Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.6.7
6.8.6.7 Inperking discretionaire bevoegdheden in lagere nationale subsidieregelingen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399601:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit volgt uit het arrest Deutsche Milchkontor en is recent nog bevestigd in het ESF-arrest. Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.8.5.
ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9679 (Zadkine), r.o. 2.7.
Deze bepaling is ingevoegd bij besluit van 31 januari 1997, Stcrt. 1997, nr. 30.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 23 juni 2010, LJN BM8816 - een geschil waarop de subsidietitel van de Awb niet van toepassing was, omdat de subsidie voor 1 januari 1998 was verleend - waarin de Afdeling overweegt dat Zadkine niet heeft voldaan aan de voorwaarden van cofinanciering en het voeren van een aparte projectadministratie, zodat de Algemene Directie ingevolge voormeld artikel 15, vierde lid, van de Regeling Europees Sociaal Fonds (1994-1999) gehouden was de verleende subsidie in te trekken. Deze bepaling laat voor een afweging van belangen geen ruimte, wat er verder van de omstandigheid dat het doel waarvoor de subsidie was verleend grotendeels is bereikt ook zij.
CBb 25 mei 2007, AB 2008, 265, m.nt. I. Sewandono onder AB 2008, 266, JB 2007/157.
CBb 25 mei 2007, AB 2008, 265, m.nt. I. Sewandono onder AB 2008, 266, JB 2007/157.
In de uitspraak staat per abuis 3778/92 vermeld.
Dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid en derhalve een belangenafweging moet plaatsvinden wordt ten aanzien van zuiver nationale subsidies ten onrechte niet altijd erkend. Zie bijvoorbeeld ABRvS 27 augustus 2008 (LIN BE9270) waarin de Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat MSB niet heeft voldaan aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen en dat de staatssecretaris de subsidie terecht op nihil heeft vastgesteld. Hiermee impliceert de Afdeling ten onrechte dat de vaststelling op nihil een gebonden bevoegdheid betreft.
Zie Den Ouden in punt 2 van haar noot bij ABRvS 12 november 2008, AB 2009, 237, m.nt. W. den Ouden. Zie ook punt 5 van de noot bij CRvB 30 januari 2008, AB 2008, 222, m.nt. W. den Ouden; USZ 2008/99, m.nt. J.E. van den Brink.
Zie Den Ouden in punt 2 van haar noot bij ABRvS 12 november 2008, AB 2009, 237. Zie ook punt 5 van de noot bij CRvB 30 januari 2008, AB 2008, 222, m.nt. W. den Ouden, USZ 2008/99, m.nt. J.E. van den Brink en Kortmann 2003, p. 388.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 182.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 74 e.v. (MvT). Zie punt 7 van de noot van W. den Ouden bij CRvB 30 januari 2008, AB 2008, 222.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 182.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 182. Zie ook punt 7 van de noot van W. den Ouden bij CRvB 30 januari 2008, AB 2008, 222.
Zie ook punt 7 van de noot van W. den Ouden bij CRvB 30 januari 2008, AB 2008, 222.
ABRvS 30 augustus 2006, AB 2007, 241, m.nt. M.J. Jacobs en W. den Ouden (Cedris), r.o. 2.10. Dit standpunt kon al wel uit eerdere uitspraken worden afgeleid. Zie ABRvS 28 juni 2006, AB 2006, 326, m.nt. W. den Ouden (Triplewood); ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5509 (provincie Zuid-Holland); ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5518 (gemeente Zoetermeer); ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5504 (gemeente Almelo); ABRvS 2 augustus 2006, LJN AY5522 (gemeente Amsterdam). Zie ook Verheij, Den Ouden & Jacobs 2011, p. 181-182 en de noot van J.E. van den Brink bij CRvB 30 januari 2008, USZ 2008/99. Zie voor uitspraken buiten het subsidierecht ABRvS 4 februari 2003,1V 2003, 111, m.nt. C.A.J.M. Kortmann onder JV 2003,115; ABRvS 2 november 1998 (AB 1999, 80, m.nt. M. Schreuder-Vlasblom onder AB 1999, 81). Uit een uitspraak van 17 november 2004 kan worden afgeleid dat het CBb evenals de ABRvS van oordeel is dat inperking van een discretionaire bevoegdheid in een bijzondere subsidieregeling is toegestaan (CBb 17 november 2004, LJN AR6035). Zie echter ook CBb 6 juni 2012, LJN BQ7909 (geen subsidiezaak) waarin het CBb tot de conclusie komt dat wat een gebonden bevoegdheid in een ministeriële regeling lijkt te zijn, dat niet kan zijn omdat er ook staat dat deze bepaling overeenkomstig de discretionaire bevoegdheid van de Awb wordt toegepast.
CRvB 30 januari 2008, AB 2008, 222, m.nt. W. den Ouden, USZ 2008/99, m.nt. J.E. van den Brink. Zie ook CRvB 30 januari 2008, JB 2008/81, m.nt.
CRvB 14 februari 2008, AB 2008, 223, m.nt. W. den Ouden bij AB 2008, 222 en USZ 2008/143, m.nt. J.E. van den Brink.
ABRvS 12 november 2008, AB 2009, 237, m.nt. W. den Ouden, r.o. 2.6.1.
ABRvS 12 november 2008, AB 2009, 237, m.nt. W. den Ouden, r.o. 2.6.1.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 183.
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 183.
Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 183.
CRvB 22 september 2010, LJN BN9573.
Voor de financiële correcties die de lidstaten op grond van de Europese subsidieregelgeving moeten opleggen, geldt dat zij daarbij rekening houden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat dit niet betekent dat sprake is van een discretionaire bevoegdheid en in het geheel van terugvordering kan worden afgezien.1
Om aan de Europese verplichting tot het opleggen van financiële correcties gevolg te kunnen geven was het in vorige programmaperioden de praktijk om in een bijzondere subsidieregeling waarin het ging om de verstrekking van Europese subsidies neer te leggen dat in geval van onregelmatigheden de subsidie lager wordt vastgesteld, dan wel het besluit tot subsidieverlening en -vaststelling wordt ingetrokken of gewijzigd.
Een voorbeeld biedt artikel 14, eerste lid, van de Regeling Europees Sociaal Fonds (1994-1999). Ingevolge deze bepaling was het definitieve subsidiebedrag niet hoger dan het bedrag dat controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften van deze regeling is. In de uitspraak van 30 juni 2010 oordeelt de ABRvS dat de vaststelling van de subsidie krachtens deze bepaling geen discretionaire bevoegdheid van de minister is en dus geen ruimte laat voor een belangenafweging.2
Zie voorts artikel 16, tweede lid, van de Regeling Structuurverbetering glastuinbouw waarin was bepaald dat de subsidievaststelling wordt geweigerd of ingetrokken indien de subsidieaanvrager niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 13. Ten slotte wijs ik op artikel 15, vierde lid, van de Regeling Europees Sociaal Fonds (1994-1999),3 ingevolge welke bepaling intrekking van de verleende subsidie plaatsvindt, indien de aanvrager de aan de subsidie verbonden voorwaarden niet of onvoldoende naleeft.
Tot de inwerkingtreding van de subsidietitel van de Awb was dit doorgaans niet problematisch.4
Een uitzondering op deze regel is aan de orde in een cm-uitspraak van 25 mei 2007.5 De van toepassing zijnde Europese Commissieverordening nr. 746/1996 bepaalde in artikel 20, tweede lid dat de lidstaten de regeling inzake sancties bij niet-naleving van de aangegane verbintenissen en bij schending van de geldende regelgeving ter zake vaststellen en voor de toepassing van deze sancties benodigde maatregelen dienden vast te stellen. Deze sancties dienden doeltreffend te zijn, in verhouding te staan tot de inbreuk en een afschrikwekkende werking te hebben. In de Regeling stimulering biologische productiemethode was in artikel 12 dwingend bepaald dat het recht op de bijdrage vervalt, indien de aanvrager de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen niet nakomt of in het kader van deze regeling onjuiste gegevens heeft verstrekt. Het CBb oordeelt dat deze bepaling weliswaar dwingend is geformuleerd, doch hieraan niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat de herroeping van een bijdrage dient te geschieden zonder dat rekening kan worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het voorliggende geval.6 Een zodanige strikte toepassing van artikel 12 kan leiden tot een uitkomst die een onaanvaardbare overschrijding betekent van de grenzen van hetgeen onder de omstandigheden van het betrokken geval evenredig is te achten. Het CBb acht bij de beoordeling met hoeveel de subsidie moet worden verminderd het gedifferentieerde sanctiestelsel dat geldt voor ELGF-subsidies van belang. In de Commissieverordening nr. 746/1996 wordt wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem wat betreft de controles verwezen naar de Commissieverordening nr. 3887/19927 waarin een gedifferentieerd sanctiestelsel is neergelegd. Het CBb oordeelt dan ook dat het besluit tot intrekking en terugvordering van de Europese subsidie niet berust op een deugdelijke motivering. Verschil met het EsF-arrest is dat in de toepasselijke Europese verordening geen verplichting tot terugvordering in geval van onregelmatigheden was opgenomen te vergelijken met artikel 23 van de Coeirdinatieverordening.
Sinds de inwerkingtreding van de subsidietitel is dit anders komen te liggen, nu er in de subsidietitel van de Awb juist voor is gekozen discretionaire bevoegdheden op te nemen. Op grond daarvan moet een belangenafweging plaatsvinden tussen het belang van de subsidieontvanger de subsidie te behouden en het belang van het nationale uitvoeringsorgaan bij de handhaving van de toepasselijke subsidieregels.8 Het bestuursorgaan kan ervoor kiezen om de te verrichten belangenafweging uit te werken in een beleidsregel. Daarin kan worden vastgelegd in welke gevallen een bestuursorgaan er voor zal kiezen om de subsidie geheel in te trekken. De discretionaire bevoegdheid transformeert in zoverre als het ware tot een gebonden bevoegdheid (het zogenoemde 'dichtregelen'), zij het dat op grond van artikel 4:84 van de Awb van een beleidsregel kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Het 'dichtregelen' van de discretionaire sanctiebepalingen van de subsidietitel van de Awb in beleidsregels is niet bezwaarlijk, hoewel wel in het oog moet worden gehouden dat niet snel wordt aangenomen dat van bijzondere omstandigheden sprake is.
Het komt regelmatig voor dat de discretionaire bevoegdheden niet worden dichtgeregeld in beleidsregels, maar in algemeen verbindende voorschriften die zijn neergelegd in bijzondere subsidieregelingen. De vraag rijst of het is toegestaan om discretionaire bevoegdheden tot het opleggen van sancties die zijn neergelegd in de subsidietitel van de Awb in lagere subsidieregelgeving 'dicht te regelen'. Gevolg hiervan is immers dat het subsidieverstrekkende bestuursorgaan in geen enkel geval een individuele belangenafweging meer hoeft te maken. Deze constructie zou problematisch kunnen zijn wanneer de lagere regelgever hetzelfde orgaan is als het orgaan dat als bestuursorgaan op grond van de Awb-bepalingen is gehouden tot het maken van belangenafwegingen.9 In dat geval ontstaat immers de indruk dat het desbetreffende bestuursorgaan zichzelf van deze verplichting ontslaat. Het zou echter ook problematisch kunnen zijn indien een andere regelgever — de Kroon per Amvb - discretionaire bevoegdheden gaat inperken. Dan gaat het immers niet langer om zelfbinding door het nationale uitvoeringsorgaan.10
De wetsgeschiedenis van de subsidietitel van de Awb geeft over dit vraagstuk geen uitsluitsel.11 De memorie van toelichting bij de sanctiebepalingen van titel 4.2 van de Awb stelt de belangenafweging die een nationaal uitvoeringsorgaan op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb bij het gebruik van de sanctiebevoegdheden moet maken voorop.12 Dit duidt erop dat de wetgever is uitgegaan van de onverkorte aanwending van de discretionaire bevoegdheid door het bevoegde bestuursorgaan.13 In de memorie van toelichting valt echter ook te lezen dat indien niet aan de subsidieverplichtingen is voldaan, voor zover de (materiële) wetgever dat niet reeds heeft gedaan, eveneens een afweging moet worden gemaakt tussen het belang van handhaving van de verplichting en de gevolgen van de verlaging voor de ontvangers. Den Ouden, Jacobs en Verheij leiden hieruit terecht af dat blijkens deze passage een andere invulling van de discretionaire bevoegdheden door de materiële wetgever dus wel mogelijk wordt geacht.14 Dit houdt in dat in de bijzondere subsidieregelgeving, zoals de Subsidieregeling ESF 2007-2013 of de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer, een nadere regeling van de discretionaire bevoegdheden van de Awb kan worden neergelegd.15
De ABRvS heeft in de uitspraak van 30 augustus 2006 erkend dat het mogelijk is om de discretionaire bevoegdheden die zijn neergelegd in de subsidietitel van de Awb 'dicht te regelen' in een lagere subsidieregeling.16 In die gevallen is voor een belangenafweging geen plaats meer. De Centrale Raad van Beroep is een andere mening toegedaan. In uitspraken van 30 januari 200817 en 14 februari 200818 komt de Raad tot het oordeel dat de in de Awb geregelde discretionaire bevoegdheden van een subsidieverstrekker om subsidies — in dit geval ging het om een persoonsgebonden budget — lager vast te stellen en terug te vorderen niet bij ministeriële regeling mag worden getransformeerd in een gebonden bevoegdheid. Volgens de Centrale Raad zijn dergelijke bepalingen niet verbindend. Dit standpunt wordt door de Centrale Raad echter niet nader gemotiveerd.
In een uitspraak van 12 november 2008 nuanceert de ABRvS de uitspraak van 30 augustus 2006. De ABRvS overweegt dat de in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb neergelegde discretionaire bevoegdheid alleen kan worden begrensd door de desbetreffende bijzondere subsidieregeling, op gronden die verband houden met de aard en het doel van de daarin voorziene subsidies.19Volgens de ABRvS kan in een dergelijke regeling de in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb geëiste belangenafweging voor bepaalde in dat artikellid vermelde gevallen in algemene zin worden verricht en op grond daarvan worden bepaald dat het bestuursorgaan in die gevallen verplicht is tot lagere vaststelling.20 De ABRvS houdt dus vast aan het uitgangspunt dat de discretionaire bevoegdheid van artikel 4:46 van de Awb in een lagere subsidieregeling mag worden beperkt, maar geeft daarbij wel een grens aan.21 De discretionaire bevoegdheid kan namelijk alleen worden begrensd op gronden die verband houden met de aard en het doel van de daarin voorziene subsidies. Den Ouden, Jacobs en Verheij geven aan dat het gaat om gevallen waarin de belangenafweging die artikel 4:46 van de Awb vraagt voor een bepaald beleidsterrein in het algemeen kan of zelfs bij voorkeur moet worden gemaakt door de materiële wetgever.22 In de uitspraak van 12 november 2008 ging het om een Europese subsidiezaak waarin de beëindiging van landbouwactiviteiten werd gesubsidieerd. Op grond van de Europese staatssteunregels, mochten alleen subsidies worden verstrekt als die beëindiging een permanent en definitief karakter had. Het verlenen van een subsidie, ook als niet alle glasopstanden en de daarbij behorende bedrijfsgebouwen zijn afgebroken en verwijderd, is daarmee niet in overeenstemming. Door in de bijzondere subsidieregeling neer te leggen dat de subsidie op nihil moet worden vastgesteld indien niet aan voormelde verplichting is voldaan, is nakoming van de Europese regels het best gegarandeerd.23
Voor voormelde benaderingswijze van de ABRvS valt veel te zeggen. Hiermee wordt immers voorkomen dat bestuursorganen discretionaire bevoegdheden dichtregelen zonder dat daarvoor een goede reden bestaat. De door de ABRvS aangebrachte begrenzing zou mijns inziens ook kunnen zien op de omstandigheid dat sprake is van een Europese subsidie waarvoor op grond van het Europese recht een verplichting tot terugvordering geldt. In dat geval zou een inperking van de discretionaire sanctiebevoegdheden van de subsidietitel van de Awb niet problematisch zijn.
Uit de uitspraak van de CRvB van 22 september 2010 lijkt te volgen dat de Raad vasthoudt aan de opvatting dat van dichtregelen van discretionaire sanctiebevoegdheden neergelegd in een formele wet, in lagere regelgeving geen sprake kan zijn.24 Aangetekend zij wel dat het om een enkelvoudige uitspraak ging.