Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.2.1
4.2.1 Beding van pandgebruik
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264376:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van Zutphen 1636, p. 404-405; Van Wassenaer 1661, nr. 14.79; Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.6; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15; Van der Linden 1806, nr. 1.15.7; Van Bijnkershoek, OT, nr. 1545; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5.
Placaat 10 mei 1529, Cau, G.P. I, p. 373-374; Placaat 22 december 1598, Cau, G.P. I, p. 1954; Van Leeuwen, Censura Forensis, nr. 4.7.9; Groenewegen van der Made 1669, p. 60 (ad Inst. 4,6,7); Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.9; De Groot, Inleydinge, nr. 2.48.30; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.26 en 2.48.30; De Blécourt 1939, p. 373-375; Van Hoof 2015, p. 97-105.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.12; De Groot, Inleydinge, nr. 2.48.25-27; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.27; De Blécourt 1939, p. 375; Van Hoof 2015, p. 109.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 5.70 en 5.85; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.12; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.27-28; Van Hoof 2015, p. 108-109. Vgl. De Groot, Inleydinge, nr. 2.48.28.
Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.12; Waerschouwinge van de Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt en Verklaring over ‘t Placaet van den XL. penningh op generale Verbanden &c. 20 februari 1665, Cau, G.P. III, p. 1005-1006; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.27-28; Van Hoof 2015, p. 108-109. Vgl. De Groot, Inleydinge, nr. 2.48.28.
Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.48.27.
Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 2.15.6; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.3.1; Bort, Alle de wercken, nr. 6.3.3.1-6.3.3.25; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 2.42.5; Visagie 1974, p. 115-116; Zwalve 2006, p. 52, onder verwijzing naar Voet ad D. 38 (Digressio de feudis).
Placaat 10 mei 1529, Cau, G.P. I, p. 374; Van Leeuwen, Censura Forensis, nr. 4.7.13.
Een recht van pandgebruik kon allereerst tot stand komen op grond van een beding van pandgebruik in de pandovereenkomst. Dit vloeide voort uit D. 13,7,33 (Marcianus).1 Voor de vestiging van een (speciaal) pandrecht op onroerende zaken was vereist dat zij geschiedde ten overstaan van de rechter van de plaats waar de onroerende zaak was gelegen, waarna de pandakte werd geregistreerd. Daarnaast dienden partijen een belasting te voldoen ter hoogte van de veertigste penning (2,5%) van de waarde van de gesecureerde vordering. Het maakte niet uit of de onroerende zaak in de feitelijke heerschappij van de pandhouder of de pandgever was.2
Voor de vestiging van een vuistpandrecht op roerende zaken was afgifte aan de pandhouder voldoende. Verdere formaliteiten waren niet vereist.3 Vestigden partijen een vuistloos pandrecht op roerende zaken, dan was voor de totstandkoming van dit pandrecht vereist dat de vestiging geschiedde bij notariële akte of schepenbrief.4 Voorts dienden partijen de veertigste penning over de gesecureerde vordering te betalen als belasting.5 Voor de verpanding van vorderingen aan toonder (openbare schuldbrieven) golden dezelfde vestigingsvereisten als voor roerende zaken.6
Voor de verpanding van leenrechten golden vereisten die afweken van de verpanding van onroerende zaken. De leenman die zijn leen met een pandrecht wilde bezwaren, diende dit leen in zijn vermogen te hebben. Hij moest beschikkingsbevoegd zijn. Tevens moest er een geldige titel (pandovereenkomst) aan de bezwaring ten grondslag liggen. Ten slotte diende de leenman als vestigingshandeling mededeling van de verpanding te doen aan de leenheer. Hiermee was echter nog geen pandrecht tot stand gekomen. Enkel indien de leenheer toestemming voor de bezwaring gaf, kwam een geldig pandrecht tot stand. Een schriftelijke toestemming volstond.7 De bezwaring van een leen met een beperkt recht was uitgezonderd van de registratieplicht die gold voor onroerende zaken.8 De pandakte hoefde dus niet te worden ingeschreven in een openbaar register.