Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.4.4:10.4.4 Discussie en kritiek
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/10.4.4
10.4.4 Discussie en kritiek
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233795:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 17 december 2002, ECLI:CE:ECHR:2002:1217JUD003537397.
Zie r.o. 80 t/m 86. Zie voor een bespreking van dit arrest bijv. Schutgens 2013.
EHRM 14 december 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1214JUD000139803, punt 12 (concurring opinion of Judge Bratza joined by Judge Rozakis).
Idem, voorlaatste alinea (dissenting opinion).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Daarmee is echter niet gezegd dat het oordeel van het EHRM in de zaak Markovic en anderen t. Italië niet voor discussie of kritiek vatbaar is. Ook de Grote Kamer van het EHRM was met een stemverhouding van tien tegen zeven duidelijk verdeeld. Hoewel de uitkomst mij juist voorkomt, is de motivering daarvoor niet even overtuigend. Een belangrijk onderdeel van deze motivering is dat de hiervoor bedoelde benadering van de Italiaanse rechter op zichzelf geen inbreuk maakte op het recht op toegang tot de rechter. Het EHRM suggereerde daarmee dat deze benadering niet ‘raakt’ aan artikel 6 EVRM.
Ik betwijfel dat. Zoals hiervoor is gebleken, is voor de toepassing van artikel 6 van het EVRM vereist dat een burger de omvang van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging aan de rechter wil voorleggen. De zaak Markovic en anderen t. Italië illustreert dat de rechter, wanneer hij in een voorkomend geval terugvalt op een political question-doctrine, afziet van de vaststelling van de rechten en verplichtingen van een rechtzoekende of de gegrondheid van een stafvervolging, terwijl een rechtzoekende daar wel om vraagt. Mijns inziens is het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op toegang tot de rechter daarmee wel degelijk in het geding.
Tegelijkertijd betekent dit niet dat deze beperking van het recht op toegang tot de rechter niet kan worden gerechtvaardigd. Zoals gezegd, mag een beperking de kern van het recht op toegang tot de rechter niet aantasten. Daarnaast moet een beperking een legitiem doel dienen en proportioneel zijn. Naar mijn mening voldoet een political question-doctrine aan deze voorwaarden. Steun hiervoor ontleen ik aan de rechtspraak van het EHRM over de parle- mentaire immuniteit. Zoals in eerdere hoofdstukken is opgemerkt, is de parlementaire immuniteit in Nederland neergelegd in artikel 71 Gw. Op grond daarvan kan een politicus niet worden vervolgd of anderszins in rechte worden aangesproken voor uitspraken die hij in het parlement of in een Kamercommissie heeft gedaan. In de zaak A. t. Verenigd Koninkrijk heeft het EHRM zich uitgesproken over een vergelijkbare immuniteit die aan Britse parlementsleden toekomt.1 Deze immuniteit maakt volgens het EHRM weliswaar een inbreuk op artikel 6 EVRM, maar dient een legitiem doel en is proportioneel. Daarbij achtte het onder meer van belang dat immuniteit ook in andere landen aan politici is toegekend en daarmee past binnen een bredere traditie.2
Naar mijn mening is een vergelijkbare redenering bij een political questiondoctrine mogelijk. Zoals in de inleiding van dit onderzoek reeds is opgemerkt, zijn niet alleen in de Verenigde Staten, maar ook in diverse andere landen, zoals België, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, dergelijke doctrines ontwikkeld. In Markovic en anderen t. Italië valt te lezen dat hetzelfde geldt voor Italië. Net als een beginsel als dat van de parlementaire immuniteit, lijkt daarmee sprake van een traditie of een in diverse landen gedeelde gedachte dat de rechter zich in bepaalde geschillen afzijdig behoort te houden met het oog op de constitutionele verhoudingen. Dit is mijns inziens een legitiem doel. Daarnaast is het goed verdedigbaar dat een political question-doctrine het recht op toegang tot de rechter op zichzelf niet aantast en proportioneel is, nu de doctrine alleen toepassing kan vinden in een beperkte categorie van geschillen. En zelfs in die gevallen staat de doctrine er strikt genomen niet aan in de weg dat een rechtzoekende een geschil ter beoordeling aan de rechter voorlegt, waarna de rechter beziet of toepassing van de doctrine in de rede ligt.
Ook de concurring leden van het EHRM die de uitkomst in de zaak Markovic en anderen t. Italië onderschreven, maar de motivering van het EHRM niet even overtuigend vonden, voelden meer voor de hiervoor geschetste alternatieve redenering. Anders dan de overige leden, meenden ook zij dat de benadering van de Italiaanse rechter wel degelijk raakt aan de toegang tot de rechter, maar een legitiem doel dient en proportioneel is. Of zoals een van de concurring leden het formuleerde, daarbij verwijzend naar de Franse omschrijving van de doctrine:
‘The doctrine of ‘act of government’ has no very precise boundaries and the application of the doctrine must inevitably depend on the particular circumstances of the case in which it is raised. Moreover, […] it is not static but is liable to change and development over time. In my view, in concluding at the material time that, in the particular circumstances of the case before it, the doctrine was not only material but precluded the national courts from determining the issues raised by the case, the Court of Cassation did not exceed any acceptable limits.’3
De dissenting leden van het EHRM kozen duidelijk voor een andere benadering. Volgens hen diende de benadering van de Italiaanse rechter geen legitiem doel en was deze benadering disproportioneel. Bepalend daarvoor achtten zij dat de contouren van deze benadering niet vastomlijnd zijn. Daarom kon niet worden uitgesloten dat het bereik van deze benadering verstrekkender was dan de meerderheid aannam:
‘In reaching its conclusion, the Court of Cassation chose to disregard the nature of the court proceedings instituted by the applicants: these proceedings did not directly concern Italy’s participation in the armed conflict as a member of NATO and their purpose was not to have an act of government set aside. Their aim was simply to obtain compensation for the remote consequences of the political act concerned, consequences that were purely potential and unrelated to the purpose of the acts. Despite the general nature of the right set out in [...] the Italian Civil Code, the Court of Cassation ultimately refused to accept that any Italian court had jurisdiction to hear the applicants’ claims under domestic law, solely because the decision to participate in the aforementioned military operations was political in nature. The Court of Cassation thus went beyond any legitimate aim the political-act doctrine may be recognised as furthering and far beyond the bounds of proportionality.’4
De vraag is echter hoe reëel deze vrees van de minderheid voor een te vergaande toepassing van deze benadering door de Italiaanse rechter was. De in dit onderzoek besproken rechtspraak van de Amerikaanse en de Nederlandse rechter illustreert dat het aantal gevallen waarin de rechter meent dat een political question zich voordoet beperkt is. Amerikaanse en Nederlandse rechters passen de doctrine slechts in bijzondere gevallen toe.