebben beroepen, komt eveneens de vraag op naar de inroepbaarheid van het matigingsverweer. Het gaat dan – anders dan hiervoor – om de vraag of een in regres aangesproken (beweerdelijk) hoofdelijk medeschuldenaar zich kan beroepen op matiging indien de rechter daarover nog niét heeft geoordeeld. Door Hartkamp, en later ook door Boonekamp, Spier en Sieburgh, is voor die situatie verdedigd dat matiging géén verweermiddel oplevert in de zin van art. 6:11 BW, en dat voor de tegenwerpelijkheid daarvan aan medeschuldenaren de onderlinge rechtsverhouding tussen hen bepalend is.145 De kerngedachte is hier dat matiging naar haar aard ziet op de rechtsverhouding tussen twee partijen, en dat indien in de rechtsverhouding tussen de schuldeiser en een aansprakelijke partij reden bestaat tot matiging, dit nog niet betekent dat indien de rechtsverhouding tussen aansprakelijke partijen onderling óók reden bestaat tot matiging, en vice versa.146 Het kan volgens deze auteurs zo zijn dat een matiging in de externe verhouding ook aanleiding geeft tot een matiging in de interne verhoudingen, maar noodzakelijk achten zij dit niet, en daarom achten zij matiging niet inroepbaar als verweermiddel in de zin van art. 6:11 BW. Van Boom meent dat wél sprake is van een verweermiddel in de zin van art. 6:11 BW, maar acht dit niet zonder meer inroepbaar, en komt per saldo dus tot eenzelfde resultaat als Hartkamp, Boonekamp, Spier en Sieburgh.147
Hoewel ik het met de aangehaalde auteurs eens ben dat de regresvordering zelf ook aan matiging onderhevig kan zijn, is dit mijns inziens een andere kwestie dan de vraag of een tot bijdragen aangesproken schuldenaar zich kan beroepen op de matiging van zijn externe aansprakelijkheid jegens de benadeelde (indien daarover nog niet door de rechter is geoordeeld). De eerste kwestie heeft met art. 6:11 BW niets van doen, maar wordt opgelost door toepassing van art. 6:109 BW op de regresvordering. De tweede kwestie wordt mijns inziens wél door art. 6:11 BW opgelost, en ik zie niet in waarom de tot bijdragen aangesproken medeschuldenaar zich in dit kader niet op matiging zou kunnen beroepen. De strekking van art. 6:11 lid 1 BW is mijns inziens om de schuldenaar die niet door de schuldeiser, maar door een hoofdelijk medeschuldenaar wordt aangesproken, niet in een slechtere positie te brengen dan het geval was geweest indien hij door de schuldeiser was aangesproken. Voor het verhaalsrecht dat de verhaalzoekende medeschuldenaar aan subrogatie ontleent, volgt dit uit art. 6:145 BW,148 en art. 6:11 BW kent eenzelfde regel in het kader van regres. Ik meen dat de tot bijdragen aangesproken schuldenaar over wiens aansprakelijkheid jegens de benadeelde nog niet is geoordeeld, en die meent dat zijn eventuele schadevergoedingsverplichting in die verhouding gematigd moet worden, zich daarop ook jegens een verhaalzoekende medeschuldenaar kan beroepen (art. 6:11 lid 1 BW). Met de aangehaalde auteurs meen ik overigens dat dit onder omstandigheden anders kan zijn, bijvoorbeeld omdat aldus uit de onderlinge rechtsverhouding voortvloeit (vgl. art. 6:11 lid 4 BW) of daaruit voortvloeit dat de onderlinge regresaanspraken op de voet van art. 6:109 BW moeten worden gematigd.149
168. Tussenconclusie. Een beroep op het geheel of gedeeltelijk niet-bestaan van een regresvordering is géén verweermiddel in de zin van art. 6:11 BW. Uit het voorgaande volgt mijns inziens dat indien de in regres aangesproken schuldenaar zich verweert met een stelling die erop neerkomt dat het regresrecht dat door de regreszoekende schuldenaar wordt ingeroepen, niet of slechts in beperkte omvang bestaat, géén sprake is van een verweermiddel in de zin van art. 6:11 BW.150 Verweren inzake de draagplicht van de regreszoekende schuldenaar zijn geen verweermiddel in voornoemde zin omdat zij niet tegen de oorspronkelijke schuldeiser konden worden ingeroepen. Andere verweren die erop neerkomen dat de regresvordering niet bestaat, kunnen evenmin op de voet van art. 6:11 BW tegen de regreszoekende schuldenaar worden ingeroepen; de in regres aangesproken schuldenaar heeft art. 6:11 BW daartoe ook niet nódig. Indien de in regres aangesproken schuldenaar zich er bijvoorbeeld op beroept dat zijn schuld is tenietgegaan door betaling, verrekening, inbetalinggeving of een andere wijze van tenietgaan vóórdat de regreszoekende schuldenaar zijn prestatie verrichtte, voert hij geen verweermiddel aan tegen de regresvordering, maar betwist hij dat van een dergelijke regresvordering sprake is. Hetzelfde geldt voor vernietiging nádat de prestatie is verricht. Gaat een verbintenis niet teniet, maar is zij nooit ontstaan omdat een wettelijke of contractuele limitering daaraan in de weg staat, dan is in zoverre uiteraard geen sprake van hoofdelijke verbondenheid en kan van regres evenmin sprake zijn.
De reden voor dit alles is dat de ratio van art. 6:11 BW erin moet worden gezocht dat in geval van verhaal krachtens subrogatie, de tot bijdragen aangesproken medeschuldenaar zich ook kan verweren met verweermiddelen die hij jegens de oorspronkelijke schuldeiser had (art. 6:145 BW).151 Die ratio gaat niet op in gevallen waarin het gaat om verweermiddelen die het verhaalsrecht van de verhaalzoekende schuldenaar weerspreken, omdat dergelijke verweermiddelen in het kader van subrogatie óók niet zouden overgaan (op grond van art. 6:145 BW). De reflex van sommige auteurs om in het kader van de inroepbaarheid van verweermiddelen art. 6:11 BW tot uitgangspunt te nemen,152 is mijns inziens dan ook niet terecht, in ieder geval niet waar het verweermiddelen betreft tegen het bestaan van een verhaalsrecht.