Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.6.2.1
5.6.2.1 Toepasselijke regels
mr. drs. J.E. de Klerk, datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193687:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
In paragraaf 5.2 zijn de vergunningvereisten opgenomen.
Art. 6 lid 1 Icbe-Richtlijn en overweging 11 Icbe-Richtlijn.
CESR/08-867, p. 14.
CESR/08-867, p. 14.
Art. 27 lid 4 EC Regulations 2011 en art. 114 lid 4 UCITS Law 2010.
En op onderdelen van art. 4:9b Wft (ten aanzien van de samenstelling en het functioneren van het bestuur van een beleggingsonderneming) en art. 4:15 Wft (ten aanzien van de bedrijfsvoering van financiële dienstverleners die niet het bedrijf van financiële instelling, bank of verzekeraar uitoefenen).
Vgl Grundmann-van de Krol (2016), paragraaf 427.
De beheerder krijgt in de lidstaat van herkomst zijn vergunning.1 In beginsel geldt deze vergunning voor al zijn werkzaamheden in de Europese Unie en ook voor bijkantoren.2 Als de beheerder een bijkantoor in een andere lidstaat vestigt, is voorzien in een verdeling van toepasselijke regels tussen de twee lidstaten. Op de beheerder zijn de prudentiële en organisatorische regels van zijn lidstaat van herkomst van toepassing.3 Ten aanzien van de gedragsregels zijn de regels van de lidstaat waarin het bijkantoor is gevestigd van toepassing.4
De prudentiële en organisatorische regels zijn opgesomd in artikel 12 en 13 van de Icbe-Richtlijn. Hier komen onder andere de volgende onderwerpen aan bod:
administratieve en boekhoudkundige organisatie;
IT-beveiliging;
interne controleprocedures, waaronder die op privébeleggingen;
gedegen vastlegging van transacties waarbij de icbe betrokken is;
belangenconflictenbeleid;
regels ten aanzien van uitbesteding.
De gedragsvereisten voor de beheerder die in artikel 14 zijn opgesomd, zijn niet vastomlijnd:
billijke en loyale inzet voor de belangen van de beheerde icbe’s en de integriteit van de markt;
bekwame, zorgvuldige en toegewijde inzet voor de belangen van de door hem beheerde icbe’s;
doeltreffend gebruik van middelen en procedures voor een deugdelijke bedrijfsuitoefening;
het trachten te voorkomen van belangenconflicten;
voldoen aan alle voorschriften teneinde de belangen van zijn beleggers te behartigen.
CESR was zich in haar advies aan de Europese Commissie inzake Icbe-Richtlijn IV bewust van deze overlap. Zo stelde ze het volgende:5
“There are areas which could be identified as borderline, such as internal organisation, risk management or conflicts of interest. Conflicts of interest are relevant with respect to both conduct of business rules and organisational arrangements as already applicable for the management companies which provide the service of individual portfolio management which is regulated under MiFID. The low level of harmonisation in the current Directive renders this issue particularly sensitive. In this regard, the advice proposes that the remote management company in the free provision of services (or through establishment of a branch) should comply with the organizational requirements and procedures (including risk management process and conflicts of interest procedures) set down by its home Member State; the management company competent authority should supervise compliance with the said rules. However, it is proposed that the UCITS home competent authority should be satisfied that the management company’s risk management process and conflicts of interest procedures are adequate for the UCITS which is proposed to be managed.”
Om dit op te lossen stelde CESR voor de bepalingen hieromtrent zoveel mogelijk te harmoniseren zodat de praktische verschillen beperkt zijn.6
Veel organisatorische onderwerpen (audit, risk en compliance-functie, boekhouding etc.) hebben meer raakvlakken met artikel 12 van de Icbe-Richtlijn. Bovendien zijn deze onderwerpen ook logischer te implementeren op beheerderniveau dan op bijkantoorniveau. Hetzelfde geldt voor de remuneratieregels.
De gedragsregels uit hoofdstuk 4 van Icbe-Uitvoeringsrichtlijn 2010/43 zijn een uitwerking van alleen artikel 14 van de Icbe-Richtlijn. Dit betekent dat een bijkantoor aan de regels van de lidstaat van ontvangst moet voldoen ten aanzien van de onderwerpen in hoofdstuk 4. Hierin zijn onder andere verplichtingen opgenomen ten aanzien van rapportage van uitgevoerde orders, optimale orderuitvoering, verwerking van orders en provisies.
In de nationale implementaties in Luxemburg en Ierland is letterlijk de tekst van de Richtlijn overgenomen.7 Dit levert zodoende weinig aanvullend inzicht op. In Nederland is de Richtlijn niet letterlijk gevolgd. Op buitenlandse beheerders die een bijkantoor in Nederland hebben gevestigd, zijn de vereisten van toepassing die volgen uit artikel 4:11, 4:14, 4:16 en 4:17 Wft.8 Dit zijn de gedragsregels, belangenconflictenregels, de uitbestedingsregels en regels omtrent de behandeling van klachten. Hoofdstuk 5 van het Bgfo bevat bepalingen ter uitvoering van art. 4:14 lid 2 Wft.9 Dit betekent dat alle vereisten die hierin zijn opgenomen, ook van toepassing zijn op bijkantoren. Deze vereisten hebben betrekking op de inrichting van het bijkantoor en de verplichte functies, etc.10 De reikwijdte is daarom ruimer dan in de Richtlijn is beoogd.11