Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.2.3:7.2.3 Vastlegging door een overlegorgaan (sociale partners)
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/7.2.3
7.2.3 Vastlegging door een overlegorgaan (sociale partners)
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258988:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Put & Charlens, Passende arbeid & behoorlijk ontslag 2007, p. 35-36.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de overlegorganen, de vakbonden en werkgeversorganisaties kunnen het begrip passende arbeid invullen. Bij de derde manier van het systeem van Van Langendonck bepaalt het collectief overleg wat de verhoudingen tussen de werkgevers en werknemers zijn en hoe die verhoudingen wijzigen. Het zou voor de hand liggen dat zij bepalen wat passende arbeid is. Er wordt een nieuw overlegorgaan in het leven geroepen dat de taak heeft om het begrip passende arbeid nader in te vullen. In het verlengde daarvan zouden ook commissies kunnen worden opgericht die geschillen beslechten met een soort bindend advies. Het voordeel van deze invulwijze is de soepelheid waarmee op wijzigende economische en maatschappelijke situaties kan worden ingespeeld. Het bedoelde overlegorgaan en de geschillenbeslechtingscommissies kunnen rekening houden met regionale en sectorale verschillen op de arbeidsmarkt. De nadelen van invulling door het collectief zijn de (grotere) rechtsonzekerheid bij de interpretatie en het feit dat de verhouding tussen werkgevers- en werknemersorganisaties gevoelig ligt. De compromissen die worden gesloten steunen niet altijd op louter rationele of objectieve overwegingen. Gelijke behandeling van de verzekerden is daarmee niet gewaarborgd. Ook wordt er geen rekening gehouden met de individuele rechten en vrijheden van de verzekerden. Tot slot is het de vraag of we zo veel verantwoordelijkheid bij de sociale partners willen neerleggen ten nadele van de overheidstaak in de sociale zekerheid.1