Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.9:4.9 Samenvatting en conclusie
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.9
4.9 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362948:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook: Conclusie A-G Bobek van 7 september 2017 in de zaak C-298/16 (Ispas), punt 58 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Unierechtelijke beginselen kunnen rechtsreeks werken waardoor een belanghebbende ten overstaan van de nationale rechter een beroep kan doen op een dergelijk beginsel. Ten aanzien van het kenbaarmakingsbeginsel heeft het Hof van Justitie expliciet geoordeeld dat dit grondrecht rechtstreekse werking heeft. Rechtstreekse werking is alleen mogelijk als een lidstaat in een zaak gebonden is aan het Unierecht. Hiervan is sprake als het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. In een zaak waarin discussie bestaat over het kenbaarmakingsbeginsel dient eerst de vraag te worden beantwoord of het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Alleen als het antwoord op die vraag ja is, kan de belanghebbende een beroep doen op het kenbaarmakingsbeginsel. Als het antwoord nee is, dan is het kenbaarmakingsbeginsel in die zaak niet van toepassing. Hiermee kan de eerste stap worden geformuleerd van een stappenplan dat in dit onderzoek is ontwikkeld als een belanghebbende in een procedure een beroep doet op het kenbaarmakingsbeginsel:
Figuur 6
In situaties die onder de Wachauf-lijn of de ERT-lijn vallen, wordt het Unierecht ten uitvoer gebracht. Duidelijk is dat met het douanerecht en antidumpingrechten het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht. Hoe dit uitpakt voor de verschillende fiscale rechtsgebieden zal moeten worden uitgezocht (paragraaf 8.2). Voor het ten uitvoer brengen van het Unierecht is in ieder geval niet voldoende dat sprake is van een grensoverschrijdend element in een zaak. Er moet voldoende binding bestaan met het Unierecht (Annibaldi). In een zaak waarin geen grensoverschrijdende elementen zijn, kan toch sprake zijn van het ten uitvoer brengen van het Unierecht (Ullens de Schooten). Uit onder andere de zaken Åkerberg Fransson, en Siragusa blijkt, dat ter bepaling of sprake is van het ten uitvoer brengen van het Unierecht een drietal vragen kunnen worden gesteld:
Beoogt de lidstaat met de nationale regeling de uitvoering van een Unierechtelijke bepaling?
Wat is de aard van de nationale bepaling?
Streeft de nationale bepaling geen andere doelstellingen na dan die waarop het Unierecht ziet?
Deze vragen zijn daarbij mijns inziens een hulpmiddel, waarbij een bevestigend antwoord op de eerste vraag duidelijkheid geeft. Bij een ontkennend antwoord zullen de open tweede vraag en de deels open derde vraag meer duidelijkheid moeten geven. Ter beantwoording van de vraag of het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, is soms gedetailleerde kennis van een zaak noodzakelijk en de vraag is niet in alle zaken eenvoudig te beantwoorden.1 Bovendien bestaat onduidelijkheid over de exacte grenzen van het toepassingsgebied van het Unierecht. Zowel de grammaticale, historische als teleologische interpretatiemethode ten aanzien van artikel 51 van het Handvest geven weinig duidelijkheid over deze grenzen. Deze onduidelijkheid roept de vraag op of het voor de belastingdienst mogelijk is het kenbaarmakingsbeginsel in alle gevallen waarin het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht, toe te passen en in de andere gevallen niet.