Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.4.2
10.4.2 Toegang tot de rechter
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233740:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 februari 1975, ECLI:CE:ECHR:1975:0221JUD000445170, NJ 1975/462, m.nt. Alkema.
Zie r.o. 36.
Zie bijv. Van den Eijnden 2011, p. 54-55.
EHRM 21 november 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:1121JUD003711297 (Fogarty t. het Verenigd Koninkrijk), r.o. 32.
Zie r.o. 33. Zie bijv. ook Barkhuysen en Van Emmerik 2017, p. 54-60, met verdere verwijzingen.
Zie hierover uitgebreider Van den Eijnden 2011, p. 51-53; Van der Pot/Elzinga, De Lange en Hoogers 2014, p. 824-831; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 264-265, met verdere verwijzingen.
Het recht op toegang tot de rechter is een van de belangrijkste rechten die uit artikel 6 EVRM voortvloeien. Hoewel dit recht niet met zoveel woorden in deze bepaling is neergelegd, heeft het EHRM in de zaak Golder t. het Verenigd Koninkrijk uit 1975 dit recht daar wel in gelezen.1 Deze zaak was aanhangig gemaakt door een Britse gedetineerde die ervan werd verdacht te hebben deelgenomen aan een opstand in een gevangenis. Volgens de gedetineerde werd hij daarvan echter ten onrechte beschuldigd en was hij daarom ten onrechte niet in aanmerking gekomen voor vervroegde vrijlating. Nadat hem de mogelijkheid was ontzegd om hierover een advocaat te kunnen raadplegen, diende hij een klacht in bij het EHRM. Daarmee werd het EHRM gevraagd of in het EVRM, meer in het bijzonder in artikel 6 daarvan, een recht op toegang tot de rechter ligt besloten. Het EHRM beantwoordde deze vraag bevestigend:
‘The Court [...] reaches the conclusion [...] that Article 6 [...] secures to everyone the right to have any claim relating to his civil rights and obligations brought before a court or tribunal.’2
Uit artikel 6 EVRM vloeien ook diverse andere, nauw met de toegang tot de rechter, verwante rechten voort. De belangrijkste daarvan zijn het recht op een eerlijk proces, het recht op een behandeling door een onafhankelijke en onpartijdige rechter, het recht op een behandeling binnen een redelijke termijn, en het recht op een volledige beoordeling van de feiten en het toepasselijke recht.3 Deze rechten vullen het recht op toegang tot de rechter nader in. Of zoals het EHRM het in latere rechtspraak heeft geformuleerd:
‘In the Golder case the Court held that the procedural guarantees laid down in Article 6 concerning fairness, publicity and promptness would be meaningless in the absence of any protection for the precondition for the enjoyment of those guarantees, namely, access to court. It established this as an inherent aspect of the safeguards enshrined in Article 6, referring to the principles of the rule of law and the avoidance of arbitrary power which underlie much of the Convention. Thus, Article 6 § 1 secures to everyone the right to have any claim relating to his civil rights and obligations brought before a court.’4
Bij dit alles moet worden bedacht dat de toegang tot de rechter een essentieel onderdeel is van een rechtsstaat. Tegelijkertijd is daarmee echter niet gezegd dat de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende rechten, waaronder het recht op toegang tot de rechter, absoluut zijn. Volgens het EHRM mogen verdragsstaten beperkingen daaraan stellen, mits deze beperkingen de kern van het recht niet aantasten, een legitiem doel dienen, voorzienbaar en proportioneel zijn.5
Ten slotte geldt dat het toepassingsbereik van artikel 6 EVRM in diverse opzichten is beperkt. Uit de bewoordingen daarvan volgt dat deze bepaling alleen van toepassing is bij de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen en bij strafvervolgingen. Hoewel vrijwel alle civielrechtelijke en bestuursrechtelijke geschillen hieronder kunnen worden geschaard, heeft het EHRM daar diverse uitzonderingen op gemaakt. Volgens vaste rechtspraak vallen geschillen over de toelating en uitzetting van vreemdelingen, over belastingen, en over de uitoefening van politieke rechten in beginsel niet onder het bereik van artikel 6 EVRM. Dit geldt in bepaalde opzichten ook voor geschillen over de rechtspositie van ambtenaren.6