Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.3.7:6.3.7 Het vereiste van een onherroepelijke veroordeling
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.3.7
6.3.7 Het vereiste van een onherroepelijke veroordeling
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859224:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik beperk mij tot een vergelijking tussen de Nederlandse en Belgische onwaardigheidsregeling. De herroeping van legaten wegens ondankbaarheid blijft buiten beschouwing.
De nummering wordt anders door de invoeging van de hierboven voorgestelde bepaling.
Bij de conclusies en aanbevelingen wordt hier nader op ingegaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij het vereisen van een onherroepelijke veroordeling lopen de beide landen uiteen.1 De Nederlandse wet vordert bij de eerste twee onwaardigheidsgronden, te weten het opzettelijk ombrengen van de erflater en opzettelijk tegen de erflater gepleegde misdrijven waarop een vrijheidsstraf staat met een maximum van ten minste vier jaren, een onherroepelijke veroordeling. Sinds de herziening van de Belgische onwaardigheidsregeling in 2012 stelt de Belgische wetgever deze eis niet meer in alle gevallen. Relevant hierbij is dat de wetswijziging in België dateert van na het voor onwaardigheid belangrijke arrest van de Roemeense erflater.
Uit de rechtspraak van het EHRM vloeit voort dat ook in Nederland bij onwaardigheid niet altijd een onherroepelijke veroordeling gevorderd mag worden. Aanpassing van de wetgeving is op dit punt geboden. De Belgische regeling kan hierbij als bron van inspiratie dienen. De Belgische bepaling houdt in dat de civiele rechter op vordering van de procureur des Konings de onwaardigheid kan uitspreken indien de dader een van de genoemde feiten heeft gepleegd of gepoogd heeft te plegen, maar omdat hij ondertussen is overleden, voor dat feit niet is veroordeeld. De regeling geldt enkel voor de feiten waarbij de erflater is omgebracht of een poging daartoe is ondernomen.
Het arrest van de Roemeense erflater noopt wat mij betreft niet alleen tot aanpassing van artikel 4:3 lid 1 sub a, maar ook van lid 1 sub b BW. In beide gevallen moet onwaardigheid mogelijk zijn als de dader niet is veroordeeld of aan hem geen strafbeschikking is opgelegd, omdat hij voor die tijd is overleden. Los van de Roemeense erflater is in hoofdstuk 2 nog de suggestie gedaan dat bij opzetdelicten die de dood van de erflater tot gevolg hebben, een bewezenverklaring door de strafrechter volstaat. Een dergelijke bewezenverklaring kan niet volgen als de dader is overleden. Ook voor die situatie dient artikel 4:3 BW dan een voorziening te treffen.
In België is het primaat voor het starten van de benodigde civiele procedure gelegd bij de procureur des Konings. Als een van de argumenten voor deze insteek wordt genoemd dat sommige erfgenamen of legatarissen een persoonlijk en rechtstreeks belang kunnen hebben bij uitsluiting van een andere erfgenaam van de nalatenschap. Een dergelijke werkwijze is in Nederland minder voor de hand liggend, omdat het niet strookt met de regeling van de onwaardigheidsgronden in lid 1 sub c, d en e BW.
Bij artikel 4:3 lid 1 sub c BW volstaat een civiele uitspraak voor onwaardigheid. Is de dader overleden, maar de erflater niet, dan kan de erflater zelf een vordering instellen. Is de erflater inmiddels overleden dan kunnen belanghebbenden de vordering instellen, tenzij duidelijk is dat de erflater de dader ondubbelzinnig heeft vergeven. Bij artikel 4:3 lid 1 sub d en e BW is geen rechterlijke uitspraak nodig voor onwaardigheid, maar kan wel door iedere belanghebbende een civiele procedure worden gestart ter vaststelling van onwaardigheid als daarover discussie bestaat. Nabestaanden van de erflater komt deze mogelijkheid ook toe. Het zou daarmee in lijn zijn bij de nieuw in te voegen regel naar aanleiding van de Roemeense erflater geen beperking aan te brengen in de persoon of personen die bij het overlijden van de dader de benodigde civiele procedure kan starten.
In artikel 4:3 BW hoeft niet tot uitdrukking te komen wie de benodigde civiele procedure kan starten. Voor de overige onwaardigheidsgronden is dit evenmin nader gespecificeerd.
Het zij nog opgemerkt dat in Nederland bij de schenkingsrechtelijke onwaardigheidsvariant het oordeel van de civiele rechter kan worden ingeroepen. Het is dan aan de civiele rechter om te beoordelen of sprake is van een misdrijf. Het komt in ons privaatrecht dus vaker voor dat de civiele rechter zich moet buigen over het strafrecht.
Het voorgaande leidt wat mij betreft tot het volgende. In hoofdstuk 2 is naar voren gekomen dat artikel 4:3 lid 1 sub a BW kan vervallen, omdat het opgaat in artikel 4:3 lid 1 sub b BW. Daarvoor in de plaats wordt een bepaling geadviseerd voor de situatie dat de dader de erflater opzettelijk ombrengt en wordt ontslagen van alle rechtsvolging. Daaropvolgend kan gedacht worden de volgende bepaling in te voegen voor de situatie dat de dader voorafgaand of tijdens het strafproces overlijdt:
hij van wie bij onherroepelijke uitspraak door de civiele rechter is vastgesteld dat hij een feit als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub a BW heeft gepleegd, maar voor dat feit geen bewezenverklaring is gevolgd, omdat hij ondertussen is overleden.
De poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een dergelijk feit kan later in de bepaling generiek worden opgenomen, omdat het op meerdere onderdelen van toepassing is.
In paragraaf 2.9 is een eerste opzet gegeven voor een nieuwe redactie van het huidige artikel 4:3 lid 1 sub b BW. Daarna zou een nieuw onderdeel ingevoegd kunnen worden om te voldoen aan de eisen van het EHRM. Een bepaling die gedeeltelijk geïnspireerd is op het Belgische recht. Te denken valt aan het volgende:
hij van wie bij onherroepelijke uitspraak door de civiele rechter is vastgesteld dat hij een feit als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub c2 BW heeft gepleegd en voor dat feit niet strafrechtelijk is veroordeeld, omdat hij is overleden.
Voor de poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een dergelijke gedraging geldt hetzelfde als hiervoor is opgemerkt. Op eenzelfde wijze kan in de bepaling tot uitdrukking worden gebracht dat onder een strafrechtelijke veroordeling ook een strafbeschikking moet worden begrepen.3