Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.2.5
4.2.5 Spanning furtum usus
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264463:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Voet 1734, nr. 47.2.1 Hij verwees naar D. 47,2,1,3 (Paulus); Inst. 4,1,1 (Justinianus). In gelijke zin: Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.38.1-3.
Voet, Ad Pandectas II, nr. 47.2.5. Hij verwees naar D. 47,2,55 (Gaius); Inst. 4,1,6 (Justinianus).
Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.6 en 6.5.1; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
D. 47,2,1,3 (Paulus); PS 2,31,1
Vinnius, Institutionum Commentarius, nr. 4.1.1. Het citaat is afkomstig uit PS 2,31,1. De vertaling is afkomstig van Spruit & Bongenaar 1984, p. 123.
Vinnius, Institutionum Commentarius, nr. 4.1.2.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7 (inleiding). Hij verwees naar Inst. 4,1,6 (Justinianus).
Zie de vorige paragraaf.
Vgl. Groenewegen van der Made 1669, p. 332-333 (ad D. 47,2).
Zie §2.3.5.
Groenewegen van der Made 1669, p. 55 (ad Just.Inst. 4,1,7). De term “nostris moribus” die Groenewegen van der Made op deze plaats hanteerde, was een verwijzing naar het geldende recht: Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 226.
Het is de vraag of vervolging van diefstal langs privaatrechtelijke weg nog wel mogelijk was: Groenewegen van der Made 1669, p. 721-722 (ad C. 9,1) en 753-754 (ad C. 9,47); Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.38.3; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 47.2.1. Als dit niet het geval was, is aannemelijk dat alle hiervoor aangehaalde auteurs het leerstuk van diefstal bespraken in publiekrechtelijke context.
Als de pandhouder stilzwijgend bevoegd was tot pandgebruik, pleegde hij geen diefstal als hij het onderpand gebruikte. Alleen als de pandhouder niet bevoegd was het onderpand te gebruiken, kon hij diefstal (furtum usus) plegen als hij het onderpand toch gebruikte. Dit vloeide voort uit de definitie van furtum usus die Voet, Huber en Vinnius hanteerden. Diefstal was het bedrieglijk omspringen met andermans zaak voor profijt, zo stelde Voet.1 De pandhouder kon diefstal (furtum usus) plegen door het onderpand te gebruiken.2 Volgens Huber maakte de pandhouder zich schuldig aan diefstal als hij niet bevoegd was tot pandgebruik, en toch het onderpand gebruikte.3 Onder verwijzing naar Paulus4 omschreef Vinnius een dief als “hij die zich met boos opzet aan andermans zaak vergrijpt”.5 Boos opzet betekende dat iemand die niet de wil had diefstal te plegen (animus furandi) niet aansprakelijk was met de actio furti. Wie een zaak ontvreemdde terwijl hij te goeder trouw meende dat de zaak hem toebehoorde, pleegde geen diefstal.6 Bovendien leek Vinnius van mening te zijn dat de pandhouder diefstal kon plegen door het onderpand te gebruiken als hij niet bevoegd was tot pandgebruik.7
Ook al kon volgens Voet, Huber en Vinnius de pandhouder diefstal plegen door het onderpand te gebruiken, zij erkenden ook het bestaan van een stilzwijgend recht van pandgebruik.8 Zij verwezen bovendien veelvuldig naar het Romeinse recht bij hun definitie van het begrip furtum.9 Dit maakt aannemelijk dat Voet, Huber en Vinnius ook de verhouding tussen furtum usus en antichresis tacita op dezelfde manier zagen als ik voor het Romeinse recht uiteen heb gezet.10 De pandhouder pleegde alleen diefstal indien hij niet bevoegd was tot pandgebruik; alleen dan handelde de pandhouder immers bedrieglijk als hij het onderpand gebruikte. Was de pandhouder uitdrukkelijk of stilzwijgend bevoegd tot pandgebruik, dan pleegde hij geen diefstal door het onderpand te gebruiken. In dat geval meende en mocht de pandgebruiker immers menen dat hij handelde met toestemming van de pandgever, zodat hij niet bedrieglijk handelde en dus geen diefstal pleegde.
Volgens Groenewegen van der Made was de pandhouder die het onderpand gebruikte naar geldend recht niet aansprakelijk met de actio furti. Hij kon enkel aansprakelijk zijn tot schadevergoeding: sed tantummodo civiliter tenentur ad id quod interest.11 In de opvatting van Groenewegen van der Made bestond dus in het geheel geen spanning tussen furtum usus en antichresis tacita. De pandhouder die het onderpand onbevoegd gebruikte, pleegde civielrechtelijk immers geen diefstal. Hij kon enkel aansprakelijk zijn om schade die hij (door onbevoegd gebruik) had veroorzaakt, te vergoeden.
De vraag of Groenewegen van der Made zich terecht beriep op een regel van Hollands recht die het Romeinse recht buiten werking stelde, laat ik verder rusten. Ik volsta met de constatering dat in beide hiervoor weergegeven opvattingen de pandhouder geen diefstal pleegde als hij bevoegd was tot pandgebruik en het onderpand gebruikte. Daarbij maakte het niet uit of de pandhouder zijn recht van pandgebruik uitdrukkelijk of stilzwijgend had verkregen. De bevoegdheid van antichresis tacita conflicteerde dan ook niet met het leerstuk van furtum usus.12