Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.2.1
7.2.1 De beslissende criteria voor eigendomstoewijzing
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS396129:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 oktober 1990, NJ 1992, 226 m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius), rov. 3.3.
HR 5 oktober 1990, NJ 1992, 226 m.nt. W.M. Kleijn (Breda/Antonius), rov. 3.3.
Anders dan H.H. Lammers, ‘Mede-eigendom van varkens Én karbonades’, in: W.H. van Boom e.a. (red.), Civiele constructies, Deventer: Gouda Quint 1999, p. 61-63 meent, kan het optuigen van een gemeenschap daarin geen verandering brengen. De koper zal de zaak dan nog altijd op grond van de in de hoofdtekst genoemde criteria voor zichzelf vormen. Dat de zaken mede aan hem toebehoren, kan niet bewerkstelligen dat lid 2 niet meer van toepassing is. Integendeel, zelfs als de zaken volledig aan hem zouden toebehoren, zou eigendomstoewijzing in de regel op grond van lid 2 plaatsvinden. Zie Wichers 2002, p. 228-229. Bovendien valt niet goed in te zien waarom de koper wel eigenaar zou worden als de verkoper nog eigenaar was van de geleverde zaken, maar mede-eigendom zou ontstaan als de koper ook een aandeel heeft in de geleverde zaken.
Het is van belang te benadrukken dat deze kritiek zich (hoofdzakelijk) richt op de wijze waarop het BGH het resultaat – de eigendomsverkrijging van de verkoper en de daarmee gepaard gaande voorrangspositie – bereikt, namelijk door enerzijds vast te houden aan het dwingende karakter van de bepaling, maar anderzijds doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de partijafspraak. Deze kritiek staat los van de vraag of de eigendomsverkrijging van de verkoper en diens voorrangspositie ook gerechtvaardigd is. Zie bijv. MünchKomm-BGB/Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 20: ‘Die Rechtsprechung ist von dem rechtspolitischen Bemühen getragen, den Warenkreditgeber gegenüber dem Geldkreditgeber zu bevorzugen. Dieses Anliegen soll hier nicht bezweifelt werden, doch es ist zweifelhaft, ob § 950 der richtige Ort ist, um dieses Ziel zu erreichen.’ Wanneer men namelijk met de overwegende meerderheid in de literatuur zou aannemen dat de koper na zaaksvorming eigenaar wordt, zou alsnog een voorrang van de verkoper (boven de bank) worden bereikt. Een Verarbeitungsklausel kan dan namelijk worden geconverteerd tot een geanticipeerde zekerheidsoverdracht, als gevolg waarvan de verkoper derivatief zekerheidseigendom verkrijgt. Indien een dergelijke zekerheidsoverdracht collideert met een eerdere zekerheidsoverdracht aan de kredietverstrekkende bank, ligt het voor de hand de voor de bij de botsing van een dubbele cessie bij voorbaat van doorverkoopvorderingen ontwikkelde Vertragsbruchlehre ook op dit geval toe te passen. Als gevolg daarvan zou dan voorrang worden toegekend aan een (eventueel) latere zekerheidsoverdracht aan de verkoper. Zie over deze techniek hiervoor in hoofdstuk 3, paragraaf 3.6.3 en – toegespitst op de situatie na zaaksvorming – Henckel 1994, p. 205-206, Jaeger/Henckel 2004, § 51 InsO, Rn. 42 en MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 108. Per saldo wordt derhalve ook in deze visie de voorrang van de verkoper boven de bank gehandhaafd.
Wieling 2006, p. 447-449, Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann 2011, p. 485-486, Erman/Ebbing 2011, § 950 BGB, Rn. 10, Palandt/Bassenge 2014, § 950 BGB, Rn. 9, Bamberger & Roth/Kindl 2016, § 950 BGB, Rn. 10, Staudinger/Wiegand 2017, § 950 BGB, Rn. 28-30 en MünchKomm-BGB/Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 20.
N.v.W., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 111.
M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 5 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1023.
M.v.A. I Inv., Parl. Gesch. Boek 5 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1023.
Bij de eigendomstoewijzing na zaaksvorming staat artikel 5:16 lid 2 BW centraal. Beslissend is of de koper de zaak voor zichzelf vormt of voor de koper. Volgens de Hoge Raad wordt dat bepaald ‘door hetgeen in het licht van de daarop betrekking hebbende verkeersopvattingen uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit.’1 Het gaat daarbij om een geobjectiveerde invulling van de rechtsverhouding tussen verkoper en koper, aan de hand van de verkeersopvattingen. Voor wat betreft industriële fabricage houden deze verkeersopvattingen volgens de Hoge Raad het volgende in:
‘Bij een industriele fabricage – zoals hier aan de orde is – , zal het daarbij aankomen op de vraag wie beslissende invloed had op de wijze van produktie en de definitieve vorm van het produkt en wie in het kader van die rechtsverhouding het risico droeg ter zake van verliezen wegens tegenvallende bruikbaarheid, verhandelbaarheid of winstgevendheid van het produkt.’2
Aldus komt geen beslissende betekenis toe aan een eventuele zaaksvormingsclausule, maar kan daaraan wel gewicht worden toegekend, indien een dergelijk beding de strekking heeft dat de verkoper het zaaksvormingsrisico draagt en de verkoper bovendien beslissende invloed heeft op de wijze van productie. De rechtsverhouding wordt derhalve geobjectiveerd, in die zin dat zij ‘echt’ de strekking moet hebben dat de nieuwe zaak aan de verkoper toebehoort.
In de regel zal daarvan geen sprake zijn.3 De koper vormt de zaak in zijn eigen bedrijfsuitoefening en de verkoper zal gewoonlijk geen invloed hebben op de wijze van produceren en de vormgeving van het eindproduct. Bovendien draagt de koper het risico indien hij de nieuwe zaak niet (winstgevend) kan doorverkopen. Hij zal ook in een dergelijk geval verplicht blijven de verschuldigde tegenprestatie aan de verkoper te voldoen. Interessant is dat in de Duitse literatuur bepleit wordt dat de eigendomstoewijzing van § 950 BGB zou moeten plaatsvinden aan de hand van vergelijkbare criteria. Verschillende auteurs laten zich daarbij kritisch uit over de hierboven besproken rechtspraak van het BGH, omdat de subjectieve partijafspraak de eigendomstoewijzing beheerst, terwijl het vanwege de in het goederenrecht gewenste rechtszekerheid nodig zou zijn dat de eigendomstoewijzing volgens meer objectieve criteria plaatsvindt.4 Volgens de heersende leer zou toepassing van meer objectieve criteria tot de slotsom moeten leiden dat de koper eigenaar wordt van de nieuw gevormde zaak, omdat hij de zaaksvorming heeft bewerkstelligd en het risico daarvan draagt.5
De door de Hoge Raad gegeven invulling aan de verkeersopvatting loopt in de pas met de visie van de wetgever. Volgens hem zal lid 2 van artikel 5:16 BW de eigendom van de zaak normaliter toewijzen aan de koper, omdat niet gezegd kan worden dat hij de zaak in opdracht van zijn leverancier fabriceert, nu hij haar vormt om haar te eigen bate te verhandelen.6 Dit standpunt is nadien weliswaar enigszins genuanceerd, in die zin dat dit niet wegneemt ‘dat in voorkomende gevallen kan worden overeengekomen dat de producent in opdracht van de leverancier of enige onderling samenwerkende leveranciers zal handelen in dier voege dat hij ook de nieuw gevormde zaken voor deze(n) zal gaan houden’,7 maar daaraan wordt toegevoegd dat daarvan alleen sprake kan zijn wanneer ‘het vervaardigen van de eindprodukten door [de koper] realiter in opdracht en derhalve voor rekening en risico van [de verkoper] geschiedt.’8