Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.2.1
8.2.1 Is de overeenkomst of toezegging bevoegd tot stand gekomen of gedaan?
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685329:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 2 januari 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1, BR 2018/21.
In Hof ’s-Hertogenbosch 26 maart 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:1139 heeft een gemeentelijke projectleider erop gewezen dat zijn aanbod tot verwerving van grond werd gedaan onder voorbehoud van goedkeuring door het college van B&W. Hierop heeft hij ook in zijn latere correspondentie gewezen. Het is dan aan de burger om argumenten aan te voeren waarom hij – ondanks die voorbehouden – erop mocht vertrouwen dat het college van B&W gebonden was aan de toezeggingen van de projectleider.
Huisman & Van Ommeren 2019, par. 4.3. Zie bijv. het Hof van Twente-arrest: HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737, AB 2015/448, waarin sprake was van een voorbehoud van goedkeuring door de gemeenteraad. Het kan ook zo zijn dat ambtenaren een overeenkomst sluiten onder de opschortende voorwaarde van instemming van het college van B&W, zie HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1748, NJ 2012/471, AB 2013/204 (Almere/Weernekers e.a.). Zie over contracteren door het college van B&W over bevoegdheden van de gemeenteraad, Kortmann & Swagemakers 2016.
Dit is vooral bij het vaststellen van bestemmingsplannen het geval. Het college van B&W voert de onderhandelingen over het aangaan van een overeenkomst, terwijl de bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan op grond van art. 3.1 Wro bij de gemeenteraad ligt. Onder de toekomstige Omgevingswet heeft de wetgever een nieuwe, sterkere delegatiebevoegdheid van vaststelling van omgevingsplannen geïntroduceerd. Op grond van art. 2.8 lid 2 Omgevingswet heeft de gemeenteraad de bevoegdheid om vaststelling van delen van het omgevingsplan te delegeren aan het college van B&W.
Doornhof, Janssen & Moeskert 2016. Het vertrouwensbeginsel kan de bevoegdheidsverdeling niet doorkruisen. Het vertrouwen moet in zo’n geval mede worden ontleend aan de gemeenteraad zelf, zie bijv. ABRvS 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1327.
Annotatie P.J. Huisman in AB 2015/384 bij ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1372.
Zie bijv. Rb. Limburg 11 juli 2018, ECLI:NL:RBLIM:2018:6611, rov. 4.5.1: een eventuele toezegging bindt de gemeente niet, want de uitlating is afkomstig van een medewerker die niet bevoegd is tot besluitvorming en Hof ’s-Hertogenbosch 5 februari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:383, rov. 6.8.
Zie par. 3.3.
Het zal in de regel het overheidslichaam zijn dat zich beroept op het ontbreken van de bevoegdheid van de betreffende overheidsfunctionaris tot het aangaan van een rechtsgeldige rechtshandeling, zodat bekrachtiging niet snel aan de orde zal zijn.
Vgl. par. 6.3 over de toerekening van een toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan op grond van het ‘goede gronden’ criterium.
Zie onder andere Snijders 2016, hoofdstuk IV; Asser/Kortmann 3-III 2017/42 en Huisman & Van Ommeren 2019, hoofdstuk 4 met verwijzingen aldaar.
Dit moet dan uiteraard wel worden gesteld en bewezen. Anders wordt simpelweg aangenomen dat uitlatingen de overheid niet konden binden. Zie bijv. Rb. Utrecht 7 juli 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BN0778, rov. 4.9.
HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223, NJ 1993/287, AB 1993/338 (Felix/Aruba).
Snijders 2016, p. 39-41 en HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:142, NJ 2017/78. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juli 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:5635, rov. 5.20 en rov. 5.21: uitvoering van de toezegging is onvoldoende om gebondenheid aan te nemen. Die gedragingen kunnen ook zien op nalaten. Indien het bevoegde orgaan niet tijdig ingrijpt in de aanwezigheid van onjuiste veronderstellingen, kan dat onder omstandigheden voor zijn risico komen. Zie ook Rb. Den Haag 17 oktober 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:12400, rov. 4.4 waarin bewoners hadden vertrouwd op een kopersnieuwsbrief die buiten de gemeente om tot stand is gekomen.
HR 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2734, NJ 1999/581 (Hartman/Bakker).
HR 26 september 2003, JOR 2004/32 (Regiopolitie Gelderland-Zuid/Hovax BV). Zie hierover Asser/Kortmann 3-III 2017/37.
HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223, NJ 1993/287, AB 1993/338 (Felix/Aruba).
Namelijk dat hij in de loop van de, in een vergevorderd stadium verkerende, onderhandelingen al aanzienlijke investeringen op de luchthaven had verricht en gedurende negen maanden reeds 400 vliegtuigen had afgehandeld.
HR 27 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZB1223, NJ 1993/287, AB 1993/338, rov. 3.3. Ackermans 1999 heeft opgemerkt dat die criteria tevens een mooie staalkaart vormen voor de beantwoording van de vraag of de overheid onrechtmatig heeft gehandeld wegens onbevoegd handelen. Zie ook Menu 1994, p. 128. Volgens Menu kan het Babbelcriterium, voor zover onbevoegde toezeggingen in het kader van een onrechtmatige daad worden beoordeeld, alleen op adequate wijze worden toegepast wanneer dezelfde toerekeningsmaatstaven worden gehanteerd die ten grondslag liggen aan het criterium ‘toerekenbare schijn van bevoegdheid’ (p. 132-139).
Rb. Overijssel 6 april 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1541.
Rb. Overijssel 6 april 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:1541, rov. 4.16.
Rb. Noord-Holland 26 januari 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:368, rov. 4.15.
Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9555. Zie voor nog een zaak over toezeggingen van wethouders die de (gehele) gemeente bonden Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:3989, rov. 2.11-2.14, waarin het hof tot het oordeel kwam dat benadeelden erop mochten vertrouwen dat de wethouders intern maatregelen hadden genomen om een bindende regeling te treffen en dat zij op nakoming van de toezeggingen mochten rekenen dat zij winkelunits aan een nieuwe winkellocatie zouden kunnen kopen. Voor de schadevaststelling wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Opvallend is dat het hof overweegt dat het ‘slechts’ gaat om toezeggingen door of namens de gemeente en niet om besluiten of het sluiten van overeenkomsten, zodat de bevoegdheid geen doorslaggevende rol speelt (rov. 2.14).
Hof ’s-Hertogenbosch 22 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9555, rov. 4.7.
Kobussen 1991, p. 153 stelt dat op het overheidslichaam een plicht rust om aan een wederpartij mededelingen te doen over de bevoegdheidsverdeling. Daartegenover staat dan een onderzoeksplicht van de wederpartij. Vandaag de dag ligt de risicoverdeling in het nadeel van de wederpartij van de overheid. Huisman & Van Ommeren 2019, p. 152 merken op dat hooggekwalificeerde professionals niet snel met succes een beroep kunnen doen op de schijn van bevoegdheid.
Huisman & Van Ommeren 2019, p. 145.
Bartels & Spierings 2010 hebben betoogd dat het hof in de Vitesse-zaak had kunnen oordelen dat de provincie gebonden was op grond van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid omdat het ontbreken van een voorbehoud in de risicosfeer van de provincie ligt.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 15 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:7764, rov. 3.25 en Rb. Rotterdam 31 augustus 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:7086. In Hof Den Haag 17 december 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3275, rov. 10 was in het geheel niet aangevoerd waarom een toezegging van een ambtenaar of wethouder aan de gemeente kon worden toegerekend. Zie ook Rb. Arnhem 27 januari 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BL4441, rov. 4.11 en Hof ’s-Hertogenbosch 25 september 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:3987, BR 2018/43, rov. 4.3: zonder toereikende volmacht hebben de wethouder en de ambtenaar niet de bevoegdheid de gemeente te binden aan toezeggingen en garanties.
Par. 6.3.
Rb. Arnhem 7 juni 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BE8709.
Zie Hof Arnhem 3 juni 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BD6676, rov. 4.29 voor de gedragingen die tot onrechtmatigheid leiden.
Hennekens 2010 klaagt dat het hof geen onderscheid maakt tussen de externe bevoegdheid tot vertegenwoordiging van de provincie en de interne bevoegdheid tot besluitvorming binnen de provincie. Het hof overweegt dat PS het vertegenwoordigend college van de provincie zijn. Op grond van art. 176 lid 1 Provinciewet is die bevoegdheid echter opgedragen aan de commissaris van de koning. Volgens hem had ten aanzien van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid daarom moeten worden gekeken naar de gedragingen van de commissaris, en niet naar PS. Hennekens noemt het arrest ‘onbegrijpelijk’. Langbroek 2010 is milder en acht het arrest begrijpelijk ‘zolang maar voor ogen wordt gehouden dat het ene vertrouwen het andere niet is’. Vitesse kon weliswaar op het woord van GS vertrouwen, maar niet op binding van de provincie aan de toezegging. Schutgens schrijft in zijn annotatie (JB 2010/173) dat in het arrest de balans tussen de bescherming van het individu en het algemeen belang in de richting van het algemeen belang is verschoven.
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, NJ 2010/371, AB 2010/334 (Gelderland/Vitesse I).
HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1309, NJ 2016/300, AB 2016/405 (Vitesse/Gelderland II).
HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1309, NJ 2016/300, AB 2016/405, rov. 3.11.2, waarin de Hoge Raad verwijst naar het Hof van Twente-arrest van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737, AB 2015/448.
HR 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1309, NJ 2016/300, AB 2016/405 (Vitesse/Gelderland II).
Dit oordeelde de rechtbank in de schadestaatprocedure. Het hof bekrachtigde het vonnis en dat arrest is bij de Hoge Raad in zijn arrest van 24 juni 2016 in stand gebleven.
Vgl. HR 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1737, AB 2015/448 (Hof van Twente), rov. 3.7.2. Dit is vergelijkbaar met het bestuursrecht waar in dat kader wordt gewezen op de machtenscheiding, zie par. 6.3.
Alleen een geldige rechtshandeling kan leiden tot een succesvolle vordering tot nakoming of schadevergoeding. Dit betekent onder andere dat een overeenkomst of toezegging bevoegd tot stand gekomen moet zijn of gedaan en de inhoud daarvan niet in strijd is met de wet. Dit maakt dat uitlatingen – hetzij van het bevoegd gezag, hetzij van een willekeurige ambtenaar of wethouder1 – niet kunnen leiden tot een verdergaande verplichting dan wettelijk is toegelaten.
In het kader van bevoegdhedenovereenkomsten wordt door onderhandelaars namens het betreffende overheidslichaam vaak een instemmings- of goedkeuringsvoorbehoud gemaakt.2 De onderhandelingen
met een private partij vinden dan plaats onder het voorbehoud van instemming van het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen te besluiten (op gemeentelijk niveau het college van B&W) of het bestuursorgaan dat bevoegd is de overeenkomst uit te voeren (bijvoorbeeld de gemeenteraad die bevoegd is een bestemmingsplan vast te stellen).3 De instemming of goedkeuring van het beslissingsbevoegde bestuursorgaan vormt dan een geldigheidsvereiste voor de bevoegdhedenovereenkomst.
Als het college van B&W een overeenkomst is aangegaan waarin afspraken staan over bevoegdheden van de gemeenteraad,4 toont de jurisprudentie aan dat zowel de bestuursrechter als de civiele rechter strikt handhaaft op de bevoegdheidsverdeling: de wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenteraad enerzijds en het college van B&W anderzijds is leidend.5
Om problemen bij de uitvoering van de overeenkomst te voorkomen, kunnen in geval van een overeenkomst aangaande een bestemmingsplan partijen de gemeenteraad betrekken bij de totstandkoming van de overeenkomst. Een gemeenteraad kan natuurlijk ook ‘gewoon’ – zonder dat hij daartoe juridisch verplicht is – besluiten conform hetgeen in de bevoegdhedenovereenkomst is overeengekomen. De mogelijkheid van een civiele procedure, het risico van het moeten betalen van schadevergoeding en politieke of maatschappelijke druk kunnen redenen zijn om besluiten te nemen conform de overeenkomst.6
Een onbevoegd gesloten overeenkomst of gedane toezegging is in beginsel ongeldig.7 In twee scenario’s kan alsnog tot een rechtsgeldige rechtshandeling worden gekomen. Ten eerste kan bekrachtiging van de rechtshandeling plaatsvinden en ten tweede kan sprake zijn van een schijn van een aan de bevoegde overheid toerekenbare vertegenwoordigingsbevoegdheid. In beide gevallen treden voor de rechtshandeling de gevolgen in alsof zij bevoegd – krachtens een volmacht8 – tot stand is gekomen.
Hieronder ga ik nader in op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid als middel om alsnog tot een rechtsgeldige rechtshandeling van de overheid te komen. Daarop doet een fidens in geval van een schending van vertrouwen in de totstandkomingsfase vaak een beroep.9
Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid10
Over de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij overheden bestaat de nodige literatuur en rechtspraak.11 Onder omstandigheden kan een teleurgestelde burger zich ondanks onbevoegd gedane uitlatingen beroepen op een gerechtvaardigde schijn van bevoegdheid van de persoon van wie de overheidsuitlating afkomstig is (artikel 3:61 lid 2 BW). De Hoge Raad heeft aanvaard dat voor een schijn van bevoegdheid ook plaats kan zijn als de wederpartij gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de bevoegdheid op grond van feiten en omstandigheden die voor risico komen van de onbevoegd vertegenwoordigde en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.12 Hierbij kan worden gedacht aan een onduidelijke bevoegdheidsverdeling binnen een overheid of de (hoge) functie en mate van kennis van de overheidsfunctionaris van wie de overheidsuitlating afkomstig is.13 Het vertrouwen mag niet uitsluitend zijn ontstaan door verklaringen of gedragingen van de onbevoegd handelend persoon: gedragingen van het bevoegde orgaan zullen in de regel nodig zijn.14 Wel kan uit de aanstelling van een persoon in een bepaalde functie een gerechtvaardigd vertrouwen volgen in de bevoegdheid van die persoon om rechtshandelingen te verrichten die naar verkeersopvattingen uit de vervulling van die functie voortvloeien (functionele risicotoerekening).15 Voor toepassing van artikel 3:61 lid 2 BW is kortom nodig dat de wederpartij redelijkerwijze mocht aannemen dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de pseudogevolmachtigde toereikend was, en dat hij daarop ook heeft vertrouwd.16
Het standaardarrest over de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid bij overheden is Felix/Aruba.17 Felix wilde op de internationale luchthaven van Aruba de afhandeling van kleinere vliegtuigen ter hand nemen. Om dit mogelijk te maken moest hij over ruimte beschikken in een oud stationsgebouw. Hij is in contact getreden met de luchthavenmeester, die was belast met de exploitatie van de luchthaven. De luchthavenmeester heeft stilzwijgend toestemming verleend dat een door Felix opgerichte club mocht gaan huren van de luchthaven. Felix heeft plannen gemaakt voor de ontwikkeling van zijn bedrijf en daarbij kosten gemaakt. In 1986 kwam de minister met het besluit dat het vervoer van bemanningsleden en/of passagiers van de kleinere vliegtuigen op de luchthaven uitsluitend door Aruba Air N.V. mocht worden uitgevoerd. Felix heeft zijn bedrijf daarop gesloten en vordert schadevergoeding bestaande uit gedane investeringen en gederfde winst als gevolg van het ministeriële besluit.
Nadat het Gerecht in eerste aanleg de vordering van Felix onverkort had toegewezen (omdat volgens het Gerecht de luchthavenmeester bevoegd was Aruba ter zake van het bedrijf van Felix te binden), heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba die toewijzing beperkt tot het door Felix ten gevolge van het ministeriële besluit geleden verlies. Volgens het Hof heeft Aruba zich ‘slechts’ onrechtmatig jegens Felix gedragen door hem niet te waarschuwen voor het risico dat de formele toestemming van Aruba achterwege zou blijven.
In zijn cassatieberoep voert Felix onder andere aan dat hij er gelet op de concrete omstandigheden18 op mocht vertrouwen dat de luchthavenmeester bevoegd was onderhandelingen met hem te voeren en dat het afbreken van onderhandelingen door Aruba in strijd was met de door Aruba jegens Felix in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid. Felix heeft gesteld dat hij op grond van de bewoordingen van de Beheersverordening Luchthavendienst erop had mogen vertrouwen dat de luchthavenmeester bevoegd was bindende toezeggingen jegens hem te doen. Eventuele onduidelijkheid daaromtrent dient voor rekening te komen van Aruba.
De Hoge Raad casseert en oordeelt dat bij een beroep op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid moet worden gekeken naar de mate van duidelijkheid, toegankelijkheid, en inzichtelijkheid van de bevoegdheidsverdeling binnen het desbetreffende overheidslichaam, wie de schijn heeft gewekt, het gedrag of nalaten van de overheid zelf en de persoonlijke positie en hoedanigheid van de vertrouwende burger.19 De omstandigheden waaronder het vertrouwen is gewekt worden afgezet tegen de belangen van de vertrouwende burger. Die afweging kan tot de conclusie leiden dat de gevolgen van onbevoegd gewekte verwachtingen voor risico van de overheid komen.
In de praktijk doet een burger vooral een beroep op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid op gemeentelijk niveau.
In een vonnis van de Rechtbank Overijssel20 had eiser gesteld dat een wethouder met de portefeuille vastgoed had toegezegd dat aanvullende grond zou worden geleverd, en dat die toezegging vervolgens door een ambtenaar (een juridisch medewerker bij de gemeente) per email is bevestigd. Nu de gemeente had erkend dat een bezoek van de wethouder aan eiser had plaatsgevonden en dat in dat gesprek over aanvullende verkoop was gesproken, mocht eiser veronderstellen dat de daaropvolgende e-mail de opvatting van het college van B&W – bij wie de bevoegdheid tot verkoop rust – vertolkte. De rechtbank overweegt – aan de hand van het stappenplan van de Dakterras-uitspraak – dat ‘de gedane toezegging derhalve toerekenbaar [is] aan het college van B&W en daarmee aan de gemeente Almelo als rechtspersoon’.21
Ditzelfde gebeurt in een zaak bij de Rechtbank Noord-Holland over toezeggingen aan bewoners van een woonwagencentrum dat zij mogen bepalen aan wie vrijgekomen woonwagenstandplaatsen worden toegewezen. De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de gemeente dat de toezeggingen niet bevoegd zijn gedaan met verwijzing naar de Dakterras-uitspraak22:
“Het verweer van de gemeente dat de toezegging niet kan worden toegerekend aan het college en/of de gemeenteraad die het toewijzingsbeleid vaststelt, verwerpt de rechtbank. De (herhaalde) toezegging, vastgelegd in schriftelijke stukken, is gedaan door [rrr] en [ttt] in het bijzijn van [sss]. Dat zijn personen die uit hoofde van hun functie bij de gemeente redelijkerwijs de indruk wekten van een welbewuste standpuntbepaling namens de gemeente. [eiser] en de overige bewoners van het woonwagencentrum mochten naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van alle feiten en omstandigheden, veronderstellen dat deze personen de opvatting van het bevoegde orgaan vertolkten, te meer omdat uit geen enkel document blijkt van enig voorbehoud van gemeentelijke zijde.”
Deze aansluiting van de civiele rechter bij het bestuursrechtelijke ‘goede gronden criterium’ lijkt mij vanuit het perspectief van rechtseenheid wenselijk. De bestuursrechtelijke invulling van de civielrechtelijke ‘schijn’ is immers evengoed van toepassing op het overheidshandelen dat aan de orde wordt gesteld met het aanwenden van civielrechtelijke rechtsmiddelen.
In een andere zaak nam het Hof ’s-Hertogenbosch een schijn van vertegenwoordiging aan bij een wethouder die uitlatingen had gedaan over een bevoegdheid van het college van B&W van de gemeente Aalburg, namelijk het invorderen van dwangsommen die waren opgelegd wegens met het bestemmingsplan strijdig gebruik en wegens bebouwing zonder bouwvergunning.23 Appellant wilde in gesprek over een oplos-sing naar aanleiding van de invordering door de gemeente van de verbeurde dwangsommen. Het gesprek vond plaats met de portefeuille-houdende wethouder en twee ambtenaren en is nadien gevolgd door correspondentie tussen betrokkenen. De wethouder heeft toegezegd dat de verbeurde dwangsommen niet zouden worden geïncasseerd. Door de gemeente wordt erkend dat appellant en zijn advocaat niet zijn geattendeerd op de onbevoegdheid van de wethouder om die afspraken te maken. Evenmin is een voorbehoud van goedkeuring door het college van B&W van de afspraken gemaakt. Het hof overweegt tegen die achtergrond:
“Mede gelet op de positie van een wethouder ten opzichte van burgers die met de gemeente in contact treden, is het hof van oordeel dat hiermee de schijn van vertegenwoordiging van het College door de wethouder is ontstaan en dat dit naar verkeersopvatting voor risico van de gemeente komt. Indien de wethouder in het kader van dit overleg toezeggingen heeft gedaan, kan [appellant] de gemeente daaraan houden.”24
In ieder geval professionele partijen moeten beseffen dat een willekeurige overheidsfunctionaris zonder rechtsgeldig mandaat niet de bevoegdheid heeft om een bestuursorgaan te binden ten aanzien van de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden. Het is echter niet altijd nodig dat een burger contact heeft gehad met het hele college van B&W of dat expliciet namens het college is gesproken. Een combinatie van contact met een wethouder met de relevante portefeuille en e-mailcontact met een relevante ambtenaar kan voldoende zijn om een rechtsgeldige rechtshandeling aan te nemen die de gemeente bindt tot bijvoorbeeld het nakomen van een privaatrechtelijke overeenkomst. Voor overheidsfunctionarissen met een hoge functie die onbevoegde toezeggingen doen en een burger gemakkelijk hadden kunnen wijzen op de grenzen van hun bevoegdheid, kan gelden dat die toezeggingen voor risico van het bevoegde orgaan komen. Zulke overheidsfunctionarissen moeten een duidelijk voorbehoud maken over de grenzen aan en beperkingen van hun bevoegdheden om te voorkomen dat zij op grond van een schijn van vertegenwoordiging de overheid binden. Voor die invulling van de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan de civiele rechter mijns inziens nadere aansluiting zoeken bij het goede gronden criterium zoals ontwikkeld door de bestuursrechter bij stap 2 van het vertrouwensbeginsel, hetgeen hij soms ook al doet.
Net als in het bestuursrecht zijn er in het civiele recht twee niveaus waarop vragen over bevoegdheid kunnen ontstaan. Ten eerste het zojuist behandelde toerekenen van uitlatingen van een overheidsfunctionaris aan het bevoegde bestuursorgaan en ten tweede bevoegdheidsproblemen indien overheidsorganen uitlatingen doen over bevoegdheden van andere overheidsorganen.
In dat tweede geval kan het bijvoorbeeld gaan om de bevoegdheidsverdeling tussen het college van B&W en de gemeenteraad bij publiekrechtelijke besluitvorming. Burgers – vooral professionele partijen – worden geacht van de bevoegdheidsverdeling tussen bestuursorganen op de hoogte te zijn.25 In ieder geval moeten zij de (grond)wettelijke hoofdstructuur kennen van de Staat, provincie en gemeente.26
Gelet op het gewicht dat in een democratische rechtsstaat toekomt aan de wettelijke bevoegdheidsverdeling,27 bestaat slechts onder zeer bijzondere omstandigheden ruimte voor het oordeel dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid voor risico van het betrokken bestuursorgaan komt.28 Ditzelfde geldt in het bestuursrecht.29
Een zaak die een beroep op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid op het niveau van bestuursorganen goed illustreert, is de beroemde saga over de noodlijdende voetbalclub Vitesse waarin zowel een overeenkomst, een toezegging als onjuiste informatieverstrekking aan de orde komt. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Gelderland hebben in een bespreking naar aanleiding van geldnood van de voetbalclub aan Vitesse een toezegging gedaan dat de provincie de huurprijs voor het stadion zou verlagen. Echter, niet GS, maar Provinciale Staten (PS) waren voor het besluit tot het aangaan van die rechtshandeling bevoegd. PS wilden geen uitvoering geven aan de toezegging tot huurverlaging. Vitesse betrok de provincie in een civiele procedure en vorderde schadevergoeding, primair op grond van een schending van de toezegging (toerekenbare tekortkoming) en subsidiair omdat de provincie onrechtmatig heeft gehandeld door zonder enig voorbehoud de toezegging te doen.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake was van een concrete, bindende toezegging in die zin dat de provincie ervoor zou zorgen dat de huur van het stadion zou worden verlaagd. GS hebben slechts een inspanningsverplichting op zich willen nemen om een verlaging van de huur mogelijk te maken. Aan die verplichting hebben zij voldaan.30
Het hof oordeelt dat de provincie en Vitesse weliswaar geen overeenkomst hadden gesloten (en de vordering daarom op de primaire grondslag niet kan slagen), maar dat de provincie Vitesse wél op het verkeerde been heeft gezet door onvoldoende duidelijk te maken wat de bevoegdheden waren van GS. Het handelen van GS heeft in het maatschappelijk verkeer te gelden als handelen van de provincie en kan daarom aan de provincie worden toegerekend.31 Volgens het hof mocht Vitesse erop vertrouwen dat GS intern maatregelen hadden genomen om een voor de provincie bindende regeling te treffen, zodat het niet inlichten van Vitesse over de eigen bevoegdheden onrechtmatig is. De provincie is aansprakelijk voor het doen van een onjuiste toezegging (omdat GS ten onrechte geen voorbehoud ten aanzien van hun bevoegdheden hadden gemaakt), niet voor de niet-nakoming van een toezegging.32
De Hoge Raad verwerpt het door Vitesse ingestelde cassatieberoep en wijst ten aanzien van de begrijpelijkheid van dit oordeel over de gerechtvaardigdheid van het vertrouwen van Vitesse op de uitlatingen onder andere op de crisissituatie en het gegeven dat GS het initiatief hebben genomen tot de bespreking waarin de huurprijsverlaging is toegezegd.33
In de daaropvolgende schadestaatprocedure heeft de Hoge Raad nader inzicht gegeven in de verhouding tussen honorering van de toezegging en de grondslag van onjuiste informatieverstrekking (namelijk: het niet of onvoldoende informeren over de eigen bevoegdheden).34 De primaire vordering tot nakoming van de toezegging had – aldus de Hoge Raad – sowieso geen kans van slagen, gelet op de wettelijke bevoegdheidsverdeling die tot grote terughoudendheid leidt bij het aannemen van gebondenheid van een overheid zonder instemming van het ter-zake volgens de wet bevoegde orgaan, in dit geval PS.35 De schadestaatprocedure kende voor Vitesse een teleurstellende afloop.36 De schade werd vastgesteld op 0 omdat er geen sprake was van een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de door Vitesse geleden schade omdat de kosten en financiële verplichtingen die Vitesse als gevolg van de toezegging is aangegaan, ook zouden zijn gemaakt respectievelijk aangegaan bij wetenschap dat voor de toezegging nog de instemming van PS vereist was.37 Er was niet aan het in paragraaf 9.5 te behandelen causaal verband voldaan.
In geval van een wettelijke bevoegdheidsverdeling tussen verschillende bestuursorganen is vrijwel geen ruimte om uitlatingen toe te rekenen aan een orgaan van wie de uitlatingen niet afkomstig zijn en dat niet met die uitlatingen heeft ingestemd. In dat geval wordt wel aangenomen dat altijd handelingen van het bevoegde orgaan nodig zijn om gerechtvaardigd op de uitlatingen te kunnen vertrouwen.38