Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/4.3.10
4.3.10 Voortgezette deelneming
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687187:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 199-200; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 11, p. 5-6. Uitgebreid hierover: E. Lutjens e.a., ‘Partnerpensioen: visie op het partnerpensioen in de toekomst’, TPV 2021/38.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 60; E. Lutjens, ‘Pensioengevolgen van een ontslag’, ArbeidsRecht 2013/2.
Artikel 55 lid 5 Pw. In de literatuur is overigens wel kritiek dat deze uitzondering wat willekeurig lijkt, zie R.A.C.M. Langemeijer, Pensioenovereenkomstenrecht, Den Haag: Bju 2008, p. 111. Artikel 61 lid 10 Pw regelt verder dat de pensioenregeling kan bepalen dat bij einde deelneming in geval van partnerpensioen op risicobasis, ouderdomspensioen wordt omgeruild voor partnerpensioen (als niet tijdig wordt gereageerd).
E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 767.
Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 202 en p. 204.
Zo ook: M.J. Alsma, ‘Einde deelneming’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 598; E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 746 en nr. 753.
D.J. Plate, Pensioenoplossingen bij ontslag, Zutphen: Paris 2018, p. 71-73, merkte voor voorwaardelijk pensioenopbouw op dat dit wel afhing van het pensioenreglement. Er waren fondsen waar enkel deelnemerschap voldoende was en er zijn fondsen die de eis stelden dat het deelnemerschap moest voortvloeien uit een actief dienstverband.
E.M.F. Schols-van Oppen, Inleiding pensioenrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 63.
Bureau Bartels, Onderzoek vrijwillige voortzetting pensioenfonds voor zelfstandigen, 27 januari 2016, p. 28, bijlage bij Kamerstukken II 2015/16, 32043 en 31311, nr. 339.
Artikel 24 Pw; Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 53, p. 3; Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 210. Zie ook R.A.C.M. Langemeijer, ‘Nieuwe oplossing voor de gevolgen van werkloosheid voor de pensioenvoorziening?’, SR 2007/18.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 193; K. Bitter, ‘Taakafbakening, vrijwillige aansluiting, vrijwillige voortzetting, verbod op nevenactiviteiten’, in: E. Lutjens (red.), Pensioenwet, Analyse en Commentaar, Deventer: Kluwer 2013, p. 854; E. Lutjens, ‘Pensioengevolgen van een ontslag’, ArbeidsRecht 2013/2; H.V.R. Lepoutre, Sdu Commentaar Arbeidsrecht, artikel 7 Pensioenwet, aant. C6.3.2, Den Haag: Sdu Uitgevers 2017, p. 2568-2569. E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 753 en nr. 755, wijst erop dat de (ex-)werkgever en (ex-)werknemer ook een lagere pensioengrondslag kunnen afspreken of dat de pensioenregeling slechts deels wordt voortgezet.
Zo stelt het reglement van het pensioenfonds Metalektro dat het fonds deels de premie financiert tijdens de WW-periode. A.T.J.M. Jacobs, Pensioenrecht, de sociaalrechtelijke en sociaalpolitieke aspecten, Deventer: Kluwer 2017, p. 70, noemt ook VUT en zwangerschapsverlof.
Hof Amsterdam 26 juni 2018, PJ 2018/159 (ABP/VBM c.s.). In cassatie ging het enkel over leeftijdsonderscheid en komt dit aspect niet (meer) aan de orde: HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2037 (VBM c.s./ABP).
HR 19 september 2003, NJ 2005/234, m.nt. J. Hijma (Marks/Albert Schweitzer Ziekenhuis).
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3, p. 65. Het argument van het ‘verwaterd’ zijn van de relatie werd herhaald in het conceptwetsvoorstel Wtp, p. 133, waarmee een beperking wordt aangebracht in de mogelijkheid om pensioenvermogen te gebruiken voor vrijwillige voortzetting van risicodekking voor partnerpensioen. Dit keerde niet terug in het definitieve wetsvoorstel Wtp: Kamerstukken II 2021/22, 36067, nr. 3, p. 204-205.
Daarover I. Vermeeren-Keijzers en W.C.M. Donner-Broersma, ‘Duurzame inzetbaarheid door flexibilisering pensioen; wat zijn de huidige mogelijkheden?’, TvO 2018/2, p. 69-71.
E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 78; D.J. Plate, Pensioenoplossingen bij ontslag, Zutphen: Paris 2018, p. 32; E. Lutjens, ‘Pensioengevolgen van een ontslag’, ArbeidsRecht 2013/2; M. Meijer-Zaalberg, ‘Ontslag heeft ook gevolgen voor pensioenaanspraken’, ArbeidsRecht 2010/55.
R.A.C.M. Langemeijer, Pensioenovereenkomstenrecht, Den Haag: Bju 2008, p. 111.
E. Lutjens, ‘Pensioengevolgen van een ontslag’, ArbeidsRecht 2013/2; E. Lutjens, Asser/Lutjens 7-XI 2016, nr. 76; M. Meijer-Zaalberg, ‘Ontslag heeft ook gevolgen voor pensioenaanspraken’, ArbeidsRecht 2010/55.
In HR 26 november 2004, PJ 2005/2 (Pensioenfonds Stork/ex-werknemer), overweegt de Hoge Raad dat het verzekeringskarakter maakt dat het recht op arbeidsongeschiktheidspensioen niet geheel afhankelijk kan zijn ‘van de toevallige datum van het einde van de arbeidsovereenkomst’. Verdere uitleggeschillen: HR 18 oktober 2002, NJ 2003/258 (Pieterse/Nationale Nederlanden); Hof ’s-Hertogenbosch 19 augustus 2003, PJ 2004/19, m.nt. E. Lutjens (Comello-Dane/Dag Pensioenfonds); Hof Den Haag 2 april 2013, PJ 2013/103 (ex-werknemer/Pensioenfonds ING); Rb. ’s-Hertogenbosch 11 oktober 1996, PJ 1997/1, m.nt. E. Lutjens (Voncken/Mars Pensioenfonds); Rb. Amsterdam 14 december 2015, PJ 2016/35 (Pensioenfonds Campagne/Plukon Wezep c.s.); Hof Arnhem-Leeuwarden 9 april 2019, PJ 2019/59 (Bedrijfstakpensioenfonds voor de Houtverwerkende Industrie en Jachtbouw/ex-werknemer).
Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie, Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen, 23 januari 2013. Uitgebreid: A.A.W.B.P. van den Bosch en A.T. Ucar, ‘Stand van zaken convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling’, in: Vereniging voor Pensioenrecht, Arbeidsongeschikt, en mijn pensioen dan?, Den Haag: Sdu 2017, p. 61-68.
Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie, Convenant over dekking van arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling in pensioenregelingen, 23 januari 2013, p. 2.
Ouderdomspensioen vindt plaats op opbouwbasis en blijft behouden bij het einde van de deelneming (zie ook paragraaf 4.2.2). Voor aanspraken op nabestaandenpensioen geldt hetzelfde als dit op opbouwbasis is, maar vaak is dit op risicobasis verzekerd. Met de Wtp zal nabestaandenpensioen dat voorziet in dekking van het risico van overlijden voor de pensioendatum altijd op risicobasis worden, en dekking op of na de pensioendatum op opbouwbasis worden.1 Arbeidsongeschiktheidspensioen is doorgaans op risicobasis verzekerd.2 Bij het einde van de arbeidsovereenkomst eindigt als hoofdregel de pensioenopbouw en vervallen de risicodekkingen, maar er zijn belangrijke uitzonderingen op deze regel. Zo is in de wet geregeld dat de ex-werknemer die na uitdiensttreding recht heeft op een WW-uitkering gedurende de uitkeringsperiode zijn aanspraak op partnerpensioen behoudt als de pensioenovereenkomst voorziet in een partnerpensioen op risicobasis.3 Een ex-werknemer die op grond van een dringende reden is ontslagen of ziek uit dienst ging, komt hier niet voor in aanmerking; hij ontvangt immers geen WW.4 De Wtp zal ook een verplichte uitloopperiode van drie maanden introduceren bij einde dienstverband van de risicodekking voor partnerpensioen bij overlijden voor de pensioendatum, als de pensioenregeling daar tijdens het dienstverband in voorziet. Daarnaast mag de risicodekking op vrijwillige basis langer worden voortgezet dan de WW-periode of de uitloopperiode, door middel van uitruil van gespaard pensioenvermogen.5
De ex-werknemer kan daarnaast voor een bepaalde periode deelnemer blijven in de pensioenregeling van zijn ex-werkgever op grond van artikel 54 Pw, de zogeheten vrijwillige voortzetting, als de pensioenovereenkomst daarin voorziet. De ex-werknemer blijft deelnemer en die hoedanigheid eindigt pas bij het einde van die voortzetting.6 Hiermee kan de ex-werknemer zijn pensioenopbouw voortzetten tijdens werkloosheid, bij een nieuwe werkgever zonder pensioenregeling, of werk als zelfstandige. Ook kon het bijvoorbeeld dienen om een aanspraak op voorwaardelijk pensioen niet verloren te doen gaan.7 Voortgezette deelname brengt verder met zich mee dat de ex-werknemer voor toeslagverlening als deelnemer wordt behandeld,8 wat doorgaans gunstiger is dan de toeslagambitie voor gewezen deelnemers. Populair is het echter niet; uit een onderzoek uit 2016 bleek dat een groot deel van de veertig onderzochte pensioenfondsen weliswaar deze mogelijkheid bood aan ex-werknemers, maar bij 2/3e daarvan het totaal aantal gebruikers maximaal tien was.9
Een belangrijke reden daarvoor zal zijn dat voortzetting kostbaar is als de ex-werknemer ook het werkgeversdeel van de pensioenpremie moet betalen.10 Het is echter mogelijk dat de ex-werkgever een deel van de premie voor zijn rekening neemt, al dan niet als onderdeel van een sociaal plan of beëindigingsovereenkomst, dan wel namens zijn ex-werknemer betaalt en weer op hem verhaalt.11 Ook komt het in de praktijk wel voor dat een pensioenfonds een deel van de rekening betaalt, bijvoorbeeld tijdens werkloosheid.12 Een verplichting daartoe bestaat niet. Het hof Amsterdam stelt dat voortgezette pensioenopbouw voor ex-werknemers niet voor de hand ligt en als het toch mogelijk is gemaakt door de sociale partners, dan moet dat worden gezien als een begunstiging. Ex-werknemers kunnen ook voor rechten op pensioenopbouw niet gelijk worden gesteld aan werknemers en hoeven dus niet gelijk te worden behandeld.13 Ongeacht wie de rekening betaalt, als een werknemer uit dienst treedt en zijn werkgever vraagt naar de mogelijkheden omtrent vrijwillige voortzetting, is het hoe dan ook van belang dat de werkgever de werknemer voorziet van zorgvuldige informatie.14
De periode van vrijwillige voortzetting is drie jaar en kan langer zijn als de ex-werknemer arbeidsongeschikt is of er sprake is van voortzetting op grond van een individueel of collectief afgesproken regeling tussen werkgever en werknemer zoals afvloeiingsregelingen, wachtgeldregelingen of VUT-regelingen.15 De reden waarom de grens in beginsel bij drie jaar is getrokken, is dat volgens de wetgever de relatie met het oude dienstverband na die tijdspanne te ver ‘verwaterd’ is.16 Na dat moment moet de ex-werknemer maar een derde pijler pensioenproduct afnemen, zo was dat gedachte. Als de ex-werknemer als zelfstandige aan de slag gaat, is de periode maximaal tien jaar. Voor vrijwillige voortzetting gelden overigens diverse belangrijke fiscale restricties naast artikel 54 Pw, die ik hier verder buiten beschouwing laat.17
Deelname na het einde van de arbeidsovereenkomst kan ook voortduren als de ex-werknemer arbeidsongeschikt is en aanspraak maakt op premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid, waarna de pensioenopbouw (deels) wordt voortgezet. Dat wil zeggen dat de premielasten voor het collectief komen tijdens de arbeidsongeschiktheid. Of een ex-werknemer ervoor in aanmerking komt, hangt af van het pensioenreglement, die soms vereist dat de arbeidsovereenkomst niet eindigt voor de ingang van de WIA-uitkering, en soms het recht koppelt aan de eerste ziektedag.18 De Pw legt hier geen beperkingen op aan de contractsvrijheid.19 Ook bij arbeidsongeschiktheidspensioen is het pensioenreglement bepalend of er sprake is van verval van de dekking bij uitdiensttreding tijdens ziekte.20 Dat resulteert uiteraard in de praktijk weer, net als bij premievrije voortzetting, tot de nodige uitleggeschillen.21 Een aanpalend probleem met arbeidsongeschikte werknemers is dat zij bij baanwissel door de nieuwe pensioenuitvoerder soms niet gedekt worden voor arbeidsongeschiktheidspensioen en premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Om die reden is door het Verbond van Verzekeraars en de Pensioenfederatie een convenant opgesteld waarmee de scherpe kantjes zijn weggenomen.22 De kern van dit convenant is dat de pensioenregeling waar de werknemer deelnemer was op de eerste ziektedag het arbeidsongeschiktheidsrisico dekt via een arbeidsongeschiktheidspensioen, inclusief latere toename, en de premievrijstelling dekt tot de mate van arbeidsongeschiktheid zoals die gold bij einde dienstverband. Als de werknemer in een andere pensioenregeling gaat deelnemen dekt de nieuwe pensioenuitvoerder premievrijstelling conform de nieuwe pensioenregeling, maar uitsluitend bij en voor zover sprake is van toename van de mate van arbeidsongeschiktheid.23