Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders bij preventieve herstructureringen (VDHI nr. 163) 2020/6.2.2
6.2.2 Redelijkheid en billijkheid als grondslag
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen, datum 02-02-2020
- Datum
02-02-2020
- Auteur
mr. S.C.E.F. Moulen Janssen
- JCDI
JCDI:ADS197797:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Lok & Kemp 2015, p. 204. Hof Amsterdam 25 april 2002, ECLI:NL:GHAMS:2002:AG8134, JOR 2002/128 (Gorillapark) is een voorbeeld van noodzaakfinanciering buiten een enquêteprocedure om, waarbij de redelijkheid en billijkheid de grondslag is voor het rechterlijk ingrijpen. Zie ook par. 2.7.1.2.
Leedekerken 2010, p. 144 en Lok & Kemp 2015, p. 201.
Philips 2012, p. 296 en Veenstra 2015, par. 5.
Eikelboom (2011) in zijn conclusie. Zie verder de annotatie van Doorman bij Hof Amsterdam (OK) 25 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7369, JOR 2011/288 (Rhodes).
Hof Amsterdam (OK) 31 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BL3680, JOR 2010/60 (Inter Access), r.o. 3.14.
De Kluiver 2006, p. 42.
Zie uitgebreid Eikelboom 2011. Zie verder Leedekerken 2010, p. 145. Assink/Slagter (2013, p. 635) neemt de redelijkheid en billijkheid als uitgangspunt bij het toelaten van noodzaakfinanciering, zonder onderscheid te maken naar soort procedure. De Kluiver meent dat het handelen van aandeelhouders bij noodzaakfinanciering langs de norm van de redelijkheid en billijkheid gelegd moet worden en dat derhalve de enquêteprocedure niet de juiste procedure is voor de te treffen voorzieningen in dat kader (De Kluiver 2006, p. 42).
A-G Timmerman, in zijn conclusie voor HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4888, JOR 2007/273 (Versatel II), onder 3.11.
Vgl. De Kluiver 2006, p. 42.
Overigens is eigenrichting van het bestuur ook mogelijk. Een wettelijke, statutaire of contractuele regel wordt dan niet buiten toepassing verklaard door de rechter via een (voorlopige) voorziening, maar het bestuur handelt (bewust) in strijd met de regel. Een voorbeeld van een zaak waarin bewust in strijd werd gehandeld met een unanimiteitsvereiste bij een besluit tot verkoop van twee dochtervennootschappen is Hof Amsterdam (OK) 12 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1629, JOR 2016/234. De OK oordeelde dat dit handelen geen wanbeleid opleverde. De vennootschap verkeerde namelijk in een noodsituatie, althans dit is zeer goed verdedigbaar volgens de onderzoeker. Een reëel alternatief was niet voldoende voorhanden en de algemene vergadering blokkeerde de verkoop.
Bij het treffen van voorzieningen door de rechter zal in een noodsituatie zoals hiervoor beschreven, het vennootschappelijk belang prevaleren boven de belangen van een dwarsliggende aandeelhouder. De voorzieningenrechter hanteert als grondslag voor het terzijde schuiven van wettelijke of statutaire bepalingen de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 2 BW.1 Daarnaast speelt de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:248 lid 2 BW (jo. art. 6:258 lid 1 BW) een rol wanneer contractuele regels tijdelijk buiten toepassing worden verklaard. De voorzieningenrechter past het recht toe op een concreet geval, hij oordeelt of (de gevolgen van) een regel (on)aanvaardbaar is.2 Bij de belangenafweging door de Ondernemingskamer ligt vanwege het karakter van de enquêteprocedure de nadruk meer op de toestand van de vennootschap en het belang van de vennootschap.3 De Ondernemingskamer motiveert noodzaakfinanciering althans zelden aan de hand van wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (on)aanvaardbaar is.4 De Ondernemingskamer gebruikt bijvoorbeeld in de zaak Inter Access wel de redelijkheid en billijkheid genoemd in artikel 6:258 BW (onvoorziene omstandigheden) voor het opzijzetten van een anti-verwateringsclausule in een aandeelhoudersovereenkomst.5 Dit doet de Ondernemingskamer omdat een aandeelhoudersovereenkomst een overeenkomst tussen aandeelhouders is en dus bekeken moet worden of een aandeelhouder jegens zijn medeaandeelhouders naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid een beroep kan doen op de aandeelhoudersovereenkomst.6 De grondslag voor het afwijken van wettelijke of statutaire regels, zoals het uitsluiten van de bevoegdheid tot het beslissen over een aandelenemissie, een statutenwijziging of het voorkeursrecht, noemt de Ondernemingskamer echter niet.
Toch is het mijns inziens ook de (derogerende werking van de) redelijkheid en billijkheid die ten grondslag ligt aan de motivering van de Ondernemingskamer om af te wijken van statutaire of wettelijke regels.7 Op basis van de redelijkheid en billijkheid moet de dwarsliggende aandeelhouder zijn eigen belang opzijzetten en het vennootschappelijk belang in acht nemen. Nu hij dit niet doet, is rechterlijk ingrijpen door middel van een onmiddellijke voorziening nodig teneinde het faillissement van de vennootschap te voorkomen. Het adagium ‘nood breekt wet’, dat in een noodsituatie van toepassing is, sluit volgens A-G Timmerman aan bij artikel 2:8 lid 2 BW.8 Uiteindelijk leiden de voorzieningen in het kader van noodzaakfinanciering zowel bij de Ondernemingskamer als bij de voorzieningenrechter tot hetzelfde resultaat, te weten de gewenste additionele financiering. Het is wellicht zuiverder voor de motivering dit altijd (expliciet) via de norm van de redelijkheid en billijkheid te doen, aangezien het gaat om de vraag of het handelen van een bepaalde aandeelhouder naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (on)aanvaardbaar is.9 Zoals in paragraaf 2.7.1.2 beschreven, dient de aandeelhouder die invloed kan uitoefenen in de vennootschap zich onder omstandigheden te richten naar het vennootschappelijk belang op grond van de redelijkheid en billijkheid. Noodzaakfinanciering is bij uitstek een omstandigheid waarbij een dwarsliggende aandeelhouder (met andere woorden: de aandeelhouder met invloed) zich bij zijn handelen moet richten naar het vennootschappelijk belang.10