Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.3.3:6.3.3 Lasterlijke beschuldiging
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.3.3
6.3.3 Lasterlijke beschuldiging
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859260:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. ook par. 5.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naar Nederlands recht is een lasterlijke beschuldiging tegen de erflater van een misdrijf waarop een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren een reden tot onwaardigheid. Het Belgische recht kent deze grond niet. Voor 2012 komt in België een lasterlijke beschuldiging van een feit waarop levenslange opsluiting of levenslange hechtenis is gesteld, de dader nog wel op onwaardigheid te staan. Met Coene ben ik van mening dat een lasterlijk geoordeelde beschuldiging van een feit waarop een zware gevangenisstraf staat een ernstige misdraging is.1 In Nederland trekt de wetgever die grens bij een strafbedreiging van maximaal ten minste vier jaren vrijheidsstraf, een grens die ook geldt in artikel 4:3 lid 1 sub b BW. Deze eis brengt mee dat de lasterlijke beschuldiging van voldoende gewicht moet zijn om de sanctie van onwaardigheid te rechtvaardigen. Als de dader een dergelijke onterechte en zware beschuldiging uit over de erflater dan zal de erflater vermoedelijk niet langer wensen dat de dader van hem erft. Het kan bijvoorbeeld gaan om een onterechte beschuldiging van verkrachting of moord. Het is in lijn met de ratio van onwaardigheid deze grond te handhaven. Mocht de erflater minder zwaar tillen aan een dergelijke misdraging dan staat het hem vrij gebruik te maken van de mogelijkheid van vergeving. De erflater is door het feit immers niet overleden.
Met de Belgische wetgever ben ik van mening dat er nog ergere feiten voorstelbaar zijn, maar dat hoeft niet tot gevolg te hebben dat deze grond wordt afgeschaft. De ene grond sluit de andere niet uit.
Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat artikel 4:3 lid 1 onder c BW nog altijd een plaats verdient in ons wetboek.