Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.7
4.7 Alles komt samen in Åkerberg Fransson
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362863:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson); zie ook: Snell 2015, onder 4.
Fierstra 2013, onder feitelijk kader.
Fierstra 2013; zie ook de annotatie van J.A.R. van Eijsden bij HvJ 26 februari 2013, zaak C-617/10, (Åkerberg Fransson) in BNB 2014/15 onder 5 en Richardson 2017, onder 4.2.
HvJ 18 december 1997, zaak C-309/96, (Annibaldi), punten 21 tot en met 23; Zie ook: HvJ 8 november 2012, zaak C-40/11, (Iida), punt 79 en HvJ 8 mei 2013, zaak C-87/12, (Ymeraga), punt 41.
Voor de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake de omzetbelasting achtereenvolgens: Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag en richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Btw-richtlijn).
Zie artikel 2 van het Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen; daarvoor: artikel 2 van het Besluit 2000/597/EG, Euratom van de Raad van 29 september 2000 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen; en daarvoor: artikel 2 van het Besluit 94/728/EG, Euratom van 31 oktober 1994 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen.
Eijsden, van, 2014, onder 5.
HvJ 6 maart 2014, zaak C-206/13, (Siragusa), punten 24 en 25; zie ook: Kokott en Sabotta, 2015, onder III en Snell 2015, onder 4.
Op 26 februari 2013 heeft het Hof van Justitie arrest gewezen in de zaak Åkerberg Fransson over de reikwijdte van het Unierecht.1 Aan Åkerberg Fransson, een Zweedse visser, werd een fiscale boete opgelegd wegens het niet-nakomen van Btw-verplichtingen. In geschil was of sprake was van schending van het in artikel 50 van het Handvest neergelegde ne bis in idem-beginsel.2 Hierbij was de eerste vraag die beantwoording behoefde of deze zaak wel onder het toepassingsbereik van het Handvest viel.3 De advocaat-generaal achtte dit niet het geval, het Hof van Justitie wel. De Zesde richtlijn (richtlijn 77/388), die de harmonisatie van de wetgeving inzake de omzetbelasting regelt, is de enige link in deze zaak met het Unierecht. Deze richtlijn bevat echter geen bepalingen ten aanzien van handhaving. In de richtlijn is niets geregeld over het opleggen van bestuurlijke boeten of andere sancties indien een belastingplichtige zijn Btw-verplichtingen niet nakomt. Voor de beantwoording van de vraag of de zaak Åkerberg Fransson valt onder het toepassingsgebied van het Unierecht, stelt het Hof van Justitie een drietal vragen om erachter te komen of voldoende verband bestaat tussen het nationale recht en het Unierecht. In de eerdere zaak Annibaldi (1997) beantwoordt het Hof van Justitie deze drie vragen ook. Van een nieuwe lijn is dus geen sprake. De drie vragen zijn:4
Beoogt de lidstaat met de nationale regeling de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling?
Wat is de aard van de nationale regeling?
Streeft de nationale regeling andere doelstellingen na dan die waarop het Unierecht ziet?
Het Hof van Justitie construeert een noodzakelijke link met het Unierecht via drie constateringen:
Het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde is gebaseerd op Europese richtlijnen.5
Uit artikel 4, derde lid, van het VEU vloeit voort dat iedere lidstaat alle wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen dient te treffen om te waarborgen dat de BTW op zijn grondgebied volledig wordt geïnd.
Artikel 325 van het VWEU bepaalt dat de lidstaten onwettige activiteiten, waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, moeten bestrijden met maatregelen die afschrikwekkend werken en doeltreffend zijn en zij moeten, in het bijzonder ter bestrijding van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Unie worden geschaad, dezelfde maatregelen treffen als die zij treffen ter bestrijding van fraude waardoor hun eigen financiële belangen worden geschaad.
Hierbij benadrukt het Hof van Justitie dat de BTW deel uitmaakt van de eigen middelen van de Unie.6 Het Hof van Justitie overweegt vervolgens ook dat het verband tussen de nationale wet- en regelgeving en het Unierecht verder moet gaan dan dicht bij elkaar liggende onderwerpen of een indirecte invloed van het ene onderwerp op het andere (dus verder dan de Annibaldi-ondergrens). De zaak Åkerberg Fransson laat zien dat ‘het ten uitvoer brengen van het Unierecht’ niet eng moet worden uitgelegd. Deze zaak laat zien dat het Handvest ook van toepassing is op nationale bepalingen die onafhankelijk van het Unierecht bestaan, maar wel gebruikt worden om de Unierechtelijke norm ten uitvoer te brengen.7 Dit betekent dat het toepassingsbereik van het Handvest voor Nederlandse fiscale zaken ruim is geworden. Het arrest maakt ook duidelijk dat in situaties die vallen onder het ten uitvoer brengen van het Unierecht nationale wetgeving wel meer bescherming mag bieden dan de grondrechten in het Handvest, maar niet minder. De zaak Siragusa bevestigt de Åkerberg Fransson-benadering.8 Het Hof van Justitie brengt in die zaak in herinnering dat het begrip ‘ten uitvoer brengen van het Unierecht’ in de zin van artikel 51 van het Handvest vereist dat een zekere mate van verband bestaat dat verdergaat dan het dicht bij elkaar liggen van de betrokken materies of de indirecte invloed van de ene materie op de andere en beantwoordt daarna de drie vragen die ook in Åkerberg Fransson werden beantwoord teneinde te bepalen of het Unierecht ten uitvoer werd gebracht.