Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.3.3:8.3.3 Commentaar
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/8.3.3
8.3.3 Commentaar
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233765:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4549, NJ 2010/388, m.nt. Alkema, AB 2010/190, m.nt. Van Ommeren, JB 2010/115, m.nt. Schutgens en Sillen.
Zie r.o. 4.5.5, tweede alinea.
Zie daarover bijv. Schutgens en Sillen 2010.
Zie r.o. 4.6.2. Kritisch over deze uitkomst is bijv. Verhey 2011.
Uzman 2013, p. 185.
HR 21 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8462, NJ 2003/691, m.nt. Koopmans, AB 2004/39, m.nt. Backes, SEW 2004/31, m.nt. Besselink, r.o. 3.5, eerste alinea.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Anders dan de rechtspraak over het toetsingsverbod, doet de rechtspraak van de Hoge Raad over wetgevingsbevelen op het eerste gezicht minder aan een political question-doctrine denken. Daarbij moet worden bedacht dat de vraag of de rechter een wetgevingsbevel kan geven in beginsel eerst aan de orde komt nadat hij heeft vastgesteld dat wetgeving tot stand moet komen. Daarmee staat deze rechtspraak op zichzelf niet aan een inhoudelijke beoordeling in de weg. Het Thuiskopieheffing-arrest, waarin de Hoge Raad duidelijk maakte dat een verklaring voor recht wel tot de mogelijkheden behoort, bevestigt dit.
Illustratief hiervoor is ook het reeds in het vorige hoofdstuk besproken SGP-arrest uit 2010.1 Zoals beschreven, moest de Hoge Raad zich daarin uitlaten over de uitsluiting van het passief kiesrecht van vrouwen binnen de SGP. Voor vrouwen was het daardoor niet mogelijk om zich namens deze partij verkiesbaar te stellen. De vraag was of dit standpunt in strijd was met artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag en, zo ja, of de Staat gehouden was daartegen op te treden. De Hoge Raad beantwoordde beide vragen bevestigend. Daartoe overwoog hij dat de zojuist genoemde verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft en dat de SGP daarmee in strijd handelde. Aan dit recht kwam volgens de Hoge Raad een zwaarder gewicht toe dan de vrijheid van godsdienst en vereniging waarop de SGP zich beriep:
‘Uit het voorgaande volgt dat de inbreuk die de SGP maakt op het door de Grondwet en de genoemde verdragen gewaarborgde grondrecht van vrouwen om op gelijke voet als mannen toegelaten te worden tot het passief kiesrecht, niet wordt gerechtvaardigd doordat haar opvatting ten aanzien van de roeping en de plaats van de vrouw in de maatschappij direct wortelt in haar godsdienstige overtuiging. Weliswaar kan die opvatting haar niet worden ontzegd en is de burgerlijke rechter zelfs niet bevoegd een oordeel te geven over de vraag of die opvatting een meer of minder belangrijke plaats inneemt in het geloof van de leden van de partij, en weliswaar eist een democratische rechtsorde tolerantie ten opzichte van in geloofsovertuiging of levensbeschouwing gewortelde opvattingen. Dat alles staat echter niet eraan in de weg dat de rechter uitspreekt dat de wijze waarop de SGP bij de kandidaatstelling voor de algemeen vertegenwoordigende organen haar opvatting in praktijk brengt, niet kan worden aanvaard.’2
De Hoge Raad overwoog vervolgens dat de Staat gehouden was maatregelen te treffen die er daadwerkelijk toe zouden leiden dat de SGP alsnog het passief kiesrecht aan vrouwen zou toekennen. Over de wijze waarop de Staat dat moest doen, liet de Hoge Raad zich echter niet uit. Daarbij merkte hij op dat de Staat weliswaar moest kiezen voor maatregelen die effectief zouden zijn, maar die tegelijkertijd de minste inbreuk zouden maken op de grondrechten van de SGP en haar leden.3 Onder verwijzing naar Waterpakt voegde de Hoge Raad hieraan toe dat er voor de rechter geen ruimte was om met een wetgevingsbevel de Staat te gebieden bepaalde wetgeving tot stand te brengen of specifieke maatregelen te treffen:
‘Daarmee is evenwel niet gezegd dat de rechter bevoegd of in staat zou zijn de Staat te bevelen specifieke maatregelen te treffen om een einde te maken aan de discriminatie van de SGP ten aanzien van het passief kiesrecht van haar vrouwelijke leden. Zoals is beslist in [Waterpakt], mist de rechter de bevoegdheid de Staat te bevelen wetgeving in formele zin tot stand te brengen. Het incidentele middel […] bestrijdt dit tevergeefs. Nog daargelaten dat [eisers] niet […] hebben aangegeven welke andere specifieke maatregelen de Staat zou kunnen treffen (buiten het hierna nog te behandelen subsidieverbod), is in het onderhavige geval, waar het gaat om de verhouding tussen de Staat en een politieke partij, voor een rechterlijk gebod tot het treffen van specifieke maatregelen ter voldoening aan artikel 7 Vrouwenverdrag in beginsel evenmin plaats, omdat de keuze van dergelijke door de Staat te treffen maatregelen een afweging van belangen vergt die in zodanige mate samenvalt met afwegingen van politieke aard, dat zij niet van de rechter kan worden verlangd.’4
Ook dit oordeel illustreert dat de afwijzing van wetgevingsbevelen door de Hoge Raad er niet op voorhand aan in de weg staat dat de rechter zich inhoudelijk over het geschil uitspreekt. De discussie over wetgevingsbevelen raakt in zoverre eerst en vooral aan de rechterlijke remedie.
Dit alles laat onverlet dat de redenen die de Hoge Raad aan zijn resolute afwijzing van wetgevingsbevelen ten grondslag heeft gelegd bij uitstek raken aan de positie van de rechter ten opzichte van de andere staatsmachten. Deze redenen hangen, zoals hiervoor is gebleken, samen met de machtenscheiding en het primaat van de wetgever: of wetgeving tot stand moet komen en, zo ja, met welke inhoud, is afhankelijk van politieke besluitvorming en vergt een afweging van alle betrokken belangen. Anders gezegd: de vaststelling of intrekking van wetgeving is een kwestie van hogere politiek.5 Illustratief hiervoor is ook de overweging van de Hoge Raad in het Waterpakt-arrest dat de wetgever het desgewenst kan laten aankomen op een inbreukprocedure door de Europese Commissie:
‘Evenzeer is het een kwestie van politieke beoordeling of de Staat, wanneer niet, niet tijdig of niet op de juiste wijze formele wetgeving is tot stand gebracht ter implementatie van een richtlijn, het wil laten aankomen op een eventuele inbreukprocedure.’6