Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.2.2.5
9.3.2.2.5 Toepassing op het stelsel van Nederlandse verzuimboetes
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940729:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 6 lid 3 BBBB noemt alleen de individuele straftoemeting (waarover nader in paragraaf 14.4.3 en 14.4.4), maar ik zie niet in hoe een beoordeling van de verwijtbaarheid als (impliciet) element wél mogelijk is. Datzelfde geldt voor de vaststelling dat het kale beboetbare feit is begaan: in augustus 2021 werden naar aanleiding van een storing in het verwerkingssysteem 37.700 naheffingsaanslagen omzetbelasting plus aangifteverzuimboetes verzonden, terwijl de aangiften nog handmatig moesten worden verwerkt (zie de Brief van de Staatssecretaris van Financiën van 1 oktober 2021, V-N 2021/44.14). Zie voorts Kamerstukken II 2011/12, 33 004, nr. 3, p. 15-16. Zie in dit verband ook de werkwijze die in de periode april 2014 tot 2016 ten aanzien van de aangifteverzuimboete van art. 67a AWR heeft gegolden tussen de Belastingdienst en het Ministerie van Financiën (Brief Belastingdienst 15 juni 2015, V-N 2015/36.5): de focus lag bij die werkwijze op matiging van het boetebedrag achteraf. Een sprekend voorbeeld waren verder de meer dan 3.000 volledig geautomatiseerd naheffingsaanslagen (systeemaanslagen) plus verzuimboetes die in 2014 werden opgelegd aan eigenaren van zonnepanelen in hun hoedanigheid van BTW-ondernemer. Dit leidde tot Kamervragen (zie V-N 2014/36.7).
Hof ’s-Hertogenbosch 13 juni 2014, V-N 2014/50.9 (r.o. 4.21.3 en 4.21.4). Zie daaromtrent nader paragraaf 12.2.4.2.
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 387 (zie ook de literatuurverwijzingen in noot 151 aldaar) en – in het kader van de bestuurdersaansprakelijkheid voor verzuimboetes – Booij 2003, p. 87.
Zie daaromtrent nader paragraaf 9.4.1.2.
In paragraaf 9.4.1 ga ik nader in op het AVAS-verweer, waarbij de consequenties die beide opvattingen voor de bewijslastverdeling hebben, aan de orde komen.
Aldus bijvoorbeeld Haas & Jansen 2009, par. 3. Zij merken op: ‘Een ander oordeel zou inhouden, dat de inspecteur een element zou moeten bewijzen (schuld) dat geen bestanddeel vormt van het beboetbare feit.’ Zie voorts De Blieck e.a. 2011, p. 386, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 28-29 en Zwemmer in zijn noot bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, punt 2 en 3.
HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, r.o. 2.3.3: de verzuimboete van art. 67c AWR ‘kan op grond van de enkele constatering dat de belasting niet, onvolledig of te laat is betaald en derhalve zonder nader onderzoek naar de mate waarin de belasting- of inhoudingsplichtige daarvan een verwijt moet worden gemaakt, worden opgelegd’. Ik zie niet in waarom dat oordeel anders zou zijn bij de andere verzuimboetes.
HR 15 juni 2007, V-N 2007/28.9, BNB 2007/251, r.o. 3.3.
In het berechte geval was dat namelijk op zichzelf wel gebeurd, maar had de feitenrechter een rechtens onjuist oordeel over die schuldvraag geveld. De boeteling had in beroep expliciet een AVAS-verweer gevoerd.
Het Hof had in feite ten onrechte de nalatigheid van de door de boeteling ingeschakelde bank toegerekend aan de boeteling zelf. Om die reden achtte het Hof het AVAS-verweer vruchteloos. Aldus had het Hof wel enige mate van schuld vastgesteld (zij het op onjuiste wijze).
De boeteling is volgens de Hoge Raad namelijk gewoon ‘in verzuim’, hetgeen ik interpreteer als ‘voldoet aan alle elementen van het beboetbare feit’.
De Blieck e.a. 2011, p. 386 lijken het oordeel van de Hoge Raad, gelet op het niet onaanzienlijke strafmaximum van art. 67c AWR, wel opvallend te vinden, maar zijn niet erg kritisch. Zij nemen de beslissing zonder meer als richtsnoer voor alle verzuimboetes en zijn bovendien stellig: stelplicht en bewijslast liggen bij de boeteling. Aldus ook: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Gelderland 12 april 2018, V-N 2018/41.22 en in dezelfde zin in de Aantekening bij HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18. Vgl. voorts de noot van Zwemmer bij HR 27 februari 2004, BNB 2004/225, punt 2 en 3.
Conclusie voor HR 20 december 2019, V-N 2020/2.18, BNB 2020/43, par. 4.3, voetnoot 22.
In dit verband wijs ik erop, dat de rechter de verzuimboete reeds ‘vol’ toetst en daarbij, in het kader van de strafmaat, een zelfstandige evenredigheidsafweging maakt. Zie paragraaf 14.4.4.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 en paragraaf 12.3.4.1. Ook Feteris heeft hierop gewezen. Hij acht het om die reden onwaarschijnlijk dat het EHRM het Nederlandse stelsel van verzuimboetes in strijd zal achten met het vermoeden van onschuld, zie zijn noot bij EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, punt 12.
Zie paragraaf 3.4.4 en 9.4.1.
Dit is ook de opvatting van de Staatssecretaris van Financiën, zie de Kamerbrief van 4 oktober 2022, V-N 2022/45.22 (p. 3).
Vertaald naar de Nederlandse situatie van de schuldneutrale verzuimboetes, kan uit de in het voorgaande behandelde jurisprudentie van het EHRM naar mijn mening in ieder geval worden geconcludeerd dat deze als zodanig niet in strijd zijn met art. 6 EVRM en dus niet onverbindend zijn omdat (enige) verwijtbaarheid in de delictsomschrijving ontbreekt.
Veel verzuimboetes worden geautomatiseerd opgelegd, zonder dat op het moment van opleggen is komen vast te staan dat er sprake is van (enige) verwijtbaarheid. Een oordeel daarover kan pas later (in bezwaar of in beroep) aan de orde komen.1 Deze in Nederland gangbare praktijk moet op voorhand niet worden afgewezen wegens strijd met de onschuldpresumptie. Hof ’s-Hertogenbosch oordeelde naar mijn mening terecht dat het Nederlandse stelsel van verzuimboetes, inclusief de geautomatiseerde oplegging naar standaardbedragen en individuele straftoemeting achteraf, op grond van de EHRM-arresten Jussila en Västberga Taxi door de beugel kan.2
Dit alles betekent naar mijn mening echter niet dat de inspecteur bij verzuimboetes steeds kan volstaan met het bewijs van alleen het kale beboetbare feit. Bij aanvaarding van een veroordeling zonder dat ooit enige mate van schuld in rechte is komen vast te staan, zou er immers effectief sprake zijn van een omgekeerde bewijslast en dus van strijd met de onschuldpresumptie.3 Zodra de boeteling de boete (in bezwaar) bestrijdt, zal de inspecteur daarom – zo nodig achteraf – het bestaan van enige verwijtbaarheid, hoe gering ook, moeten bewijzen.4 Dat kan erop neerkomen dat de inspecteur wijst op de afwezigheid van AVAS: daarmee is immers gegeven dat er ten minste enige mate van schuld is. Verder meen ik dat de rechter, ook bij het ontbreken van enig verweer terzake, de boete niet zonder beoordeling van de schuldvraag in stand kan laten. Hij zal de aanwezigheid van die schuld zo nodig zelfstandig moeten afleiden uit het aanwezige dossier en bovendien (op basis van dat dossier) ambtshalve onderzoek moeten verrichten naar eventueel aanwezige gronden om de boete in het concrete geval te verminderen of te vernietigen. Het komt er in mijn opvatting op neer, dat ‘ten minste enige mate van verwijtbaarheid’ als een impliciet element moet worden ingelezen in de delictsomschrijving van verzuimboetes, waarmee het een centrale stelling vormt.
De heersende leer in de literatuur en de opvatting van de Awb-wetgever ten aanzien van het AVAS-verweer houden daarentegen in, dat zowel de stelplicht als de bewijslast van AVAS bij de boeteling mogen worden gelegd.5 Dat betekent dat AVAS in deze opvatting een perifere stelling is.6 De inspecteur zou dan in het geheel geen schuld hoeven te bewijzen en de rechter zou daar ook niet spontaan op hoeven te letten.7 De jurisprudentie van de Hoge Raad geeft nog geen definitief uitsluitsel, al is inmiddels wel duidelijk geworden dat de inspecteur wat de Hoge Raad betreft geen enkel onderzoek naar de mate van verwijtbaarheid hoeft te doen.8 Het ontbreekt helaas echter nog aan concrete aanwijzingen over de rol van de rechter in dit verband. Zo casseerde de Hoge Raad in 2007 een uitspraak omdat het Hof een verkeerde inhoudelijke uitleg van AVAS had gegeven.9 De vraag of de Hoge Raad ook vereist dat in ieder geval de rechter (zo nodig ambtshalve) aandacht besteedt aan de schuldvraag, bleef helaas onbeantwoord.10 Het is dus niet zeker of de Hoge Raad, ook zonder dat een AVAS-verweer gevoerd zou zijn, zou hebben geoordeeld dat de stelplicht en bewijslast terzake primair op de boeteling rusten.11 De gekozen bewoordingen lijken wel in die richting te wijzen.12 De Hoge Raad heeft in ieder geval niet uitdrukkelijk overwogen dat de aanwezigheid van ten minste enige mate van verwijtbaarheid bij verzuimboetes een impliciet element van de delictsomschrijving vormt. In de literatuur lijkt dat niet op fundamentele kritiek te stuiten.13 Wel heeft A-G Niessen opgemerkt dat hij meent dat bij het opleggen van een verzuimboete ‘toch een zekere mate van schuld wordt verondersteld, daar de afwezigheid van alle schuld tot vernietiging van de boete moet leiden’.14
De houdbaarheid van de Nederlandse schuldneutrale verzuimboetes in het licht van het EVRM staat of valt naar mijn mening met de mate waarin de Nederlandse belastingrechter zich op dit punt al dan niet actief opstelt.15 Met de in dit verband door het EHRM vereiste verweermogelijkheden is in het Nederlandse stelsel weinig mis, zeker wanneer de procedure als geheel in ogenschouw wordt genomen. In bezwaar en beroep kan de boeteling immers rekenen op een volwassen stelsel van hoor en wederhoor.16 Daar staat tegenover dat er in de Nederlandse praktijk in wezen slechts één (buiten)wettelijke17 disculpatiegrond bestaat, te weten AVAS.18 Die disculpatiegrond is bovendien tamelijk absoluut: alle schuld moet ontbreken, en als dat zo is dan vervalt de boete geheel. Deze alles-of-niets benadering lijkt mij behoorlijk restrictief en bepaald niet genuanceerd, zoals het EHRM wel lijkt te eisen. De Nederlandse belastingrechter moet bij zijn ambtshalve toets daarom niet alleen oog hebben voor AVAS, maar ook voor andere strafverminderende omstandigheden. Naar mijn inschatting biedt de Nederlandse procedure als geheel dan voldoende compensatie voor de magere (buiten)wettelijke disculpatiemogelijkheden.