De turboliquidatie van de Besloten Vennootschap
Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.5.3:8.5.3 De resuscito-leer
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.5.3
8.5.3 De resuscito-leer
Documentgegevens:
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS388764:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Snijder-Kuipers, Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:19 BW, aant. 7, Deventer: Kluwer 2012.
Rb. Arnhem 27 september 2005, LJN AU5572.
Renssen 2013-1, p. 97-98.
Hof ’s-Hertogenbosch 27 januari 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:207.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De in mindere mate verdedigde resuscito-leer, waarbij artikel 2:23c lid 1 BW prevaleert boven artikel 2:19 lid 5 BW wordt onder meer aangehangen door Snijder-Kuipers. Als redelijke bedoeling van de wetgever mag worden aangenomen dat een rechtspersoon in de tijd dat hij heeft opgehouden te bestaan (na ontbinding via turboliquidatie of na beëindiging van een vereffeningsprocedure in geval van een ‘reguliere’ ontbinding) niet in een gerechtelijke procedure kan optreden. Een schuldeiser die – bijvoorbeeld nadat bekend wordt dat er ten tijde van ontbinding nog een bate bestond – de rechtspersoon in rechte wil betrekken, zal een verzoek tot heropening van de vereffening ex artikel 2:23c lid 1 BW in moeten dienen, aldus Snijder-Kuipers.1 Ook de rechtbank Arnhem is voorstander van deze visie. Volgens de rechtbank2 volgt uit artikel 2:19 lid 4 BW dat wanneer er ten tijde van het ontbindingsbesluit geen bekende baten bestaan, de ontbinding van de BV ertoe leidt dat de BV direct ophoudt te bestaan. Voor schuldeisers die zich willen verhalen op het vermogen van een turbogeliquideerde BV rest slechts de weg van artikel 2:23c lid 1 BW. De rechtbank kent hiermee dus geen betekenis toe aan artikel 2:19 lid 5 BW.3
Ook het hof ’s-Hertogenbosch laat artikel 2:23c lid 1 BW prevaleren boven artikel 2:19 lid 5 BW.4