Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.11.3
6.11.3 Prijsgeven in art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB 2001
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS444852:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In het hiernavolgende worden de termen 'kwijtschelding' en 'afstand om niet' als synoniemen van elkaar gebruikt.
Zie art. 3:37 BW en Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II* 2009, nr. 315 e.v.
Vgl. HR 18 oktober 2002, NJ 2002, 565.
Zie paragraaf 6.8.
Hof 's-Gravenhage 6 juni 1988, FED 1988/603.
Hof Arnhem 19 april 1996, V-N 1996, 2973.
HR 7 december 2001, V-N 2002/2.8, r.o. 3.4.
Zoals het stoppen van invorderingsmaatregelen of het' dichtdoen' van een dossier. Zie noot onder HR 7 december 2001, V-N 2002/2.8. In zijn conclusie bij HR 18 februari 2010, V-N 2010/15.12 gaat A-G Van Wattel onder meer in op het arrest van de Hoge Raad van 7 december 2001 en hij leidt daaruit af dat onder 'prijsgeven' in de zin van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB 2001 verstaan moet worden het - formeel of feitelijk - definitief afzien van pogingen de vordering te innen.
HR 7 december 2001, V-N 2002/2.8, zie in het bijzonder r.o. 3.4. Zie echter HR 12 augustus 2005, V-N 2005/39.11: de vordering was verjaard, maar de schuldeiser zelf had niets ondernomen. Dit was voor het hof voldoende om prijsgeven aan te nemen, hetgeen in cassatie niet werd bestreden.
HR 14 oktober 1992, BNB 1992/392, FED 1992/912.
In dezelfde zin Van Oers, Schuldsanering en de fiscale kwijtscheldingswinstregeling, TFO 1998/37, p. 123-144 en Van Oers, De doorstart van een NV/BV bij insolventie, Fiscale monografieën, 2007, p. 160 en 161.
Mobach, Sillevis e.a., Cursus Belastingrecht, Suppl. 274 (juni 1998), p. 209.
Thans art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB. Mobach, Sillevis e.a., Cursus Belastingrecht, Suppl. 274 (juni 1998), p. 209.
HR 14 oktober 1992, BNB 1992/392, FED 1992/912.
Wat wordt bedoeld met het 'prijsgeven' van de vordering door de schuldeiser in art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB? De wetgever gebruikt in voornoemd artikel noch de term 'kwijtschelding' (zoals in art. 1474 oud BW) noch het huidige gebruikte begrip 'het doen van afstand van een vorderingsrecht' in de zin van art. 6:160 BW. Heeft de wetgever met het woord 'prijsgeven' in art. 3.13 Wet IB iets anders willen uitdrukken dan een kwijtschelding1 in de zin van art. 6:160 BW? Of heeft men hier te maken twee identieke begrippen? Taalkundig bezien zijn de begrippen 'prijsgeven' en 'kwijtschelding' synoniemen van elkaar. Zo vindt men onder andere in het woordenboek van Van Dale dat onder 'prijsgeven' onder meer het volgende kan worden verstaan: opofferen, opgeven, afzien van, afstand doen van. Zijn de twee begrippen in juridisch opzicht eveneens inwisselbaar? Aan de hand van het akkoord zal hierna worden uiteengezet dat van de begrippen 'kwijtschelding' in de zin van art. 6:160 BW en 'prijsgeven' in art. 3.13 Wet IB niet kan worden gezegd, dat deze ook in juridisch opzicht synoniemen zijn.
Het doen van afstand van een vorderingsrecht is geregeld in art. 6:160 BW. Een schuldeiser kan jegens zijn schuldenaar om baat en om niet afstand doen van zijn recht. Wat zijn de vereisten voor het doen van afstand van een vorderingsrecht? Ingevolge art. 6:160 BW dient de afstand van een vorderingsrecht te geschieden door een overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar. Er dient sprake te zijn van wilsovereenstemming tussen partijen. Dit laatste wordt op grond van art. 6:160 lid 2 BW al snel aangenomen in geval van afstand van een vorderingsrecht om niet. In lid 2 van art. 6:160 BW wordt immers bepaald dat de instemming van de schuldenaar wordt aangenomen, wanneer hij het aanbod niet onverwijld afwijst, nadat hij hiervan kennis heeft genomen. Voor het overige is het doen van afstand om niet, vormvrij. Dit betekent onder meer dat in beginsel geen uitdrukkelijke verklaring is vereist en dat verklaringen ook in gedragingen besloten kunnen liggen.2 Uit het voorgaande mag echter niet worden afgeleid dat snel zou mogen worden aangenomen dat een schuldeiser afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht. Vanwege het ingrijpende rechtsgevolg van de 'kwijtschelding' voor de desbetreffende schuldeiser, mag niet spoedig worden aangenomen dat deze afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht.3 Het rechtsgevolg van het doen van afstand van een vorderingsrecht is immers, dat hiermee het vorderingsrecht teniet gaat. Bij een akkoord doen schuldeisers geen afstand van een gedeelte van hun vorderingsrecht in de zin van art. 6:160 BW. Uitgangspunt bij een akkoord is immers, dat de niet-voldane gedeelten van de vorderingen overblijven als natuurlijke verbintenissen.4
Wanneer kan worden gesproken van 'prijsgeven' in de zin van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB? Als we een aantal uitspraken op dit punt nader bekijken, dan is onder meer het hof 's-Gravenhage van oordeel dat sprake is van 'prijsgeven', indien de schuldeiser van invordering heeft afgezien en de schuldenaar de schuld vervolgens afboekt.5 Een arrest met min of meer dezelfde strekking is afkomstig van het hof Arnhem, waar werd geoordeeld dat sprake was van 'prijsgeven' in de zin van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB, omdat door een bank geen invorderingsmaatregelen werden genomen en periodiek geen herinneringen over de openstaande schuld werden gestuurd aan de schuldenaar.6 Dit terwijl uit de vaststaande feiten was af te leiden dat de bank de vordering jegens de schuldenaar niet had kwijtgescholden. Er was met andere woorden geen sprake van het doen van afstand van een vorderingsrecht in de zin van art. 6:160 BW. Daarnaast heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 7 december 2001 beslist dat 'prijsgeven' meer omvat dan de enkele 'kwijtschelding' en dat voor 'prijsgeven' geen uitdrukkelijke kwijtschelding is vereist. De Hoge Raad overweegt als volgt:
"Indien het Hof ervan is uitgegaan dat van prijsgeven in de zin van art. 8, lid 1 letter c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 slechts sprake kan zijn indien uitdrukkelijk wordt kwijtgescholden, berust het oordeel op een onjuiste, te beperkte, opvatting van dat begrip prijsgeven. Indien het Hof heeft bedoeld dat niet is gebleken dat in feite K BV definitief had afgezien van pogingen haar vordering te innen, is het oordeel niet toereikend gemotiveerd."7
Uit de overweging van de Hoge Raad kan worden opgemaakt dat 'prijsgeven' ook gelegen kan zijn in een andere activiteit.8 Voor het kunnen aannemen van 'prijsgeven' is vereist dat de schuldeiser een zekere bewuste activiteit met betrekking tot de vordering heeft verricht, zoals het stoppen met het nemen van invorderingsmaatregelen.9
Wat kan uit het voorgaande worden afgeleid? Onder 'prijsgeven' in de zin van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB valt in ieder geval de situatie dat een schuldeiser afstand doet van zijn vorderingsrecht ex art. 6:160 BW. Met andere woorden, indien sprake is van een kwijtschelding is tevens sprake van 'prijsgeven' in de zin van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB. Echter, van 'prijsgeven' ex art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB is ook sprake indien een schuldeiser weliswaar afziet van inning van zijn vordering, maar van de vordering geen afstand heeft gedaan in de zin van art. 6:160 BW.10 Geconstateerd kan worden, dat de begrippen 'prijsgeven' in art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB en 'afstand doen van' in art. 6:160 BW juridisch bezien geen synoniemen van elkaar zijn. Het begrip 'prijsgeven' dient ruimer te worden opgevat en omvat meer dan het doen van afstand van een vorderingsrecht in de zin van art. 6:160 BW.11 Door de Hoge Raad is dit beslist in het genoemde arrest van 7 december 2001. In de literatuur is dezelfde zienswijze terug te vinden bij Mobach.12 Hij schrijft:
"Art. 8, lid 1, onderdeel c, noemt niet de in het spraakgebruik ingeburgerde term 'kwijtschelding', doch spreekt van 'prijsgeven van rechten' door de schuldeiser. Daarmee wordt ons inziens aangegeven dat de faciliteit niet alleen van toepassing is in geval van een formele, uitdrukkelijke, kwijtschelding door de crediteur, doch evenzeer in andere gevallen waarin de crediteur de inning van de vordering niet voortzet.”13
Wanneer kan er niet worden gesproken van 'prijsgeven? Het arrest van 14 oktober 1992 geeft hiervan een voorbeeld:
"(...) nu immers het faillissement van BV Dochter heeft geleid tot haar ontbinding en tot de vereffening van haar vermogen door het verbindend worden van de enige uitdelingslijst, zodat de schuldeisers als gevolg hiervan hun rechten in feite teloor zagen gaan, er dus niet kan worden gesproken van het prijsgeven van rechten."14
Uit bovenstaande overweging van de Hoge Raad met betrekking tot het begrip 'prijsgeven' blijkt, dat er geen sprake is van 'prijsgeven' in de situatie dat een slotuitdelingslijst verbindend wordt. Het faillissement eindigt op grond van art. 193 Fw en in geval van een vennootschap wordt de vennootschap ontbonden en houdt daarmee op te bestaan. De schuldenaar kan derhalve geen gebruik maken van de fiscale faciliteit van art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB. In paragraaf 6.12.5 zal hierop nader worden ingegaan.