Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.2.3
4.2.3 Zelfstandige antichrese
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264433:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7. Hij verwees naar D. 20,1,11,1. Anders: Van Leeuwen, Censura Forensis, nr. 4.8.1; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.7; Noodt, Commentarium, p. 343; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5. Zij bespraken D. 20,1,11,1 echter in verband met het recht van pandgebruik. Terecht merkte Vinnius op dat dit een misvatting was. Vgl. Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7. Hij verwees naar D. 13,7,33; D. 13,7,39; C. 4,32,17.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7. Hij verwees naar D. 20,1,11,1; C. 4,32,14.
Van Wassenaer 1661, nr. 14.57; Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
Placaat 10 mei 1529, Cau, G.P. I, p. 373-374. Zie ook Van Wassenaer 1661, nr. 14.79.
Vgl. Placaat 22 december 1598, Cau, G.P. I, p. 1954. Zie ook Van Hoof 2015, p. 103-105. In het graafschap Zutphen was voor de vestiging van een zelfstandige antichrese de vijftigste penning verschuldigd: Van Lamzweerde 1781, nr. 5.1-5.
Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7.
Naar Rooms-Hollands recht was de heersende leer dat het recht van antichrese ook zelfstandig kon bestaan, zonder onderdeel uit te maken van een pandrecht. Zo meende Vinnius dat een “ware echte antichrese” (pura vero antichresis) geen onderdeel was van een pandrecht of een pandovereenkomst, maar een recht dat daarvan verschilde. De gerechtigde tot zelfstandige antichrese kon de goederen die hij in antichrese had immers niet opeisen met de actio Serviana, maar enkel met een actio in factum.1 De combinatie van pand en antichrese kon weliswaar voorkomen2, de zelfstandige antichrese was een rechtsfiguur die verschilde van het recht van pandgebruik.3 Van Wassenaer, Van Leeuwen, Voet en Huber namen hetzelfde standpunt in.4
Vermoedelijk golden voor de vestiging van een zelfstandig recht van antichrese dezelfde vereisten als voor de vestiging van een pandrecht. De hiervoor besproken auteurs bespraken het zelfstandige recht van antichrese immers analoog aan het pandrecht. Voor de vestiging van een zelfstandig recht van antichrese op onroerende zaken was dus vereist dat de akte tot vestiging werd ingeschreven bij het gerecht van het arrondissement waarin de bezwaarde goederen gelegen waren.5 Daarnaast dienden partijen de veertigste penning te voldoen.6 Aannemelijk is dat voor de vestiging van een zelfstandig recht van antichrese op een roerende zaak machtsverschaffing aan de schuldeiser voldoende was. Het recht van zelfstandige antichrese diende gevestigd te worden voor een geldlening.7