Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/3.3.2
3.3.2 De zorgplicht van artikel 7:658 BW
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855391:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie in soortgelijke zin Kolder, AV&S 2018/25.
Zie bijv. HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD2996 (Stichting Reclassering Nederland/X); HR 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3290 (Hertel/Van der Lugt); HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6657 (ABN Amro/Nieuwenhuys).
Steun voor mijn zienswijze is mede in de feitenrechtspraak te vinden, nu de opdrachtgever waarop art. 7:658 lid 4 BW van toepassing is, door feitenrechters soms wordt aangeduid als werkgever in de zin van art. 7:658 BW (zie bijv. hof ’s-Hertogenbosch 16 april 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ8300; rb. Den Haag 1 juli 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:8149; hof Arnhem-Leeuwarden 27 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8066).
Er kan sprake zijn van een arbeidsongeval of een beroepsziekte. In principe kan de opdrachtnemer voor de vergoeding van beide schadeposten in aanmerking komen. Wel is het voor de opdrachtnemer bij een beroepsziekte lastiger te bewijzen dat hij deze heeft opgelopen ‘in’ of ‘door’ de uitoefening van de werkzaamheden. Verder laat ik het onderscheid tussen deze schadeposten achterwege.
Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (Mon. Pr. nr. 13) 2021/3.12, die spreekt over een ruimtelijke dimensie (de werkplek) en een functionele dimensie (het werk).
HR 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AD2996 (Stichting Reclassering Nederland/X); HR 9 augustus 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2113 (De Bont/Oudenallen Betonbouw); HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6178 (NCM Eurocollect Detachering). Met deze maatstaf wordt overigens aangesloten bij art. 1 lid 3 sub g Arbowet.
HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3689 (PTT Post/Baas); HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129 (Maatzorg/Van der Graaf).
Dit is ook op te maken uit een analoge toepassing van HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3519 (Pelowski/Vernooy Transport en BTS).
Hoewel de derde uitzondering niet expliciet uit de wettekst volgt, ligt deze mogelijkheid wel voor de hand, nu art. 7:658 BW een schuldaansprakelijkheid is. Dit valt ook op te maken uit HR 10 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3837 (Fransen/Pasteurziekenhuis); HR 12 september 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8254 (Peters/Hofkens); HR 18 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8337 (Van Gastel/Van Aert).
Vegter, Bb 2003/24; Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten (Mon. Pr. nr. 13) 2021/2.23.
Asser 2003, p. 67.
Hartlief 2003, p. 151.
Rauws 2003, p. 149 e.v.; Waterman 2009, p. 82 en 164.
In paragraaf 3.3.1 ging het om de vraag wanneer de opdrachtnemer onder de reikwijdte van artikel 7:658 BW valt. In deze paragraaf ga ik ervan uit dat de opdrachtnemer daaronder valt. Dat betekent nog niet automatisch dat de schade van de opdrachtnemer voor vergoeding in aanmerking komt. Dat is namelijk afhankelijk van de vraag of de opdrachtgever een zorgplicht heeft in de zin van artikel 7:658 lid 1 BW en, zo ja, of hij die heeft geschonden. Deze zorgplicht houdt in dat de werkomgeving op zodanige wijze moet zijn ingericht en onderhouden, alsmede dat voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen zijn getroffen en aanwijzingen zijn verstrekt als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt (artikel 7:658 lid 1 BW). In de rechtspraak zijn veel (strenge) normen ontwikkeld over (de omvang van) die zorgplicht. Hoewel de verhouding tussen de werkgever en werknemer daarin doorgaans centraal stond, ligt het in mijn ogen voor de hand dat deze normen analoog kunnen worden toegepast op de relatie tussen de opdrachtgever en de ‘artikel 7:658 lid 4 BW-opdrachtnemer’ (hierna: opdrachtnemer).1 De ratio van deze normen wordt namelijk vooral gevonden in het feit dat de werkgever zeggenschap heeft over de werkomstandigheden.2 Ook de ‘artikel 7:658 lid 4 BW-opdrachtgever’ (hierna: opdrachtgever) heeft deze zeggenschap, waardoor het logisch voorkomt dat de normen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld ten aanzien van de relatie werkgever-werknemer, in beginsel ook betrekking hebben op de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer.3 Dat betekent niet dat er geen verschillen bestaan tussen de zorgplicht van de werkgever en die van de opdrachtgever. In het vervolg van deze paragraaf ligt de focus op die (nuance)verschillen, waarbij ik de andere aspecten van de zorgplicht slechts op hoofdlijnen bespreek.
Het uitgangspunt van de zorgplicht ex artikel 7:658 BW is dat als de opdrachtnemer schade oploopt in de uitoefening van de werkzaamheden,4 de opdrachtgever daarvoor aansprakelijk is (artikel 7:658 lid 2 BW). Het criterium ‘in de uitoefening van de werkzaamheden’ moet ruim worden opgevat.5 Hieronder wordt in ieder geval verstaan elke plaats die in verband met het verrichten van arbeid wordt of pleegt te worden gebruikt.6 Het is echter ook mogelijk dat de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden op plaatsen komt die niet aan deze definitie voldoen. Onder omstandigheden kan de zorgplicht meebrengen dat maatregelen moeten worden genomen en aanwijzingen dienen te worden verstrekt om zoveel mogelijk te voorkomen dat buiten de arbeidsplaats schade wordt geleden.7 Als hiervan sprake is en de opdrachtgever verzuimt daarin, kan hij ook aansprakelijk worden gehouden voor de schade die de opdrachtnemer buiten de arbeidsplaats heeft opgelopen. Wel is het zo dat hoe minder zeggenschap en invloed de opdrachtgever op de werkomstandigheden heeft, hoe minder van hem kan worden verwacht.8 De zeggenschap en invloed van de opdrachtgever op de werkomstandigheden is dus niet alleen relevant voor de invulling van artikel 7:658 lid 4 BW (zie paragraaf 3.3.1.1), maar bestrijkt ook (de omvang van) de zorgplicht van de opdrachtgever.
Als komt vast te staan dat de opdrachtnemer schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden, kan de opdrachtgever aansprakelijkheid ontlopen door te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat sprake is van een wettelijke uitzonderingssituatie in de zin van artikel 7:658 BW. De drie uitzonderingen op dit gebied zijn: (i) de opdrachtgever heeft aan zijn zorgplicht voldaan (artikel 7:658 lid 2 jo. lid 1 BW) (paragraaf 3.3.2.1), (ii) de schade is in belangrijke mate het gevolg van opzet of bewuste roekeloosheid van de opdrachtnemer (artikel 7:658 lid 2 BW) (paragraaf 3.3.2.2) en (iii) de schade zou ook zijn ingetreden als de opdrachtgever aan zijn zorgplicht had voldaan (paragraaf 3.3.2.3).9 Als de opdrachtgever er niet in slaagt een van deze uitzonderingssituaties te bewijzen, dan zal hij in beginsel aansprakelijk worden geacht, terwijl niet is komen vast te staan dat hij daadwerkelijk is tekortgeschoten in zijn zorgplicht. In dit verband wordt wel gesproken van een schuldaansprakelijkheid met omgekeerde bewijslast die naar een risicoaansprakelijkheid neigt,10 van een risicoaansprakelijkheid met exoneratie,11 van een pseudo-risicoaansprakelijkheid12 en van een aansprakelijkheid die zover gaat dat een risicoaansprakelijkheid in de praktijk toch dicht in de buurt komt.13 Dat lijkt ook te kunnen worden opgemaakt uit mijn rechtspraakonderzoek (zie bijlage 2 ‘Feitenrechtspraakonderzoek artikel 7:658 lid 4 jo. lid 1 BW’), dat uitgebreider aan bod komt in paragraaf 3.3.2.1.
3.3.2.1 Voldaan aan zorgplicht3.3.2.2 Opzet of bewuste roekeloosheid opdrachtnemer3.3.2.3 Geen causaal verband