Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/4.5.1
4.5.1 Bestuursrechter
1
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685352:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook kan het bestuursorgaan zelf in de bezwaarfase een besluit herroepen, wijzigen of intrekken. Ik ga in dit onderzoek echter alleen in op de (uitspraakbevoegdheid van de) bestuursrechter omdat de rechtsvorming zichtbaar plaatsvindt in de rechtspraak (niet in de beschikkingenpraktijk), zie ook par. 1.7.
Zie bijv. Kamerstukken II 2009/10, 32450, nr. 3, p. 2 en 10 (Wet aanpassing bestuursprocesrecht).
Onrechtmatige inlichtingen of toezeggingen kunnen ook buiten een concreet te nemen besluit worden gegeven of gedaan door een bestuursorgaan. Een voorbeeld is de zaak die leidde tot het arrest ’s-Hertogenbosch/Van Zoggel, HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340.
Niet-nakoming van verplichtingen kan aan de orde worden gesteld met een beroep op art. 3:296 BW. Voor wanprestatie is een tekortkoming in de nakoming in de verplichtingen nodig (par. 3.4). Dit betekent dat de schuldenaar in verzuim moet verkeren. Voor verzuim is in de regel een ingebrekestelling nodig. Dit onderscheid wordt van belang indien de eenzijdige rechtshandeling als een verbintenis wordt beschouwd, waarvan de niet-nakoming tot wanprestatie kan leiden. Zie par. 8.5.
Op de beperkte rechtsmacht van de bestuursrechter is de afgelopen jaren veel kritiek geweest. Assink & Bots 2018 geven een samenvatting van deze kritiek. Uit de literatuur volgt dat er veel aanhangers zijn van een uitbreiding van de rechtsmacht van de bestuursrechter. Dit zou moeten gebeuren door ook handelingen die met het besluit samenhangen onder de rechtsmacht van de bestuursrechter te laten vallen zodat hij over de gehele ‘bestuursrechtelijke rechtsbetrekking’ recht kan spreken. Over de exacte reikwijdte van de bestuursrechtelijke rechtsbetrekking bestaat wel discussie. Van Ommeren & Huisman 2013 pleiten voor het criterium ‘besluitgerelateerd’. Huisman & Van Ommeren 2014 noemen onder 3.2 ‘overheidsinlichtingen, -mededelingen en -toezeggingen’ als voorbeelden van overheidshandelingen die dan onder de competentie van de bestuursrechter zouden komen te vallen. Zie ook Verheij 2013. Van de Sande 2019a, par. 8.2 meent dat de voorstellen van Van Ommeren & Huisman navolging moeten krijgen. Kritisch daarover is Jansen 2019, onder 8.
HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3382, NJ 2000/561 (Noord-Brabant/Janse), rov. 3.4. Dit arrest zag op een voorbereidingsprocedure en niet op inlichtingen, maar de overweging is algemeen geformuleerd voor voorbereidingshandelingen. Zie ook M.W. Scheltema in: GS Onrechtmatige daad, V.1.8.2.3.4.
HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7898, NJ 1993/635, AB 1990/223 (Staat/Bolsius).
Zie hierover Van Male 2014. De bepaling bestaat sinds 1 juli 2013 met de invoering van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten en heeft – aldus Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 3, p. 45 – geen verandering in het leerstuk van de formele rechtskracht gebracht.
Hoewel in de jurisprudentie regelmatig een beroep wordt gedaan op de bepaling, is zelden sprake van succes. Schueler 2014a, p. 216 is kritisch over het feit dat onrechtmatige handelingen ter voorbereiding van een rechtmatig besluit niet onder art. 8:88 Awb vallen, omdat in dat geval hetzelfde argument geldt dat het praktisch is voor de bestuursrechter om het besluit en de voorbereidingshandelingen als een samenhangend geheel te kunnen beoordelen. Planken & Tjepkema 2020 constateren onder ‘Onrechtmatige handelingen ter voorbereiding van een besluit’ eveneens de beperkte toepassing van het artikel. Zie voor een bij uitzondering geslaagd beroep ABRvS 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1417.
Dit ging bijv. mis in CRvB 24 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4495, AB 2017/42, rov. 4.2.2, waar geen sprake was van samenhang tussen de e-mail en een te nemen besluit.
Zie bijv. Rb. Gelderland 23 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2563 en Rb. Gelderland 23 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2564.
Zie Polak en Roelfsema 2022, par. 3.1 over gebonden besluiten. In dat geval kan de bestuursrechter een besluit ‘vol’ toetsen en dus ook zelf in de zaak voorzien. Zij wijzen ter illustratie onder andere op het belastingrecht, socialezekerheidsrecht, het verkrijgen van een omgevingsvergunning, maar ook een ten onrechte opgelegde last onder dwangsom of bestuursdwang. Bij bestuurlijke boetes is zelf voorzien door de rechter op grond van art. 8:72a Awb verplicht.
Polak & Roelfsema 2022, par. 3.5.2.
Polak & Roelfsema 2022 merken op dat de mogelijkheden tot finale geschilbeslechting onder andere afhankelijk zijn van de toetsingsintensiteit van de bestuursrechter, p. 178. In geval van een grote mate van beoordelings- of beleidsruimte zal de bestuursrechter het bestaan van die ruimte moeten respecteren en het besluit met enige terughoudendheid toetsen.
Art. 8:90 en 8:91 Awb. Indien tijdens de procedure tegen het besluit om schadevergoeding wordt verzocht, moet goed in de gaten worden gehouden in het kader van welke besluitvorming onjuiste informatieverstrekking heeft plaatsgevonden: ABRvS 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:642, rov. 4.3.
Zie bijv. Kamerstukken II 2010/11, 32621, nr. 6, p. 2; ABRvS 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3445, JB 2018/16 en CRvB 10 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3934, rov. 2.3.
In een beroepsprocedure bij de bestuursrechter wordt de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordeeld.2 Een vertrouwensschending vindt – voor zover relevant voor dit onderzoek – plaats indien een bestuursorgaan anders besluit dan eerder aan een belanghebbende is voorgehouden via een bevoegdhedenovereenkomst, toezegging of inlichting.3 De bestuursrechter moet de vraag beantwoorden of het niet nakomen van een bevoegdhedenovereenkomst, toezegging of het geven van een (onjuiste) inlichting moet leiden tot vernietiging van dat besluit, niet of de vertrouwensschending naar de door de Hoge Raad ontwikkelde criteria niet-nakoming of wanprestatie4 oplevert of onrechtmatig is. Het besluit staat kortom bij de bestuursrechter centraal, niet de handelingen voorafgaand aan de besluitvorming.5
Voor de rechtmatigheidstoets van voorbereidende handelingen geldt dat ‘de bestuursrechter […] de gang van zaken tijdens de voorbereidingsprocedure slechts [behoeft] te beoordelen met het oog op de vraag of daarmee een voldoende grondslag is gelegd voor het nemen van een besluit’ waarbij geldt dat een ‘ontkennende beantwoording van deze vraag niet behoeft mee te brengen dat handelingen in het kader van de voorbereidingsprocedure op zichzelf als onrechtmatig zijn aan te merken’.6 De vernietiging van een besluit betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat ook de voorbereidingshandelingen onrechtmatig zijn, en het in stand blijven van een besluit betekent evenmin automatisch dat een bestuursorgaan niet onrechtmatig heeft gehandeld bij de voorbereiding van het besluit.7 De bestuursrechter kan bijvoorbeeld constateren dat een vergunning gelet op de wet of de bij het besluit betrokken zwaarder wegende belangen terecht is geweigerd, hoewel een daaraan voorafgegane overheidsuitlating het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat de vergunning zou worden verleend.
Zoals in het volgende hoofdstuk duidelijk wordt, betekent een rechtmatig besluit evenmin dat het besluit daarmee een correcte nakoming van een bevoegdhedenovereenkomst of toezegging behelst.
De bestuursrechter kan aan het besluit voorafgaande handelingen slechts zelden – namelijk louter bij toepassing van artikel 8:88 lid 1 sub b Awb – zelfstandig beoordelen.8 Een belanghebbende kan op grond van die bepaling onder andere verzoeken om vergoeding van schade als gevolg van ‘een onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit’. De bepaling creëert de bevoegdheid voor de bestuursrechter om in een verzoekschriftprocedure tot het verkrijgen van schadevergoeding ook aan het besluit voorafgegane (feitelijke) handelingen zoals een mededeling te beoordelen op rechtmatigheid. De bepaling speelt in de praktijk een beperkte rol.9 Dit komt vooral door de vereiste dubbele onrechtmatigheid van zowel de voorbereidende handeling als het daarop gevolgde besluit en omdat causaal verband tussen de onrechtmatige voorbereidingshandeling en de schade moet worden aangetoond.10 Artikel 8:88 lid 1 Awb biedt dan ook geen uitkomst voor mogelijk onrechtmatige voorbereidingshandelingen zoals een (in de ogen van belanghebbende) niet nagekomen bevoegdhedenovereenkomst, toezegging of onjuiste informatieverstrekking die is gevolgd door een rechtmatig maar voor hem negatief besluit zoals een afwijzing van een vergunningaanvraag.
Om een besluit met een bepaalde inhoud af te dwingen of juist tegen te gaan (bijvoorbeeld: vernietiging van de afwijzing van de vergunningaanvraag) moet een burger bestuursrechtelijke rechtsmiddelen aanwenden. De bestuursrechter kan op grond van artikel 8:72 Awb een besluit vernietigen. Bij een vernietiging kan de bestuursrechter bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven of dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan (artikel 8:72 lid 3 Awb11). Veelal – als de wet niet dwingend voorschrijft hoe het bestuur zijn bevoegdheid moet uitoefenen,12 maar het bestuur bijvoorbeeld veel beslissingsruimte laat of een specifieke deskundigheid13 nodig is voor het nemen van het besluit 14 – is zulke finale geschilbeslechting waarin de bestuursrechter zijn uitspraak in de plaats stelt van het vernietigde besluit 15 echter niet mogelijk. De bestuursrechter draagt dan na vernietiging van het besluit het bestuursorgaan op een nieuw besluit te nemen of een andere handeling te verrichten met inachtneming van zijn aanwijzingen (artikel 8:72 lid 4 Awb).
Naast een verzoek tot vernietiging van een besluit, bestaat in het bestuursrecht de mogelijkheid voor appellant om via een verzoekschriftprocedure de nadelige gevolgen van een succesvol aangevochten besluit ongedaan te maken via financiële compensatie. 16Het verkrijgen van schadevergoeding is geregeld in titel 8.4, ‘Schadevergoeding’, van de Awb (artikel 8:88-8:95).
De bevoegdheid van de bestuursrechter een veroordeling tot schadevergoeding bij een vernietigd besluit uit te spreken, is vervolgens afhankelijk van de hoogte van het verzoek om schadevergoeding. Indien de schade wordt veroorzaakt door een besluit waarover de Centrale Raad van Beroep of de Hoge Raad in enige of hoogste aanleg oordeelt, is de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd (artikel 8:89 lid 1 Awb). In de overige gevallen is de bestuursrechter bevoegd voor zover de gevraagde vergoeding ten hoogste EUR 25.000,- bedraagt, en onverminderd het recht van belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen (artikel 8:89 lid 2 Awb). Het staat de burger vrij om in die gevallen waarin geen exclusieve rechtsmacht van de bestuursrechter bestaat, naar de civiele rechter te gaan. Het verzoek kan – na een schriftelijk verzoek aan het betrokken bestuursorgaan – zowel tijdens de beroepsproce-dure als daarna worden gedaan en verloopt via een zelfstandige verzoekschriftprocedure.17 De bestuursrechter zoekt bij het vaststellen van de schadevergoeding aansluiting bij het civiele schadevergoedingsrecht.18
Op grond van een relatief recent ingezette jurisprudentielijn bestaat bij een schending van gerechtvaardigd vertrouwen dat het moet afleggen tegen zwaarder wegende belangen op grond van artikel 3:2 Awb, artikel 3:4 lid 2 Awb of artikel 3:46 Awb mogelijk een recht op schadevergoeding. Het bestuursorgaan moet dan – via een onzelfstandig schadebesluit – reeds bij zijn besluitvorming rekening houden met de (financiële) gevolgen van een vertrouwensschending door een besluit en daarvoor zo nodig schadevergoeding bieden. Die schadevergoeding voor een schending van gerechtvaardigd vertrouwen behandel ik in paragraaf 6.4.2.