Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.1
5.5.3.1 De verdenking: gevallen waarin de verdenking wordt aangenomen
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor Hoge Raad 18 november 1980, NJ 1981, 125 m.nt. ThWvV en Hoge Raad 1 maart 1983, NJ 1983, 550.
Hoge Raad 14 september 1992, NJ 1993, 83. Zie bijvoorbeeld ook Hoge Raad 30 maart 2010, NbSr 2010, 168. In navolging van het arrest uit 1992 wordt in de lagere jurisprudentie ook geoordeeld dat TCI-informatie tot de start van een strafrechtelijk onderzoek kan leiden. Zie hiervoor bijvoorbeeld Hof Den Haag 6 oktober 2003, LJN AN8754 en Hof Amsterdam 22 februari 2010, LJN BL6918.
Hoge Raad 25 september 2001, NJ2002, 97. Zie hiervoor bijvoorbeeld ook Rb. Utrecht 10 maart 2005, LJN AS9913.
Hoge Raad 22 december 2009, LJN BJ8622, Hoge Raad 30 maart 2010, NbSr 2010, 168, Hoge Raad 29 november 2011, NJ 2011, 579, Hoge Raad 5 maart 2013, NJ 2013, 306 m.nt. JR en Hoge Raad 5 maart 2013, NJ 2013, 307.
Hoge Raad 1 februari 2000, NJ 2000, 264.
Hoge Raad 5 maart 2013, NJ 2013, 306 m.nt. JR en Hoge Raad 5 maart 2013, NJ 2013, 307.
Hoge Raad 22 december 2009, LJN BJ8622 en Hoge Raad 30 maart 2010, NbSr 2010, 168.
Hoge Raad 29 november 2011, NJ 2011, 579. Enigszins in deze lijn ligt Rb. Overijssel 18 februari 2014, ECLI:NL:RBOVE:2014:780. In deze casus blijkt de TCI-informatie niet geheel te kloppen, nu wordt aangegeven dat de verdachte drugs naar Engeland zou exporteren, terwijl achteraf wordt vastgesteld dat de export naar Duitsland ging. De rechtbank verbindt hieraan geen gevolgen.
Hoge Raad 5 maart 2013, NJ 2013, 307.
Zie hoofdstuk 4.
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam 7 mei 2004, NbSr 2004, 406, Rb. Haarlem 27 november 2006, LJN AZ3147, Hof ‘s-Hertogenbosch 2 april 2009, LJN BI0234, Hof Leeuwarden 22 maart 2011, LJN BP8828, Rb. Haarlem 13 juli 2012, LJN BX1431 en Hof Den Haag 22 april 2013, LJN CA2299.
Hof Arnhem 15 februari 2006, LJN AV4231.
Rb. Amsterdam 8 maart 2007, NbSr 2007, 142.
Hof ‘s-Hertogenbosch 26 november 2012, LJN BY4108.
Zie bijvoorbeeld Hof Arnhem 6 januari 2011, LJN BP0473 en Hof ‘s-Hertogenbosch 21 februari 2012, LJN BV6341.
Zie Rb. Dordrecht 2 juli 2009, LJN BJ1943.
Rb. ‘s-Hertogenbosch 10 december 2012, LJN BY5617.
Hof ‘s-Hertogenbosch 29 april 2009, LJN BI4026.
Rb. Groningen 6 maart 2008, LJN BC6010.
Hof Amsterdam 22 februari 2010, LJN BL6918.
Hof Leeuwarden 22 maart 2011, LJN BP8828.
Hof Den Haag 26 oktober 2009, LJN BK5280.
Hof ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2003, LJN AO9528.
Hof ‘s-Hertogenbosch 29 april 2003, LJN AO9041.
EHRM 30 augustus 1990, nr. 12244/86 (Fox, Campbell & Hartley). Zie in dit verband ook M. Aksu, Straatsburgse kaders voor terrorismebestrijding (diss. Nijmegen RU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007.
Rb. Haarlem 23 november 2004, LJN AR7374.
Hof Arnhem 1 maart 2012, LJN BV7484.
Rb. Maastricht 4 juni 2008, LJN BD4796.
Hof ‘s-Hertogenbosch 16 oktober 2008, LJN BG1440.
Hof Amsterdam 11 november 2002, LJN AN9549. Zie in dit verband ook Hof Arnhem 15 februari 2006, LJN AV4231, Rb. Rotterdam 29 april 2009, LJN BI2830, Rb. Zutphen 10 december 2009, LJN BK6110 en Rb. Maastricht 9 juli 2012, LJN BX0929.
Rb. Amsterdam 21 juli 2011, LJN BR4909.
Reeds in de jaren tachtig van de vorige eeuw oordeelt de Hoge Raad in twee arresten dat een onderzoek kan starten op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie.1 In het arrest uit 1981 overweegt de Hoge Raad dat het strafrechtelijk onderzoek mocht starten op basis van een anoniem aan de po-litie gedane telefonische melding dat in een bepaald pand drugs zouden worden binnengebracht. Ook in het arrest uit 1983 oordeelt de Hoge Raad dat de verdenking mocht worden aangenomen op grond van een anonieme mededeling aan de chef narcoticabrigade dat in een pand heroïne aanwezig was.
Eerst in zijn arrest van 14 september 1992 laat de Hoge Raad zich uit over de vraag of CID-informatie tot de start van een onderzoek mag leiden.2 In casu is het onderzoek gestart naar aanleiding van een bij de CID binnengekomen anonieme tip over de aanwezigheid van 15 kilo amfetamine in een bepaald pand. Een huiszoeking volgt en 41,3 gram amfetamine wordt aangetroffen. De Hoge Raad overweegt dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof oordeelt dat deze CID-informatie een redelijk vermoeden van schuld oplevert. In een arrest uit 2001 overweegt de Hoge Raad dat, in zijn algemeenheid, de stelling onjuist is dat een redelijk vermoeden van aanwezigheid van wapens en munitie als bedoeld in art. 49 WWM niet uitsluitend kan berusten op als concreet aangeduide CID-informatie.3 De Hoge Raad bevestigt in meerdere recente arresten de lijn dat een strafrechtelijk onderzoek kan starten en dwangmiddelen kunnen worden toegepast op basis van informatie van het TCI.4 Voorts is voor wat betreft de wat oudere jurisprudentie van de Hoge Raad het arrest van 1 februari 2000 van belang. Daarin oordeelt de Hoge Raad dat de op basis van CID-informatie bestaande verdenking niet enkel door tijdsverloop vervalt.5 In casu wordt eerst zeven weken na binnengekomen CID-informatie over de vindplaats van wapens en munitie een huiszoeking verricht op basis van de Wet Wapens en Munitie.
In de eerder aangehaalde recente arresten van de Hoge Raad worden voorts (al dan niet impliciet) andere relevante aspecten in relatie tot de informatie van het TCI belicht. Allereerst komt de (ook bij anonieme meldingen van burgers gestelde) eis naar voren dat de TCI-informatie voldoende concreet en specifiek dient te zijn. Dit werd al zichtbaar in het besproken arrest uit 2001, maar wordt nog eens onderstreept in twee arresten van de Hoge Raad van 5 maart 2013.6 Feitelijk lijkt dit de enige eis te zijn die de Hoge Raad stelt in relatie tot het starten van een strafrechtelijk onderzoek en het toepassen van dwangmiddelen op basis van informatie van het TCI. De eis van aanvullend onderzoek wordt in algemene zin niet door de Hoge Raad gesteld en lijkt zodoende in cassatie alleen nog een rol van betekenis te kunnen spelen als de lagere rechter hieromtrent een onbegrijpelijke overweging heeft geformuleerd. In het verlengde van dit laatst punt onderstreept de Hoge Raad in zijn arresten van 22 december 2009 en 30 maart 2010 nog maar eens dat het oordeel van de feitenrechter over het wel of niet bestaan van een verdenking in cassatie leidend is. De Hoge Raad lijkt zich zoals al opgemerkt alleen erop te richten dat de overwegingen van de lagere rechter hieromtrent begrijpelijk zijn.7
In de zaak die leidt tot het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2011 wordt (impliciet) een ander belangrijk punt belicht, te weten de situatie dat ander strafbaar gedrag aan het licht komt dan waarop de TCI-informatie ziet.8 In casu ziet de informatie van het TCI op de aanwezigheid van een grote hoeveelheid weed bij verdachte. Aanvullend onderzoek naar aanleiding van deze informatie vindt niet plaats. Tijdens de op voet van art. 110 Sv plaatsgevonden doorzoeking die volgt wordt een vuurwapen aangetroffen. In cassatie wordt geklaagd over het oordeel van het hof dat de r-c in redelijk tot deze doorzoeking kon overgaan. De Hoge Raad start met een algemene overweging dat een verdenking van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem verstrekte informatie. Vervolgens overweegt hij dat het oordeel van het hof over het bestaan van een verdenking op basis van deze informatie niet onbegrijpelijk is, ook al wordt er tijdens de doorzoeking een vuurwapen in plaats van de in de TCI-informatie genoemde hoerveelheid werd aangetroffen. Deze laatste overweging van de Hoge Raad geeft ruimte aan de gedachte dat de zittingsrechter ex tunc, dus op basis van de informatie die de strafvorderlijke actoren ter beschikking stond voorafgaand aan het toepassen van een dwangmiddel, moet toetsen of een verdenking bestaat en of hieruit voortvloeiend gerechtvaardigd een dwangmiddel is toegepast.
Ten slotte komt in één van de genoemde arresten van 5 maart 2013 een ander relevant punt aan bod, te weten het gegeven dat het TCI geen oordeel kan geven over de betrouwbaarheid van de door de informant verstrekte en in het TCI-proces-verbaal opgenomen informatie.9 Van belang is op te mer-ken dat uit de praktijk blijkt dat het Hoofd TCI een dergelijke classificatie onder meer aan het TCI-proces-verbaal verbindt op het moment dat een informant voor de eerste keer informatie aanlevert of als de informant gegevens doorspeelt over ander strafwaardig gedrag dan waaroveer hij normaal gesproken informatie aanlevert. De gevolgtrekking dat het Hoofd TCI met een dergelijke classificatie aangeeft onbetrouwbare informatie te hebben weergegeven in het TCI-proces-verbaal is dus ook niet juist. In de zaak die leidt tot het arrest van de Hoge Raad gaat het om een doorzoeking op grond van art. 49 WWM op basis van TCI-informatie die ziet op de aanwezigheid van meerdere vuurwapens. De Hoge Raad overweegt dat de omstandigheid dat het Hoofd TCI geen oordeel kan geven over de betrouwbaarheid van de informatie niet onverenigbaar is met het oordeel van het hof dat de TCI-informatie voldoende concreet en specifiek was voor een rechtmatige doorzoeking op grond van art. 49 WWM. Uit deze overweging kan worden afgeleid dat een dergelijk oordeel van het Hoofd TCI geen afbreuk doet aan de gerechtvaardigdheid van het aannemen van een verdenking door de lagere rechter. Op het eerste gezicht is dit een terecht oordeel als in herinnering wordt gebracht in welke situaties het Hoofd TCI een dergelijke classificatie gebruikt. Wel kan worden gesteld dat in dit soort gevallen hogere eisen moeten worden gesteld aan de resultaten van het door de tactische recherche te verrichten aanvullende onderzoek, nu een dergelijke classificatie toch meebrengt dat het Hoofd TCI in mindere mate in kan staan voor de betrouwbaarheid van de door de informant verstrekte informatie.
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt kan aldus worden afgeleid dat de enkele aanwezigheid van TCI-informatie kan leiden tot de start van een strafrechtelijk onderzoek, het ontstaan van een verdenking en het toepassen van dwangmiddelen. De enige eis die de Hoge Raad stelt is dat de informatie van het TCI voldoende concreet en specifiek is. Voor het overige stelt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter over het wel of niet bestaan van een verdenking in cassatie centraal en lijkt alleen nog ruimte te bestaan om te casseren op het moment dat de overwegingen van de lagere rechter hieromtrent (volstrekt) onbegrijpelijk zijn. Voorts is door de jurisprudentie van de Hoge Raad min of meer wel uitgekristalliseerd dat een verdenking op basis van TCI-informatie kan worden aangenomen ook al verstrijkt er enige tijd tussen de uitgifte van een TCI-proces-verbaal en het toepassen van een dwangmiddel, ook al leidt het toepassen van een dwangmiddel tot de ontdekking van ander strafbaar gedrag dan waarop de TCI-informatie ziet en ook al heeft het Hoofd TCI aangegeven geen oordeel te kunnen vellen over de betrouwbaarheid van de uitgegeven informatie. In het verlengde van het zojuist opgemerkte, kan de vraag worden opgeworpen of het wenselijk is dat de Hoge Raad slechts de eis van concreetheid stelt als wordt bedacht dat TCI-informatie in veel gevallen leidt tot het toepassen van privacyschendende dan wel vrijheidsbenemende dwangmiddelen. Gelet op het feit dat het om informatie gaat waarvan de bron wordt afgeschermd en het risico bestaat dat deze informatie vals is, moet de Hoge Raad nadrukkelijker naar voren brengen dat hij belang hecht aan het uitvoeren van aanvullend politieel betrouwbaarheidsonderzoek voorafgaand aan het toepassen van dwangmiddelen, waarbij natuurlijk ruimte voor differentiatie kan worden gelaten. Relevante variabelen zijn onder meer de aard van de verstrekte informatie, de toetsing die zichtbaar plaatsvindt binnen het TCI en de mogelijkheden die voor de tactische recherche bestaan om aanvullend betrouwbaarheidsonderzoek te verrichten. Concreet betekent dit dat de Hoge Raad het nog steeds kan billijken dat een dwangmiddel puur en alleen kan worden toegepast op basis van TCI-informatie over de vindplaats van een partij wapens, terwijl bij TCI-informatie over een hennepkwekerij de Hoge Raad juist substantiële eisen moet stellen aan (de resultaten van) het aanvullende onderzoek van de tactische recherche. De eis van aanvullend onderzoek moet zeker worden gesteld als het gaat om het betreden of doorzoeken van woningen. Niet te lichtvaardig moet nu eenmaal worden overgegaan tot het maken van inbreuk op het door art. 12 Grondwet en art. 8 EVRM beschermde huisrecht. De eerder gemaakte opmerkingen over de noodzaak van wijziging van art. 49 WWM, art. 9 Ow en art. 96 Sv kunnen in aanvulling hierop als ingelast worden beschouwd.10
De door de Hoge Raad gestelde eis dat de informatie van het TCI voldoende concreet en specifiek moet zijn is, al dan niet impliciet, ook zichtbaar in de lagere jurisprudentie.11 Wat onder voldoende concrete informatie wordt verstaan, verschilt. Zo oordeelt het Hof Arnhem de TCI-informatie dat de verdachte binnen enkele weken per schip een grote partij cocaïne binnen krijgt, voldoende concreet voor het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld ter zake van invoer van cocaïne.12 Pikant detail bij deze zaak is overigens dat het TCI geen oordeel kon geven over de betrouwbaarheid van de gegeven informatie. De Rechtbank Amsterdam verwerpt in dit verband het verweer waarin wordt gesteld dat geen tapmachtiging had mogen worden afgegeven door onder meer te overwegen dat de TCI-informatie, waarin een locatie van een drugspand wordt doorgegeven en 3 namen en 2 telefoonnummers worden genoemd, recent en concreet was.13 Ten slotte wordt gewezen op het arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 26 november 2012 waarin de informatie van het TCI voldoende concreet wordt geacht nu daarin melding wordt gemaakt van het gegeven dat een bepaald persoon in gro-tere hoeveelheden cocaïne afneemt van de verdachte.14 In de lagere jurisprudentie wordt in combinatie met de eis van concreetheid soms ook de voorwaarde gesteld dat de informatie actueel dient te zijn.15 Dit is een eis die niet wordt gesteld door de Hoge Raad. Sterker nog, in het eerder besproken arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2000 wordt zelfs geoordeeld dat de verdenking niet enkel door tijdsverloop vervalt. In de lagere jurisprudentie wordt geregeld ook op een dergelijke manier geredeneerd.16 Een voorbeeld van dit laatste gaat schuil in een vonnis van de Rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 10 december 2012, waarin wordt overwogen dat het doorzoeken van de woning van de verdachte twee maanden na de binnenkomst van TCIinformatie die ziet op de aanwezigheid van een hennepkwekerij niet onrechtmatig is gelet op het feit dat er sprake is van een voortdurend delict.17
Uit de lagere jurisprudentie blijkt voorts dat voor wat betreft het bestaan van een verdenking waarde wordt gehecht aan de resultaten van uitgevoerd aanvullend onderzoek ter staving van de informatie van het TCI. Het Hof ’s- Hertogenbosch oordeelt bijvoorbeeld dat de diverse meldingen van het TCI dat de verdachte handelt in cocaïne in combinatie met de constatering van de tactische recherche dat de verdachte een ontmoeting heeft met een harddrugdealer voldoende rechtvaardiging biedt voor het doorzoeken van de woning van verdachte.18 Het redelijk vermoeden in het vonnis van de Rechtbank Groningen van 6 maart 2008 is, belave op de aanwezige TCI-informatie, mede gestoeld op het feit dat er door de tactische recherche vergaarde belastende observaties en telefoontaps zijn.19 Zichtbaar wordt daarnaast ook dat waarde wordt gehecht aan het betrouwbaarheidsonderzoek dat het TCI zelf verricht ter staving van de door de informant verstrekte informatie. Een voorbeeld hiervan vloeit voort uit het arrest van het Hof Amsterdam van 22 februari 2010.20 In casu verwerpt het hof het verweer dat er geen verdenking van cocaïnehandel bestond met de overweging dat in het TCI-proces-verbaal verwoorde informanteninformatie bevestigd wordt doordat eveneens in dit proces-verbaal is opgetekend dat de informant een foto van de verdachte wordt getoond en dat de informant dan bevestigt dat dit de persoon is die handelt in cocaïne.
De in het kader van de anonieme meldingen van burgers gemaakte opmerking dat al naar gelang de aard van de verstrekte informatie verschil kan bestaan in de omvang van het aanvullende onderzoek, is ook in het bestek van de TCI-informatie onverkort van toepassing. Dit verschil kan op het eerste oog leiden tot het plaatsen van vraagtekens bij de waarde van de aanvullende informatie die ter onderbouwing van de verdenking wordt aangedragen. Zo kan bijvoorbeeld gemakkelijk worden opgeworpen dat het uit het arrest van het Leeuwardense Hof voortvloeiende feit dat uit het GBA blijkt dat een persoon inderdaad op het in het TCI-proces-verbaal genoemde adres woonachtig is, bezwaarlijk als bevestiging kan worden gezien van het feit dat deze persoon vuurwapens voorhanden heeft.21 Het strafbare gedrag is door de aanvullende informatie immers onbevestigd gebleven. Terecht merkt het hof echter op dat bij een dergelijke melding maar beperkte mogelijkheden zijn om de informatie bevestigd te krijgen. Impliciet lijkt het hof hiermee aan te geven dat in een geval waarin het strafwaardige gedrag onbevestigd is gebleven rechtvaardiging voor het toepassen van een dwangmiddel kan worden gevonden in de aard en ernst van de informatie. Hieraan kan worden toegevoegd dat eenzelfde rechtvaardiging kan worden gevonden in die situaties waarin ogenblikkelijk strafvorderlijk optreden benodigd is, terwijl niet direct gevaarzettende informatie is verstrekt. Een dergelijke omstandigheid gaat schuil in het arrest van het Hof Den Haag van 26 oktober 2009.22 In casu wordt TCI-informatie aangaande de opslagplaats van dozen gestolen kleding verstrekt aan de tactische recherche. Ter staving van deze informatie worden digitale politiële gegevensbestanden geraadpleegd. Hieruit volgt dat het adres van de verdachte bekend is in relatie tot vermogensdelicten. Het hof oordeelt dat de hierop volgende binnentreding wordt gerechtvaardigd door de TCI-informatie en het genoemde aanvullende onderzoek en betrekt in dit geheel dat het risico dat de kleding snel onder afnemers zou worden verspreid het snelle binnentreden, zonder substantieel aanvullend onderzoek, rechtvaardigt.
Zoals in het bestek van de anonieme meldingen van burgers reeds is aangetekend, laat dit verschil in de aard van de TCI-informatie mooi het spanningsveld zien tussen privacybescherming enerzijds en opsporingsbelangen anderzijds. Bij gevaarzettende informatie dan wel andersoortige informatie die tot ogenblikkelijk strafvorderlijk optreden dwingt, slaat de weegschaal gemakkelijker door naar het belang van de opsporing en hierin kan ook voor de zittingsrechter rechtvaardiging worden gevonden voor het achteraf stellen van minder zware eisen aan de resultaten van het aanvullende onderzoek. Hoewel dit kan worden gebillijkt, brengt het wel als risico met zich dat het in dat soort zaken vaker kan voorkomen dat bijvoorbeeld een woning wordt betreden op basis van onvoldoende op betrouwbaarheid getoetste en naar achteraf blijkt onjuiste informatie. De tactische recherche is dan ook bij dit type informatie niet ontheven van de plicht te allen tijde zoveel mogelijk inspanningen te verrichten om de TCI-informatie bevestigd te krijgen. De zaaksofficier, en in sommige gevallen de r-c, dienen hier op aan te sturen en op toe te zien. Het bestaande verschil breng ten slotte met zich dat in zaken waarin niet direct gevaarzettende of tot spoedig ingrijpen nopende TCI-informatie wordt verstrekt en/of in het geval dat voldoende mogelijkheden zijn om aanvullende informatie te verzamelen, zoals bij TCI-informatie die ziet op de aanwezigheid van een hennepkwekerij, zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de omvang en de resultaten van het aanvullende onderzoek door de zaaksofficier en eventueel de r-c en in tweede instantie de zittingsrechter.
In de lagere jurisprudentie komt naar voren dat soms de bevestiging van de informatie van het TCI wordt gevonden in eerdere strafrechtelijke veroordelingen. Zo overweegt het Hof ‘s-Hertogenbosch dat de CID-informatie, in combinatie met het feit dat ten aanzien van de verdachte eerdere strafrechtelijk documentatie met betrekking tot de handel in verdovende middelen bekend is, voldoende grond oplevert voor verdenking van betrokkenheid bij de handel in verdovende middelen.23 Hetzelfde hof overweegt in het arrest van 29 april 2003 zelfs dat onder andere bevelen tot observatie mogen worden gegeven op basis van TCI-informatie en informatie uit BPS die betrekking heeft op feiten waarvoor de verdachte is vrijgesproken.24 Het is begrijpelijk dat eerdere (relevante) strafrechtelijke veroordelingen voor de tactische recherche en de zaaksofficier mee kunnen wegen in de aanname van een verdenking, maar dat de rechter dit vervolgens ook in een uitspraak opneemt, is opmerkelijk. Dit onder meer bezien vanuit de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumtie. Verwezen kan in dit verband worden naar het arrest van het EHRM in de zaak Fox, Campbell & Hartley. Het EHRM overweegt in dit arrest dat het feit dat twee van de klagers reeds eerder waren veroordeeld voor terroristische misdrijven niet de enige basis kan vormen van een verdenking zeven jaar later en oordeelt dat er aldus onvoldoende is om de redelijke verdenking in de zin van art. 5 lid 1 onder c EVRM op te baseren.25 Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de vergelijking niet helemaal opgaat, nu het in de Bossche arresten ging om de informatie die ten grondslag ligt aan bevelen tot observatie en het arrest van het EHRM ziet op de informatie die de basis vormt voor de arrestatie van verdachten.
Wat betreft het punt van het aanvullend onderzoek, volgt uit de lagere jurisprudentie dat bevestiging van TCI-informatie ook wordt gevonden in andere processen-verbaal van het TCI. Zo levert de van meerdere informanten afkomstige informatie die gedurende een langere periode is verzameld in de ogen van de Rechtbank Haarlem een redelijk vermoeden van schuld op, het afgeven van een tapmachtiging rechtvaardigend.26 In gelijke zin oordeelt het Hof Arnhem in het arrest van 1 maart 2012.27 In casu start het strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van 11 processen-verbaal van het TCI die voor het merendeel als betrouwbaar zijn aangemerkt. Het hof stelt dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat op basis van dat soort anonieme informatie een onderzoek wordt gestart en dat de inhoud van deze processen-verbaal in combinatie met informatie die de politie uit andere bronnen heeft verkregen voldoende grondslag bood voor de inzet van opsporingshandelingen. Het naast de TCI-informatie bestaan van gelijkluidende informatie van MMA rechtvaardigt in de ogen van de Rechtbank Maastricht eveneens dat art. 9 OW wordt toegepast.28 Dit terwijl niet valt uit te sluiten dat de bron van de TCI-informatie ook de bron vormt van de informatie van de M-lijn en er dus de facto sprake kan zijn van informatie afkomstig uit slechts één bron. Gesteld kan worden dat het aldus riskant is om de bevestiging van mogelijk strafwaardig gedrag te ontlenen aan twee anonieme bronnen.
Het gegeven dat bij het toepassen van een dwangmiddel door de tactische recherche blijkt dat TCI-informatie niet (geheel) juist is, althans dat bijvoorbeeld niet wordt gevonden waarop de informatie zag, leidt ook in de feitenrechtspraak niet tot de gevolgtrekking dat een verdenking niet kon bestaan. De Hoge Raad heeft dat in zijn eerder besproken arrest van 29 november 2011 ook bevestigd. Voor wat betreft de lagere rechtspraak wordt in deze context gewezen op een arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch.29 De TCI-informatie ziet in casu op de aanwezigheid van een vuurwapen bij de verdachte. De informatie en de informant worden door het TCI als betrouwbaar aangemerkt. Het vuurwapen wordt vervolgens tijdens de doorzoeking niet aangetroffen, wel andere wapens. Het hof overweegt niettemin dat op het moment van de doorzoeking een redelijk vermoeden kon bestaan en dat de woning dus ook rechtmatig kon worden doorzocht. Dat achteraf is gebleken dat de TCI-informatie niet of niet geheel juist was, doet daaraan in de zienswijze van het hof niets af. Deze benadering van het hof lijkt verstandig. Strafrechtelijk ingrijpen op basis van dergelijke informatie is immers noodzakelijk. Om het risico te beperken dat ten onrechte dwangmiddelen worden ingezet tegen onschuldige burgers, dient de tactische recherche wel altijd inspanningen te verrichten om bevestiging van de informatie te krijgen uit andere bronnen. Het is aan de rechter om achteraf te oordelen of hieraan in voldoende mate is voldaan.
Ten slotte wordt ook in de feitenrechtspraak zichtbaar dat de verdediging verweer voert op de classificatie die het Hoofd TCI in het TCI-procesverbaal verbindt aan de informatie van de informant. Dat het Hoofd TCI in zijn proces-verbaal in deze context aangeeft zich geen oordeel te hebben kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de door de informant gegeven informatie, leidt er ook niet in alle gevallen toe dat lagere rechters anders oordelen over het bestaan van een verdenking. Zo blijkt uit het arrest van het Hof Amsterdam dat, ondanks dat het Hoofd TCI geen oordeel over de betrouwbaarheid van de TCI-informatie kon geven, de r-c in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot het verlenen van tapmachtigingen.30 Eerder is al opgetekend dat de Hoge Raad op dit punt in zijn arrest van 5 maart 2013 gelijkluidend heeft geoordeeld. In het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 21 juli 2011 wordt ten aanzien van dit punt wel meegegeven dat bij een dergelijke classificatie behoedzamer met de informatie moet worden omgegaan.31
Uit de feitenrechtspraak kunnen aldus nagenoeg dezelfde conclusies worden getrokken als uit de jurisprudentie van de Hoge Raad. Eerder is al geconstateerd dat de Hoge Raad in deze context veel ruimte laat bestaan voor de feitenrechter en hiermee ook voor de tactische recherche en de zaaksofficier dan wel de r-c. Enerzijds is dit wenselijk omdat in sommige gevallen nu eenmaal onverwijld strafvorderlijk moet worden opgetreden, ook al is dit slechts op basis van een TCI-proces-verbaal. De feitenrechter dient in een dergelijk geval de armslag te hebben om dit achteraf te billijken. Anderzijds brengt deze jurisprudentie wel risico’s met zich. Zij maakt immers dat onderzoeken puur en alleen kunnen worden gestart op basis van anonieme en daardoor (deels) oncontroleerbare informatie. Dit vergroot de kans dat ten onrechte dwangmiddelen worden ingezet tegen onschuldige burgers. De Hoge Raad doet dan ook meer recht aan zijn controlerende taak als hij in voorkomende gevallen strenger toetst of wel sprake was van een verdenking, in die zin dat hij nadrukkelijke de eis stelt dat aanvullend onderzoek wordt verricht ter staving van de informatie van het TCI. Verwacht kan worden dat de feitenrechter hierdoor, binnen de context van het verdenkingsbegrip, zwaardere eisen gaat stellen aan de resultaten van het aanvullende onderzoek van de tactische recherche. Wat betreft dit aanvullend onderzoek is evenwel ruimte voor differentiatie. In het geval dat gevaarzettende dan wel andersoortige TCI-informatie die tot ogenblikkelijk strafvorderlijk optreden noopt wordt verstrekt, kan rechtvaardiging voor het stellen van minder zware eisen aan het aanvullende onderzoek worden gevonden in het belang van de opsporing. Beseft moet wel worden dat het toepassen van dwangmiddelen op basis van niet of nauwelijks geverifieerde TCI-informatie het risico met zich brengt dat dat soort privacyschendende dan wel vrijheidsbeperkende middelen worden ingezet tegen een onschuldige burger. Dit gegeven brengt met zich dat de tactische recherche ook bij dit type informatie is gehouden zoveel mogelijk inspanningen te verrichten om de TCI-informatie bevestigd te krijgen, dat de zaaksofficier en eventueel de r-c hierop ook aan moeten sturen en dat het ten slotte de taak van de zittingsrechter is niet te lichtvoetig het bestaan van een verdenking te accepteren. In het verlengde hiervan brengt de differentiatie wat betreft het aanvullende onderzoek in de spiegelbeeldige situatie, waarin er dus niet direct gevaarzettende of tot spoedig ingrijpen nopende TCI-informatie wordt verstrekt en/of in het geval dat er voldoende mogelijkheden zijn om aanvullende onderzoek informatie te verzamelen, met zich dat zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de omvang en de resultaten van het aanvullende onderzoek door de zaaksofficier en eventueel de r-c en in het bijzonder ook door de zittingsrechter. In dat soort gevallen zal deze laatstgenoemde dan ook eerder moeten oordelen dat op onvoldoende gronden is aangenomen dat een verdenking bestaat. De Hoge Raad is gehouden de zojuist beschreven lijn wat betreft het aanvullende onderzoek en de mogelijkheden van differentiatie nadrukkelijker dan hij tot op heden doet, uit te zetten.