Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.2.0
7.2.0 Introductie
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS393738:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.
W.M. Kleijn in punt 4 van zijn noot onder HR 5 december 1986, NJ 1987, 745 (Gescheurde orchidee ë n), Van Maanen 1998, p. 237-238, Kortmann 1998, p. 140 en Bartels 2007, p. 18-19. Vgl. ook S.E. Bartels, ‘Kan een eigendomsvoorbehoud zaaksvorming overleven?’, in: A.A.H. van Hoek e.a. (red.), Offerhauskring vijftig jaar, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2012, p. 31. Een zekere ruimte lijken ook Del Corral & Geurts 2014, p. 257 te zien.
O.K. Brahn, ‘Objectsverandering, zaaksvorming en partijafspraak’, in: H.U. Jessurun d’Oliveira, E. Fischer- Keuls & R. Drilsma, ’t Exempel dwinght (Opstellen aangeboden door vrienden en vereerders aan Prof. mr. I. Kisch ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1975, p. 46-47, Asser/ Beekhuis 3-II 1977, p. 104, Brahn 1984, p. 12-17 en p. 28-29, Mezas 1985, p. 78, Vriesendorp 1985a, p. 108, Brahn 1991, p. 145-159, Fikkers 1996, p. 4-5, Fikkers 1999a, p. 76-77, Wichers 2002, p. 248-252, Fesevur 2005, p. 246, Verstijlen 2006, p. 1188, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 967, Snijders & Rank- Berenschot 2012, nr. 500, Spath 2012, p. 330, Reehuis 2013, nr. 46-47, Verheul 2014b, p. 525-526, Asser/ Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 539 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 78.
De koper is niet altijd in staat om de verschuldigde tegenprestatie te voldoen, alvorens hij de verkochte zaak in zijn bedrijfsuitoefening heeft benut. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als het gaat om grondstoffen of halffabricaten. Zoals in hoofdstuk 3 is gebleken, komen verkoper en koper in een zodanig geval vaak overeen dat de koper de bevoegdheid heeft om de verkochte zaak te verwerken en vervolgens te verkopen, zodat hij daarmee de benodigde middelen kan generen om de verkoper te voldoen.1 Aangezien de verwerking en vervreemding van de verkochte zaak de kans op betaling vergroten en bovendien denkbaar is dat de koopovereenkomst zonder een dergelijke bevoegdheid voor de koper niet tot stand komt, heeft de verkoper er geen belang bij de verwerking en vervreemding te verbieden. Tegelijkertijd wil de verkoper bij voorkeur voorkomen dat hij met lege handen staat indien de koper na de verwerking in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde tegenprestatie.
Met name in Duitsland heeft zich als gevolg van deze betrokken belangen een praktijk ontwikkeld waarbij enerzijds de koper in staat wordt gesteld de verkochte zaak te verwerken, maar anderzijds aan het belang van de verkoper wordt tegemoetgekomen door middel van een verlengd eigendomsvoorbehoud. Door middel van een Verarbeitungsklausel komen partijen overeen dat de koper de nieuwe zaak voor de verkoper vormt. Naar de huidige stand van zaken bewerkstelligt een dergelijk beding dat de verkoper wordt aangemerkt als zaaksvormer (Hersteller) in de zin van § 950 BGB, zodat hij eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak.2 Weliswaar is die bepaling volgens de heersende leer en rechtspraak van dwingend recht,3 maar een Verarbeitungsklausel kan wel bewerkstelligen dat de verkoper wordt aangewezen als zaaksvormer. Aldus wordt niet zozeer afgeweken van § 950 BGB, maar een nadere inkleuring gegeven aan de verkeersopvatting, aan de hand waarvan moet worden bepaald wie als zaaksvormer heeftte gelden.4 Als partijen een zodanige Verarbeitungsklausel opnemen, heeft een dergelijk beding volgens het BGH namelijk tot gevolg dat de verkeersopvatting vervolgens de verkoper aanwijst als zaaksvormer.
‘Werden Rohstoffe unter Eigentumsvorbehalt geliefert und ist dabei vereinbart, daû die Verarbeitung für die Lieferfirma zu erfolgen hat, dann ist vom Standpunkt eines objektiven Beurteilers in der Regel diese Firma Hersteller i.S. des § 950 BGB.’ 5
De partijafspraak heeft derhalve over de boeg van de verkeerssopvatting derdenwerking. Dat ook een objectieve derde volgens deze rechtspraak de verkoper zal aanmerken als zaaksvormer, volgt in deze benadering uit het feit dat moet worden uitgegaan van een derde die bekend is met de gebruikelijkheid van dergelijke zaaks-vormingsclausules. Het gaat om een ‘objektiven mit den Verhältnissen vertrauten Beurteiler.’6 Per saldo kan daarmee met Duits recht de eigendomstoewijzing worden gestuurd door middel van een partijafspraak.
Deze Duitse praktijk heeft in de Nederlandse literatuur aanleiding gegeven tot de vraag of artikel 5:16 BW op een vergelijkbare wijze zou kunnen worden geïnterpreteerd door middel van een zaaksvormingsclausule met de strekking dat de koper de zaak voor de verkoper vormt. Een aantal auteurs heeft – onder meer vanwege de wenselijkheid van het resultaat – betoogd dat het mogelijk is c.q. zou moeten zijn dat partijen door middel van een dergelijk beding kunnen bewerkstelligen dat de verkoper eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak.7 De heersende leer neemt daarentegen aan dat partijen geen c.q. slechts beperkt invloed kunnen uitoefenen op de eigendomstoewijzing. In deze visie moet uitsluitend aan de hand van artikel 5:16 BW (en de invulling van de in dat artikel genoemde criteria) worden beoordeeld wie eigenaar wordt van de nieuwe zaak, waaruit wordt afgeleid dat de koper in de regel eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak.8 Alvorens een eigen standpunt te bepalen, wordt hierna ingegaan op de beslissende criteria voor eigendomstoewijzing volgens de rechtspraak van de Hoge Raad en de wetgever.