Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.4
5.5.3.4 TCI-informatie: startinformatie of ook bewijsmiddel?
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 20 november 1989, NJ 1990, 245 m.nt. EAA (Kostovski).
Hoge Raad 19 januari 1999, NJ 1999, 253.
Hoge Raad 14 september 1992, NJ 1993, 83 en Hoge Raad 5 december 1995, NJ 1996, 422 m.n.t. Kn.
Hoge Raad 1 juli 2003, LJN AF8069, Hoge Raad 18 november 2003, LJN AJ0517, Hoge Raad 31 augustus 2004, NJB 2004, p. 1810 en Hoge Raad 12 mei 2009, LJN BI3559.
Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008, 406 m.nt. Borgers.
Hoge Raad 13 juli 2010, LJN BM2434.
EHRM 4 juli 2000, EHRC 2000, 71 (Kok).
Zie in verband met het horen van de informant als bedreigde getuige J.L.M. Boek & A.M. van Hoorn, ‘Bedreigde getuigen binnen en buiten de strafvordering’, DD 1995, p. 1041-1055.
Informatie van het TCI wordt in veruit de meeste gevallen puur en alleen gebruikt als startinformatie, maar in sommige gevallen gebruikt de rechter dergelijke informatie daarnaast ook voor het bewijs. In verband met het verschil in controle op het gebruik van dergelijke informatie, is de uitspraak van het EHRM in de zaak Kostovski van belang.1 Het EHRM overweegt in dit arrest dat het EVRM niet uitsluit dat in de onderzoeksfase voorafgaand aan de terechtzitting gebruik wordt gemaakt van anonieme bronnen, maar dat het vervolgens gebruiken van anonieme verklaringen als voldoende bewijs voor een veroordeling een andere zaak is. De rechten van de verdediging kunnen daardoor beperkt in een mate die onverenigbaar is met art. 6 EVRM.
Bezien we deze overweging van het EHRM in het licht van het TCIproces- verbaal, dan kan worden gesteld dat in het geval dit proces-verbaal slechts als startinformatie wordt gebruikt een minder zwaarwegende toetsing aanvaardbaar is. In de context van art. 6 EVRM kan dan worden volstaan met het horen van een rechtmatigheidsgetuige. Een en ander volgt ook uit een, door de Hoge Raad in stand gelaten, arrest van het Amsterdamse Hof waarin een verzoek tot het horen van de informant ter zitting wordt afgewezen nu het Hoofd TCI al ter zitting heeft verklaard over zijn betrouwbaarheid.2 De Hoge Raad overweegt dat het hof een juiste beslissing heeft genomen door te oordelen dat de betrouwbaarheid van de informant aldus voldoende aannemelijk is geworden. In twee andere arresten maakt de Hoge Raad zelfs uit dat het horen van een rechtmatigheidsgetuige achterwege kan worden gelaten, nu de verdachte hierdoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad.3
Wordt het TCI-proces-verbaal echter eveneens voor het bewijs gebruikt, dan kan gesteld worden dat art. 6 EVRM dwingt tot een volledige toetsing: de betrouwbaarheid van de informant zal dan moeten worden getoetst indien de verdediging hierom verzoekt. De bewezenverklaring zal daarnaast niet uitsluitend gebaseerd mogen zijn op het bewuste proces-verbaal, zo volgt uit art. 344a Sv. In dit verband moet wel worden aangetekend dat de Hoge Raad in vier arresten andersluidend heeft geoordeeld, al ging het hier overigens telkens wel om een verondersteld motiveringsgebrek.4 De Hoge Raad overweegt in deze arresten dat het hof het TCI-proces-verbaal telkens kennelijk heeft gebruikt om tot uitdrukking te brengen wat de aanleiding is geweest voor het instellen van het onderzoek nu dat proces-verbaal niets bevat wat bijdraagt aan het bewijs van hetgeen ten laste van de verdachte bewezen is verklaard en de bewezenverklaring volledig kan worden afgeleid uit de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Aldus is de bewezenverklaring ook zonder dit bewijsmiddel toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad brengt aldus een differentiatie aan: slechts als uit het in de bewijsconstructie opgenomen TCI-proces-verbaal bewijs van het ten laste gelegde voortvloeit, dient dit extra te worden gemotiveerd, is hoogstwaarschijnlijk ook volledige toetsing noodzakelijk en zal de bewezenverklaring niet uitsluitend op dat proces-verbaal mogen worden gebaseerd.
Dit laatste ligt voor de ontnemingprocedure net een fractie anders, zo volgt uit een arrest van de Hoge Raad uit januari 2008.5 De Hoge Raad overweegt dat het proces-verbaal van de CID voor het bewijs kan worden gebruikt nu het in art. 344a vermelde bewijsminimum niet van toepassing is op de ontnemingprocedure. Wel dient gewaarborgd te zijn dat in voldoende mate aan de verdedigingsrechten tegemoet wordt gekomen. In casu is dat gebeurd door het horen van een verbalisant dienaangaande en doordat de bewijsvoering niet enkel is gebaseerd op het bewuste proces-verbaal. De facto wordt met deze overweging de in art. 344a Sv gestelde waarborg nageleefd. Uit een ander arrest van de Hoge Raad lijkt eveneens te volgen dat als het TCI-proces-verbaal in een ontnemingprocedure voor het bewijs wordt gebruikt, enigerlei toetsing van de in het proces-verbaal vervatte informatie door de verdediging mogelijk moet zijn geweest.6
Volledige toetsing kan het meest optimaal geschieden door het horen van de informant. De informant wordt dan als getuige aangemerkt en de verdediging heeft op grond van artikel 6 lid 3 onder d EVRM het recht een getuige á charge te doen ondervragen. De verdediging zal in een dergelijk geval trachten de betrouwbaarheid van deze getuige aan te tasten. Overduidelijk levert dit verhoor frictie op met het belang van afscherming van de informant. In verband hiermee is het arrest van het EHRM in de zaak Kok van belang.7 In casu is de informant anoniem gehoord met gebruikmaking van de bedreigde getuigenregeling van art. 226a-226f Sv.8 Het EHRM overweegt dat de beslissing om de identiteit geheim te houden op voldoende gronden is gebaseerd, waarbij van belang is dat bij het nemen van deze beslissing niet alleen informatie die door de getuige zelf is verschaft is betrokken, maar ook achtergrondinformatie die via politiebronnen is verkregen. Er bestond aldus voldoende reden om de identiteit geheim te houden, daarbij is mede van belang dat de getuige geen agent was wiens identiteit om operationele redenen verborgen moest blijven. Van belang is verder dat de veroordeling van de klager niet uitsluitend op de getuigenverklaring van de anonieme getuige is gebaseerd: er is een aanzienlijke hoeveelheid ander bewijsmateriaal waaruit kan worden afgeleid dat de klager schuldig is. Het EHRM oordeelt ten slotte ook dat de procedure die is gevolgd bij het horen van de anonieme getuige als voldoende zorgvuldig kan worden beschouwd, zodat kan worden geconcludeerd dat de verdedigingsrechten voldoende zijn gerespecteerd.
Alhoewel in een TCI-proces-verbaal altijd wordt aangegeven dat de daarin vervatte informatie niet bedoeld is om als bewijsmiddel te dienen, kan worden geconcludeerd dat het daartoe onder uitzonderlijke omstandigheden wel kan worden aangewend. In een dergelijk geval dient voor de verdediging de mogelijkheid te hebben bestaan om de informant te (doen) horen en mag de rechter de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate baseren op dit proces-verbaal en de nadien door de informant afgelegde getuigenverklaring. Het is echter de vraag of het ook wijs is het proces-verbaal als bewijs aan te wenden nu dergelijk gebruik het risico van dubbeltelling met zich brengt: de informant is zowel de anonieme bron van de TCI-informatie, maar komt daarnaast ook als getuige voor in het dossier. Gelet op dit risico dient de rechter het TCI-proces-verbaal in beginsel niet voor het bewijs te gebruiken. Dit kan slechts anders zijn als dubbeltelling is uit te sluiten. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan die situatie waarin puur en alleen de verklaring van een bedreigde bankmedewerker voor het bewijs wordt gebezigd in een zaak over een gewapende overval. Ziet de TCI-informatie vervolgens op de aankoop van het door de overvaller gebruikte wapen, dan kan geen sprake zijn van dubbeltelling. Concluderend kan worden gesteld dat het TCI-proces-verbaal slechts voor het bewijs mag worden gebruikt in die gevallen waarin dubbeltelling is uit te sluiten, de eerder weergegeven toetsing heeft plaatsgevonden én de rechter de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate baseert op dit proces-verbaal.