Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.4.3:10.4.3 De zaak Markovic en anderen t. Italië (2006)
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.4.3
10.4.3 De zaak Markovic en anderen t. Italië (2006)
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233591:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijke vraag is hoe een political question-doctrine zich verhoudt tot het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter. Het EHRM heeft zich hierover uitgesproken in de zaak Markovic en anderen t. Italië uit 2006.1 Deze zaak heeft betrekking op in NAVO-verband uitgevoerde bombardementen in voormalig Joegoslavië in de jaren negentig. Tijdens deze bombardementen was ook een groot aantal burgers om het leven gekomen. De nabestaanden van enkele slachtoffers startten een procedure voor de Italiaanse rechter waarin zij de Italiaanse Staat met een beroep op nationaal en internationaal recht aansprakelijk stelden voor de dood van hun familieleden. Daaraan legden zij ten grondslag dat de bombardementen onrechtmatig waren en dat de Italiaanse Staat, door daaraan deel te nemen, onrechtmatig had gehandeld. Concreet bestond de deelname van Italië uit het ter beschikking stellen van het Italiaanse luchtruim en een legerbasis als uitvalsbasis voor de bombardementen.2
De Italiaanse rechter wees tot in hoogste instantie de vordering van de nabestaanden zonder inhoudelijke beoordeling af. Daartoe overwoog hij dat de beslissing van de Italiaanse regering om deel te nemen aan een militaire operatie in NAVO-verband bij uitstek een politiek karakter had en daarom niet aan een beoordeling kon worden onderworpen. Het antwoord op de vraag of de regering op goede gronden daartoe heeft besloten, was volgens de Italiaanse rechter aan de andere staatsmachten voorbehouden. Deze benadering doet per saldo sterk aan een Italiaanse political question-doctrine denken.3
De afwijzing van hun vordering door de Italiaanse rechter was voor de nabestaanden aanleiding om bij het EHRM een klacht in te dienen. Zij meenden dat de benadering van de Italiaanse rechter in strijd was met het recht op toegang tot de rechter uit artikel 6 EVRM. Dit recht omvat volgens de nabestaanden mede het recht op een inhoudelijke beoordeling ten gronde, en daarmee een oordeel van een onpartijdige en onafhankelijke rechter over het bestaan van een op nationaal of internationaal recht gebaseerd vorderingsrecht.
Het EHRM volgde dit betoog niet en concludeerde dat van een schending van artikel 6 EVRM geen sprake was. Daarbij stelde het voorop dat de benadering van de Italiaanse rechter onverlet liet dat klagers hun vordering aan de rechter hadden kunnen voorleggen en dat in dit geval ook hadden gedaan:
‘First and foremost the Court would note that the applicants were not in practice prevented from bringing their complaints before the domestic courts.’4
Het EHRM voegde hier drie argumenten aan toe. Allereerst benadrukte het dat het aan de nationale rechter en niet aan het EHRM is om het nationale recht uit te leggen en toe te passen.5 Vervolgens benadrukte het dat de Italiaanse rechter in eerdere rechtspraak zijn benadering uitvoerig had gemotiveerd. De afwijzing van de vordering zonder inhoudelijke beoordeling kwam in zoverre niet als een verrassing, maar was voorzienbaar.6 Ten slotte overwoog het EHRM dat deze benadering niet kan worden gelijkgesteld met een absolute immuniteit op grond waarvan een groot aantal geschillen aan toezicht van de rechter is onttrokken. Het gaat volgens het EHRM om slechts een beperkte categorie van geschillen waarin de hiervoor bedoelde benadering aan een inhoudelijke beoordeling in de weg staat:
‘The Court does not accept the applicants’ assertion that the impugned decision constituted an immunity, either de facto or in practice, because of its allegedly absolute or general nature. As the respondent Government rightly noted, the decision concerned only one aspect of the right to bring an action against the State, this being the right to claim damages for an act of government related to an act of war, and cannot be regarded as an arbitrary removal of the courts’ jurisdiction to determine a whole range of civil claims [...].’7
Aan dit oordeel van het EHRM in de zaak Markovic en anderen t. Italië moet grote betekenis worden toegekend, reeds omdat dit oordeel is gewezen door de Grote Kamer. Ook ben ik niet bekend met latere zaken waarin het EHRM de hiervoor besproken benadering heeft herhaald of heeft genuanceerd. Bij het ontbreken van meer recente rechtspraak met een andere strekking meen ik dat het hiervoor besproken oordeel nog steeds geldend recht is.