Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.6.2
6.8.6.2 De uitleg van het begrip onregelmatigheid in de nationale uitvoeringspraktijk
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS400747:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.2.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
In ESF-zaken die zien op de programmaperiode 1994-1999 wordt doorgaans bezien in hoeverre sprake is van misbruik of nalatigheid ten aanzien van de ESF-subsidies. Zie bijvoorbeeld ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9702. Dit vindt zijn oorzaak in het destijds geldende artikel 23 van de Coördinatieverordening waarin was neergelegd dat de lidstaten de nodige maatregelen dienden te nemen om door misbruik of nalatigheid verloren middelen terug te vorderen. Omdat de Coördinatieverordening al in werking was getreden ten tijde van de totstandkoming van de Verordening nr. 2988/95 sloten beide verordeningen nog niet volledig op elkaar aan. De ABRvS toetst vol of sprake is van misbruik of nalatigheid in de zin van artikel 23 van de Cffirdinatieverordening. Zie r.o. 2.3.1 van ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9702 waarin wordt overwogen dat de omstandigheid dat Zadkine de aan de subsidie verbonden verplichting niet heeft nageleefd, betekent dat sprake is van schending van artikel 10 van de Regeling Europees Sociaal Fonds (1994-1999) en dat mitsdien sprake is van misbruik en nalatigheid als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Cffirdinatieverordening.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.52.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 30 december 2009, AB 2010, 283, m.nt. J.E. van den Brink en W. den Ouden. Zie ook Rb Amsterdam 22 september 2011, AB 2012, 136, m.nt. J.E. van den Brink.
AB 2012, 136, m.nt. J.E. van den Brink.
In de nationale uitvoeringspraktijk wat betreft de Europese landbouwsubsidie-verordeningen leidt de uitleg van het begrip onregelmatigheid dat is neergelegd in artikel 1, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95 niet tot problemen.1 In hoofdstuk 5 is besproken dat in de Europese landbouwsubsidie-verordeningen exact per beschreven onregelmatigheid is bepaald welke administratieve sancties en maatregelen moeten worden opgelegd.2
Het voorgaande ligt anders ten aanzien van Europese subsidieverordeningen waarin slechts is bepaald dat de lidstaten in geval van onregelmatigheden over moeten gaan tot het verrichten van financiële correcties, zoals bij de structuur- en migratiefondsen. Deze onregelmatigheden zijn — anders dan in de Europese landbouwsubsidieverordeningen — niet gespecificeerd. In dat geval moet het nationaal uitvoeringsorgaan aan de hand van de in artikel 1, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95 neergelegde definitie nagaan of sprake is van een onregelmatigheid op grond waarvan een financiële correctie moet volgen.3 Vereist is dat sprake is van een inbreuk op het Europese recht in de vorm van een handelen of nalaten van de eindontvanger van de Europese subsidie. In de Europese subsidieregelgeving inzake de structuur- en migratiefondsen is thans bepaald dat de verstrekking van Europese subsidies in overeenstemming moet zijn met de Europese en nationale regels. Naar Europees recht is derhalve sprake van een onregelmatigheid indien een eindontvanger in strijd met het Europese of nationale recht handelt.
In sommige gevallen wordt door de Europese Commissie door middel van eigen controles vastgesteld dat bij de uitvoering van een project sprake is van onregelmatigheden. In de nationale subsidieregelgeving is — net als in de Europese subsidieregelgeving — niet geregeld in hoeverre controlerapporten van de Europese Commissie als grondslag kunnen dienen voor intrekkingsen terugvorderingsbesluiten van de Europese Commissie. In hoofdstuk 5 is geconcludeerd dat op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel moet worden aangenomen dat controlerapporten van de Commissie op dezelfde wijze moeten worden gewaardeerd als soortgelijke nationale controlerapporten.4 Uit nationale jurisprudentie blijkt dat de nationale bestuursrechter er geen probleem in ziet dat nationale uitvoeringsorganen aan de lagere vaststelling en intrekking met terugwerkende kracht van een Europese subsidie controlerapporten van de Europese Commissie ten grondslag leggen.5
Een mooi voorbeeld biedt de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 22 september 2011.6 In deze uitspraak ging het om een Europese subsidie uit het EVF die reeds door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel was vastgesteld. Na het besluit tot subsidievaststelling vond echter nog een controle onder verantwoordelijkheid van de Europese Commissie plaats. Het door de Commissie ingeschakelde accountantskantoor 'Moore Stephens' constateerde dat de administratie onvoldoende voorzien was van onderbouwende documenten, met name op het terrein van de salarisadministratie. Dit betekent dat sprake is van een onregelmatigheid in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Verordening nr. 2988/95. Vervolgens besloot de minister alsnog tot wijziging van het besluit tot subsidievaststelling over te gaan.