Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/XIV:XIV Koppelaar c.s.: Rechtsonderwijs 1980
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/XIV
XIV Koppelaar c.s.: Rechtsonderwijs 1980
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977257:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Koppelaar c.s zoeken aansluiting in het in 1979 verschenen Ontwikkelingsplan voortgezet onderwijs (opvo) bij de doelstelling leerlingen te vormen tot actief en democratisch staatsburger. Andere doelen zijn persoonlijke ontplooiing en maatschappelijk/economische weerbaarheid. Het is mogelijk ‘met rechtsonderwijs als juridische vorming en niet als kennisverwerving emancipatorische oogmerken te dienen’. Juridisch emanciperen is bewustmaken van ‘de niet vanzelfsprekendheid van allerlei krachtens cultuur, ideologie, politiek, traditie en opvoeding ogenschijnlijke juridische vanzelfsprekendheden en het bewust maken van de dwangaspecten hiervan en het aanwijzen en trainen in de mogelijkheden zich juridisch te verweren en de samenleving te beïnvloeden om een bepaalde medeverantwoordelijkheid en samenlevingssolidariteit te stimuleren’. Leerlingen moeten leren beseffen dat het rechtsstelsel niet alleen imperatief, maar ook permissief en attributief is. Recht verdient een inhoud en methode, waarin ‘het […] geen rechtsgeleerdheid, maar rechtskunde is en waarbij kennis, reflectie en vaardigheden bepalend zijn’.
Het invoeren van een vak recht is op zijn plaats, ‘waarbij het beslissende argument in de praktische operationaliteit van veel onderdelen van het recht is gelegen’. Een zestal gangbare leerboeken is bekeken. Het zijn alle klassieke uitgaven met positiefrechtelijke leerstof. De curricula bestaan uit burgerlijk en handelsrecht met sociaalverzekerings- en belastingrecht. Strafrecht en bestuursrecht ontbreken. Conclusie is dat ‘het afschuwelijke boekjes zijn, naar vorige-eeuwse snit met onnutte ballast en geen vorming’.
Recht is een leervak. Leerlingen zullen snel beschikken over verouderde kennis.’ Het rapport van de Adviescommissie leerplanontwikkeling economische wetenschappen en recht i.o. van 1979 noteert ‘ervan overtuigd te zijn van de treurigheid […] in het vwo/havo vrijwel niets aan enige juridische vorming [aan te treffen], terwijl eenieder […] met het recht in aanraking komt’. Koppelaar c.s. vragen zich af of juristen de aangewezen docenten zijn door het feit dat het universitaire recht niet vanuit de adressanten-optiek (rechtssubjecten-optiek) gedoceerd wordt: ‘Een nascholing is voor de jurist-docent dan aangewezen’. De aarzeling het rechtsonderwijs op te dragen aan economen, historici, sociologen of politicologen is groter: ‘deze zijn immers niet vertrouwd met een juridische adressanten-optiek’.
De auteurs signaleren een minimalisatie van het rechtsonderwijs ‘voor zover het nog een rol speelt, zowel wat inhoud als methode betreft, is het als verouderd te bestempelen’. Dit wordt verklaard uit het overleefde karakter, waardoor het zijn belang voor algemene vorming heeft verloren en ‘het nauwelijks nog past’ in de onderwijsdoelstellingen. De schrijfgroep ziet voor het rechtsonderwijs-nieuwe-stijl ‘aanzienlijke mogelijkheden voor emancipatorische aspecten’ binnen de doelbepalingen. Mogelijk kan maatschappijleer, gegeven door sociologen of politicologen, leerlingen emancipatorisch beter bewust maken: ‘recht kan dat misschien minder’.
Daar staat tegenover dat rechtsonderwijs toereikender is dan maatschappijleer ‘in zoverre het instrumenten aanreikt zich maatschappelijk weerbaar te maken’. Het kan op het maatschappelijk-operationele vlak meer middelen verschaffen en meer vaardigheden bijbrengen: ‘het zijn beperkte vaardigheden en mogelijkheden, maar wel concreet, effectief en hanteerbaar’.