Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/4.2
4.2 Voorlopige hechtenis
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200766:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Corstens spreekt bij ernstige bezwaren over een ‘stevige verdenking’. Zo kan volgens hem een anonieme tip voldoende grond voor een gewone verdenking opleveren, maar voor het kunnen toepassen van voorlopige hechtenis is aanvullend bewijs nodig, zoals een getuigenverklaring (vgl. Corstens, 2014: 450).
Dit kan zich voordoen als hetzelfde geval door twee verschillende officieren van justitie verschillend wordt beoordeeld. Soms wordt bijvoorbeeld een eerder toegezegde actie, zoals een voorgeleiding bij de rechter-commissaris, door een andere officier van justitie die de dienst overneemt, niet overgenomen (mogelijk door een wat andere presentatie van informatie door de politie).
Een groot aantal van de door politiemensen tijdens de interviews genoemde voorbeelden over het functioneren van het strafrecht, heeft betrekking op de toepassing van voorlopige hechtenis. Uit de interviews blijkt dat over voorlopige hechtenis vaak anders wordt besloten dan politiemensen wenselijk of noodzakelijk vinden. Hoewel zij beseffen dat er juridische grenzen zijn aan het gebruik van voorlopige hechtenis, willen zij over het algemeen dat verdachten vaker en langer in voorlopige hechtenis worden geplaatst.
Vermoedelijk hebben politiemensen in de praktijk meer en directer zicht op beslissingen over voorlopige hechtenis dan op sepotbeslissingen en uitspraken van de zittingsrechter. Indien de politie wil dat een verdachte wordt voorgeleid bij de rechter-commissaris, wordt daarover contact gezocht met het OM. Politiemensen raken vaak gefrustreerd als de officier van justitie dan tegen hun opvatting in besluit geen voorgeleiding te doen bij de rechter-commissaris, of wanneer de rechter-commissaris (al na korte tijd) een afwijkende beslissing blijkt te hebben genomen: door de vordering van voorlopige hechtenis af te wijzen of wanneer wel een bevel af wordt gegeven, maar de verdachte vervolgens uit de voorlopige hechtenis wordt geschorst.
De onvrede over de toepassing van voorlopige hechtenis kan voortkomen uit een gebrek aan juridische kennis. Ervaring met het toepassen van de regels speelt hierbij een belangrijke rol, maar ook het soort zaken waaraan politiemensen werken. Zo raakt een VVC-team (veelvoorkomende criminaliteit) of bijvoorbeeld een rechercheteam gericht op woninginbraak, waarschijnlijk vaker in discussie met de officier van justitie over de vraag of een voorgeleiding aan de orde is, dan bijvoorbeeld een rechercheteam dat zich bezighoudt met mensenhandel. Bij dit strafbare feit zal voorlopige hechtenis vaak wel aan de orde zijn, aangezien de wettelijke maximumstraf hiervoor voldoet aan de 12-jaarsgrond uit artikel 67a Sv. Het volgende voorbeeld geeft een aantal situaties aan waarin politiemensen ontevreden zijn over beslissingen van officieren van justitie en rechters.
‘Soms denk je, [een verdachte] komt wel vast te zitten tot de zitting. Maar dan worden het drie dagen en dan ziet de buurt hem [de verdachte] alweer rondlopen. Wij hebben te maken met een aangever en de getuigen gehoord: als je weet welke impact het heeft, dan valt het tegen. Hij [de verdachte] is dan uit zicht verdwenen, daar zit bij ons vaak frustratie.’
Voor politiemensen spelen vaak geheel andere overwegingen een rol dan die in het formele strafrecht gelden. Bij hun beoordeling van vragen rond voorlopige hechtenis zijn politiemensen geneigd uit te gaan van het perspectief van het slachtoffer of de buurt waar de strafbare feiten zijn gepleegd. Daarbij lijkt een deel van de politiemensen de toepassing van voorlopige hechtenis te beschouwen als het eerste strafrechtelijk vervolg op het politiewerk en als een ‘voorschot’ op de straf: er is een strafbaar feit gepleegd en daartegen dient volgens hen zo snel mogelijk, zichtbaar te worden opgetreden. Als gevolg hiervan komt in hun ogen toewijzing van de vordering tot voorlopige hechtenis met schorsende voorwaarden op hetzelfde neer als afwijzing van de vordering van de officier van justitie. Veel politiemensen menen dat schorsende voorwaarden weinig effect hebben op het gedrag van de verdachte en dat overtreding hiervan voor verdachten vaak geen (directe) consequenties heeft:
‘Schorsende voorwaarde: hij moet tussen zes en zeven thuis zijn. Dan gaan wij kijken of hij thuis is. Zo niet, dan moet ik een proces-verbaal van bevindingen uittikken en bij de vierde of vijfde keer kan worden gekeken of de schorsende voorwaarden weer omgezet kunnen worden in een bewaringstelling. Waarom niet meteen bij de eerste keer als iemand de voorwaarden overtreedt? Ik denk dat ze zich dan nog wel een keertje bedenken.’
Ook beoordelen politiemensen voorlopige hechtenis tegen de achtergrond van hun eigen inspanningen. Als een verdachte tegen hun wens in wordt ‘heengezonden’, ervaren ze daar soms later in hun werk last van te hebben. Soms wordt voorlopige hechtenis beschouwd als noodzakelijke eerste stap bij het oplossen van criminaliteitsproblemen in de wijk. Ook kan het mislukken van een poging om een verdachte in voorlopige hechtenis te krijgen worden ervaren als een inbreuk op het gezag van de politie. De verdachte wordt dan als het ware op voorsprong gezet ten opzichte van de politiemedewerkers die grip op de problemen willen krijgen.
‘Daar [op deze wijk] zit van alle kanten aanpak op. Maar toch zijn er excessen en daar treedt de politie tegen op, in goede samenwerking met het OM. Dan denken we een goede zaak te hebben, het OM besluit tot een voorgeleiding en de officier vraagt aan de RC om de tijd te verlengen en die zegt dan ‘nee’, en de verdachte wordt heengezonden. Onder voorwaarden of niet: wij hebben er last van.’
Extra inspanningen van onder meer de politie in bijvoorbeeld een problematische woonwijk, blijken door politiemensen als argument te worden gebruikt voor voorlopige hechtenis van een verdachte. De ernstige onrust in een woonwijk kan een reden zijn dat men voorlopige hechtenis wil, om zo te voorkomen dat iemand terugkeert en opnieuw grote onrust in zijn omgeving veroorzaakt:
‘Dit is zo’n kruitvat daar. Dat weet het OM en er is van alle kanten aanpak, maar de rechter-commissaris beslist toch om heen te zenden. (…) Als wordt gevraagd hoe dat komt, dan blijkt dat de rechter geen beeld had bij de problematiek die leeft in [de wijk]. Die staat wel kort benoemd in het PV, maar te weinig. Op het moment dat zo’n zaak zich weer voordoet, dan [willen we daar] een sfeer-pv bij maken waarin we laten zien wat we allemaal gedaan hebben en welke problematiek eronder zit. Om de rechter te informeren over wat er speelt, maar eigenlijk ook om hem te beïnvloeden: hou er rekening mee wat er speelt. (…) Het zijn een aantal Molukkers die al langere tijd bekend zijn, benoemd zijn in een doelgroep en waar we veel last van hebben. Ze gaan telkens tot de grens van het strafbare en gingen nu over de schreef.’
In de hier weergegeven opvatting lijken de juridische voorwaarden voor voorlopige hechtenis van ondergeschikt belang. Tegen de achtergrond van de onrust in de betreffende wijk en de impact daarvan op de bewoners, zouden de ‘ernst van de feiten’ in de individuele zaak en de al langer bestaande aandacht van de politie voor de betreffende verdachten, voor de rechter-commissaris of de rechtbank voldoende aanleiding moeten zijn om verdachten in voorlopige hechtenis te plaatsen of om die te verlengen. Niet het juridisch kader of de omstandigheden van de individuele verdachte, maar de urgentie van de problemen in de wijk staat hier centraal. De voorlopige hechtenis moet daarbij worden benut voor acute normering (straf) en ter beheersing van risico’s. Er kan bovendien een belangrijk signaal vanuit gaan naar de verdachten en bewoners:
‘Het feit is er ernstig genoeg voor en los van de technische kant had ik verwacht dat de rechter-commissaris had besloten tot in bewaringstelling, op zijn minst voor veertien dagen. Alleen al om een signaal af te geven. (…) Op het moment dat je dit soort dingen doet, dan moet je weten wat de reactie van politie, OM en de rechterlijke macht is. Dan zit je gewoon vast en dat is ook het beeld dat de politie had gewenst in dit geval.’
In gevallen waarin voorlopige hechtenis gewenst is, komt vaker de behoefte van politiemensen naar voren om aan officieren, rechter-commissarissen en rechters duidelijk te maken hoe ernstig de problemen zijn. Hierbij wordt regelmatig de beslissing over voorlopige hechtenis, waarschijnlijk door gebrek aan kennis daarvan, eenvoudig voorgesteld als een moreel of juist als een praktisch vraagstuk: is voorlopige hechtenis aangewezen (als voorschot op de straf) of nodig om criminaliteit tegen te gaan? Terwijl vanwege het juridisch kader de vraag is of er gronden (art. 67a Sv) en ernstige bezwaren zijn (is sprake van een ‘stevige verdenking’1?).
‘Twee weken geleden had ik horecadienst en toen werd via camera’s gezien dat iemand klappen kreeg. Wij stonden een straat verderop. Een kickbokser, de broer van een geruchtmakende man die ergens in de jaren ‘90 zijn vrouw en kind had vermoord. Die gozer tikt iemand tegen de grond en schopt tegen z’n hoofd, alsof hij een vrije trap nam. Echt heel, heel grof. We keken met afgrijzen naar die beelden. [Deze verdachte] is ook geschorst en naar huis gestuurd. Die man had dood kunnen zijn. (…) Als ze het hadden gezien, had hij gelijk negentig dagen gekregen. Zijn hoofd had eraf kunnen zijn. Het was een stevige kerel maar dit was echt heftig. (…) Misschien dat de belangen van het slachtoffer niet opwegen tegen die van de verdachte.’
‘Vroeger was misschien niet duidelijk waarom iemand in een uitzonderlijk geval werd voorgeleid. Als negen van de tien voorgeleidingen inbrekers zijn [is het criminaliteitsprobleem wel duidelijk] en denkt de rechter: “hé dat zijn wel een boel inbrekers tegenwoordig”.’
In hun beoordeling van vragen rond voorlopige hechtenis overheersen onder de geïnterviewde politiemensen opvattingen over de ernst van de feiten, morele verontwaardiging en de pragmatische behoefte om risico’s (voor burgers, maar ook voor de politie zelf) te beheersen en problemen aan te pakken. Deze overwegingen kunnen in een concrete zaak samengaan en elkaar versterken, zoals blijkt uit het volgende voorbeeld van een hoofdagent:
‘Iemand die een fiets heeft gestolen, wordt kort achtervolgd en die kunnen we naar de grond werken. Dan blijkt dat hij een doorgeladen vuurwapen op zak heeft. Ik denk dat hij hooguit twee dagen heeft vast gezeten. Het vuurwapen wordt onderzocht. Zijn er delicten mee gepleegd? Hij wordt heen gezonden. In mijn beleving moet dat niet kunnen met iemand die met een doorgeladen vuurwapen op zak loopt. Die moet vast tot de zitting. Wat staat er op het voorhanden hebben van een vuurwapen? Toch echt wel iets meer dan een paar dagen cel en de zaak verder afwachten. Ik vind die straffen niet goed. Als ik hem na drie dagen zie lopen, wat moet ik daar dan van denken als diender? Het gegeven dat je zo iemand drie dagen later weer tegen kan komen. Hij had een vuurwapen, hoe ga ik hem nu benaderen? Heeft hij een wapen? Ik vind het heel vreemd dat ik met zulke gedachten moet rondlopen.’
Een deel van de onvrede over de toepassing van voorlopige hechtenis heeft betrekking op veelplegers. Recidivegevaar is één van de mogelijke gronden voor voorlopige hechtenis. Dit schept verwachtingen bij politiemensen. Daarbij zijn ze geneigd de regels ruim op te vatten. De vraag of ook formeel aan de wet wordt voldaan, of aan een specifieke juridische eis, wordt vaak niet gesteld of krijgt weinig aandacht: het recht heeft hier in de eerste plaats een instrumentele functie. Ook zijn sommige werkwijzen in dit verband wel enigszins verwarrend. Zo kan worden gewezen op het verschijnsel dat veelplegers die hun straf hebben uitgezeten van de ‘veelplegerslijst’ af worden gehaald. Als een dergelijke veelpleger wordt aangehouden, wordt hij niet langer automatisch voorgeleid aan de rechter-commissaris. Pas wanneer deze persoon weer voldoende antecedenten heeft opgebouwd, komt hij weer op de veelplegerslijst.
In enkele gevallen klagen politiemensen over voor hen onbegrijpelijke verschillen in beoordeling, in voor hen zeer overeenkomstige gevallen. Het gevolg is dat zij het gevoel krijgen dat sprake is van willekeur bij de beslissingen die worden genomen over voorgeleiding en voorlopige hechtenis.2 Morele verontwaardiging of een gevoel van onrechtvaardigheid over de gang van zaken speelt hierbij vaak een rol:
‘De wegen van de RC zijn weleens ondoorgrondelijk. Een openlijk geweldzaak: Twee jongens en een meisje lopen door het park. Ze worden geslagen en geschopt door acht verdachten. Een slachtoffer, veertien of vijftien jaar, heeft een gebroken kaak en wordt daarmee opgenomen in het ziekenhuis. De verdachten zijn zestien en zeventien jaar oud. Ze worden allemaal aangehouden en voorgeleid. Vijf worden naar huis gestuurd met voorwaarden van de RC. Drie niet [zij worden in voorlopige hechtenis geplaatst] omdat ze antecedenten hadden of niet schoolgaand waren. Ik snap wel, die anderen zitten op school en die wil je niet ontregelen maar ze hebben wel een jongetje het ziekenhuis in geschopt en die kan ook niet naar school. Ik kan dat niet uitleggen.’
De onvrede van politiemensen over de toepassing van voorlopige hechtenis hangt ook samen met het feit dat zij merken dat het voorlopig op vrije voeten laten van de verdachte soms moeilijk is uit te leggen aan burgers, waaronder slachtoffers. Slachtoffers verwachten vaak een zichtbare, snelle reactie tegen de dader die hen onrecht aandeed. Als aan die verwachting niet wordt voldaan, richten slachtoffers en andere burgers zich met hun vragen en verontwaardiging vooral tot de politie. Politiemensen vinden het op hun beurt moeilijk uit te leggen waarom aan een volgens hen begrijpelijke behoefte aan het doen van recht niet is voldaan:
‘Als iemand belt om te vragen hoe het met zijn zaak staat, dan wordt vaak gevraagd: ‘Maar zit hij dan niet in de gevangenis?’ Nee, hij [de verdachte] heeft een briefje meegekregen waarop staat wanneer hij voor de rechter moet verschijnen. Soms kun je het wel uitleggen, maar er zijn een hoop lastige dingen in het strafrecht. Soms moet je blij zijn met een dagvaarding of met een boete van €250,-. Dat stelt ons teleur.’
Uit de vele voorbeelden die tijdens de interviews zijn genoemd ten aanzien van voorlopige hechtenis, komt vaak naar voren dat politiemensen deze vooral zien als een voorschot op de straf. Als een verdachte niet in voorlopige hechtenis wordt geplaatst, wordt dat vervolgens geïnterpreteerd als het achterwege blijven van een sanctie (die men wel gerechtvaardigd had gevonden). In dezelfde lijn wordt aan de voorlopige hechtenis een belangrijke symboolfunctie toegekend. Niet alleen naar de verdachte, maar ook naar de samenleving gaat er in de ogen van veel politiemensen een belangrijk signaal vanuit. Behalve deze straf- en symboolfunctie heeft de voorlopige hechtenis een belangrijke politie-interne functie. Zolang een verdachte in voorlopige hechtenis zit, behoudt het onderzoek in de betreffende zaak binnen de politie prioriteit en aandacht. Als de verdachte echter in vrijheid verkeert, vervalt vaak de acute noodzaak onderzoek te doen. De kans bestaat dan dat andere onderzoeken prioriteit krijgen.
Nadat een verzoek om voorlopige hechtenis wordt afgewezen of als deze wordt gestopt, kan de politie het opsporingsonderzoek en bijbehorend dossier gewoon afmaken en naar het OM sturen. Vervolgens moet worden afgewacht of de zaak wordt geseponeerd, afgedaan door het OM of dat vervolging wordt ingesteld en de verdachte eventueel wordt veroordeeld door de rechter. Als politiemensen willen dat een zaak prioriteit houdt, helpt een voorlopige hechtenis daarbij, zo lijkt de redenering. Een teamchef districtelijke opsporing legt uit: ‘Zolang je de klanten vasthoudt, hou je de druk erop. (…) Als ik iemand heb die in elkaar is gepoeierd of er is een overval gepleegd, dan zal ik mijn energie daarop moeten inzetten.’
Er wordt binnen de politie wel verschillend gedacht over de toepassing van voorlopige hechtenis. Sommige van de ondervraagde politiemensen zien op dit punt geen of weinig problemen. Enkelen menen ook dat politie en justitie hier steeds vaker op één lijn zitten: ook de rechter-commissaris zou volgens sommigen steeds vaker de noodzaak van voorlopige hechtenis inzien, zoals die de politiemensen voor ogen staat. Zo geeft een rechercheur aan dat woninginbraken ook door justitie de afgelopen jaren steeds meer als een ernstig delict worden gezien. Waar voorheen bij woninginbraak een voorgeleiding nogal eens ontbrak, zou daar nu vaker voor worden gekozen. De rechter-commissaris zou ook vaker voorlopige hechtenis toepassen. Dit verschilt wel per regio. Zo vertelt een bureauchef opsporing in een andere politieregio dat verdachten van woninginbraak nog steeds te weinig in voorlopige hechtenis worden geplaatst, ondanks dat ook hier woninginbraak prioriteit heeft.
Vaak wordt voorlopige hechtenis in de eerste plaats beschouwd als een instrument om criminaliteit tegen te gaan en bestaat er voor de juridische gronden en daarmee de bescherming van de individuele verdachte maar weinig aandacht. Hierdoor ontstaat soms onvrede over het werk van officieren van justitie en rechters. Deze onvrede ontstaat wanneer de formele eisen van het strafrecht door officieren van justitie en rechters strikt worden gehanteerd. Het gevolg daarvan is dat aan morele eisen van politiemensen (en soms ook burgers) niet wordt voldaan. Echter, ondanks deze onvrede gaan leidinggevenden er wel soms toe over uitleg te geven over de juridische eisen die een rol spelen bij voorlopige hechtenis. Zo werd in een geval van geweld tegen een politiefunctionaris door een leidinggevende aan de betreffende collega uitgelegd waarom voorlopige hechtenis hier niet mogelijk zou zijn: ‘Er moet gewoon zoveel jaar gevangenisstraf op staan in dit geval en wat jou overkomen is, is voor jou heel ernstig, maar zo is het niet benoemd in het strafrecht.’