De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.3:6.2.1.3 Gedeelde verantwoordelijkheid voor toelating van de lagere- en hoogere burgerschool
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.2.1.3
6.2.1.3 Gedeelde verantwoordelijkheid voor toelating van de lagere- en hoogere burgerschool
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949518:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Koninklijk Besluit van 7 februari 1928, Stb. 1928, 18.
Artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 7 februari 1928, Stb. 1928, 18.
Koninklijk Besluit van 19 maart 1938, Stb. 1938, 365.
Bartels 1963, p. 106.
Voor de vragenlijst zie Koninklijk Besluit van 19 maart 1938, Stb. 1938, 365, p. 9.
Artikel 2 van het Koninklijk Besluit van 19 maart 1938, Stb. 1938, 365.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1923 werden de regels omtrent toelating tot de hoogere burgerschool aangepast.1 Met deze aanpassing werd een balans gezocht tussen het toelatingsexamen en de toelating op verklaring van het hoofd van de lagere school. De verantwoordelijkheid voor de toelating van de leerling tot de hoogere burgerschool kwam weer bij de hoogere burgerschool te liggen.2 Alvorens een toelatingsexamen af te nemen diende de directeur van de hoogere burgerschool aan het hoofd van de lagere school te vragen naar de bekwaamheid en geschiktheid van de leerling voor het middelbaar onderwijs. Indien het oordeel van het hoofd van de lagere school over het al dan niet toelaten van de leerling overeenkwam met de uitslag van het toelatingsexamen, kon door een commissie van leraren besloten worden tot toelating of afwijzing van de leerling. Wanneer het oordeel van het hoofd van de lagere school en het resultaat van het toelatingsexamen niet overeenkwamen werd een mondeling onderzoek afgenomen. Na dit onderzoek bepaalde een commissie van leraren of de leerling toegelaten of afgewezen zou worden. Alvorens te besluiten over het al dan niet toelaten van de leerling na het mondelinge onderzoek kon de commissie het hoofd van de lagere school raadplegen.
In 1938 werden de regels omtrent toelating tot de hoogere burgerschool wederom gewijzigd.3 Het doel van deze wijziging was om de samenwerking tussen de lagere school en de hoogere burgerschool te intensiveren.4 Het hoofd van de lagere school moest over de leerling, die toegelaten wilde worden tot de hoogere burgerschool, voortaan een uitgebreide vragenlijst invullen.5 Daarnaast konden leraren van de lagere school met raadgevende stem zitting nemen in de toelatingscommissie van de hoogere burgerschool. De toelatingscommissie onderzocht de geschiktheid van de leerling voor het onderwijs aan de hoogere burgerschool en de kennis en inzicht in de vakken Nederlandse taal, rekenen, aardrijkskunde en geschiedenis.6 Desgewenst kon de toelatingscommissie gebruikmaken van opgaven die opgesteld waren door een landelijke commissie van advies.