Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.11.1
6.11.1 'Kwijtschelding' bij akkoord
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441226:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In beginsel, want aangezien het akkoord een overeenkomst is, kunnen partijen anders overeenkomen, bijvoorbeeld dat wèl sprake is van het doen van afstand van recht in de zin van art. 6:160 BW. De gebondenheid hieraan geldt mijns inziens alleen voor die schuldeisers die voor het akkoord hebben gestemd. Aangezien het akkoord in de Faillissementswet een dwangakkoord is, zullen er doorgaans ook schuldeisers zijn die tegen het akkoord hebben gestemd en of schuldeisers die niet in het faillissement of surséance van betaling of in de schuldsaneringsregeling zijn opgekomen. Voor deze groepen van schuldeisers geldt mijns inziens steeds dat hun restantvorderingen als natuurlijke verbintenissen blijven voortbestaan. Zie paragraaf 6.8.
Zie paragraaf 6.8.
Inleiding
Zoals hiervoor is gebleken, wordt in een akkoord veelal de bepaling opgenomen dat de schuldenaar een bepaald percentage van de vorderingen van zijn schuldeisers zal voldoen tegen 'finale kwijting'. In de onderhavige paragraaf wordt een aantal fiscaalrechtelijke vragen aan de orde gesteld die van belang kunnen zijn voor het akkoord. Een van deze vragen is, of bij een akkoord sprake is van 'kwijtschelding'. De term 'kwijtschelding' komt in het fiscale recht op een aantal plaatsen terug, onder andere in de Wet Inkomstenbelasting en de Wet Vennootschapsbelasting. Ook met betrekking tot een akkoord wordt in het fiscale recht gesproken van 'kwijtschelding' door de schuldeisers. De vraag die hierbij kan worden gesteld, is of met 'kwijtschelding' in het fiscale recht wordt bedoeld 'het doen van afstand van een recht' in de zin van art. 6:160 BW. Onder het oude recht werd in art. 1474 oud BW immers ook gesproken van 'kwijtschelding'. In art. 6:160 BW heeft het begrip 'kwijtschelding' plaats gemaakt voor de term 'het doen van afstand van een vorderingsrecht'. In de literatuur wordt echter nog steeds gebruik gemaakt van de term 'kwijtschelding' indien een schuldeiser om niet afstand doet van zijn vordering jegens zijn schuldenaar. De vraag rijst of met het begrip 'kwijtschelding' dat zowel in het fiscale recht als in het civiele recht wordt gebruikt, juridisch bezien hetzelfde wordt bedoeld. Heeft men hier te maken met één en hetzelfde begrip? Het belang van het antwoord op deze vraag wordt wellicht duidelijk, indien men beseft dat bij een akkoord in beginsel1 geen sprake is van 'kwijtschelding' in de zin van art. 6:160 BW. Zowel in de parlementaire geschiedenis, als in de literatuur en rechtspraak wordt immers algemeen aangenomen, dat de niet-voldane gedeelten van de vorderingen in beginsel van rechtswege resteren als natuurlijke verbintenissen.2