Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.5.3:11.5.3 Selectie van informatie met het oog op het bewijsgebruik en de kwalificatie
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/11.5.3
11.5.3 Selectie van informatie met het oog op het bewijsgebruik en de kwalificatie
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bockstaele 1995, p. 109-110.
Zie Huisman, Pranger & Steenwinkel 2007, p. 30.
Rock 2001, § 7.
Zoals in § 12.4.1nog nader aan de orde wordt gesteld, kan dit leiden tot confirmation bias. Doordat de verbalisant reeds een selectie maakt wordt partijen later in het strafproces de mogelijkheid ontnomen om andere verhalen te toetsen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Processen-verbaal van getuigenverhoren hebben als gezegd in de regel een beknopt en samenvattend karakter. Slechts bij uitzondering wordt gekozen voor een gedetailleerde weergave van de gestelde vragen en antwoorden of een letterlijke transcriptie van het verhoor. De beknopte of ‘zakelijke’ verslaglegging is in alle fasen van het strafproces de norm. Bij een zakelijke verslaglegging maakt de functionaris die de verklaring optekent een selectie uit de aangeboden informatie. Niet alle door de getuige ingebrachte informatie wordt immers relevant bevonden. De persoon die het verslag maakt zal in het procesverbaal die informatie opnemen, waarvan hij meent dat de lezer die nodig heeft om een beslissing te nemen, en daarbij overbodige details achterwege te laten. De reden voor deze werkwijze is dat processen-verbaal erg omvangrijk en lastiger te doorgronden worden als alles waarover is verklaard moet worden genoteerd. De verklarende persoon maakt niet altijd onderscheid tussen hoofden bijzaken, met als gevolg dat de klemtoon van het proces-verbaal mogelijk anders worden gelegd dan vanuit een oogpunt van bewijs en kwalificatie wenselijk is.1 Het selecteren van de relevante feiten wordt gezien als taak van de opsteller van het proces-verbaal en niet als taak van de getuige of de lezer van het proces-verbaal.2 Degene die het proces-verbaal opstelt brengt niet alleen een selectie aan in de aangeboden hoeveelheid informatie, maar tracht daarnaast ook een min of meer ‘eenduidig’ verhaal te verkrijgen. Ten behoeve daarvan zal hij aarzelingen, vaagheden en inconsistenties soms weglaten of reduceren.3
De selectie uit de door de getuige aangeboden informatie geschiedt mede met het oog op de strafbepaling die volgens de verhoorder op de centrale gedraging(en) van toepassing is.4 In veel gevallen zal immers tijdens het verhoor reeds sprake zijn van een specifieke verdenking jegens een bepaald persoon van een concreet strafbaar feit en wordt het verhoor door deze verdenking gedomineerd. Degene die het proces-verbaal opstelt zal met de strafbepaling in zijn achterhoofd zijn best doen om alle voor het delict relevante feiten in het verslag aan bod te laten komen. De wens om alle relevante bestanddelen van het delict aan de oppervlakte te brengen, kan soms echter leiden tot enigszins merkwaardig of gekunsteld aandoende constructies. Zo staat in processen-verbaal van aangifte van winkeldiefstal steevast de zinsnede dat het goed zonder toestemming is weggenomen. Dit wordt in het proces-verbaal opgenomen met het oog op het nader te bewijzen bestanddeel ‘met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening’. De bewuste mededeling treft men echter ook aan in de situatie waarin de verdachte zonder te betalen langs de kassa is gelopen en uit de feiten al duidelijk is dat toestemming tot het meenemen van de goederen heeft ontbroken. Ook in een proces-verbaal van aangifte van mishandeling of bedreiging wordt vaak gerefereerd aan het ontbreken van toestemming.
Uit het voorgaande volgt dat de functionaris die het proces-verbaal opmaakt, meer doet dan het louter conserveren van de relevante informatie met het oog op de bewijs- en de kwalificatievraag. Vooral bij de politie bestaat soms de neiging om op deze – aan de beslissende rechter voorbehouden – vragen vooruit te lopen door de verklaring van de getuige alvast in kwalificerende bewoordingen op te tekenen. Een voorbeeld van dergelijk kwalificerend taalgebruik betreft de persoon die aangifte doet van oplichting en verklaart dat de persoon aan wie hij zijn bankpas heeft afgegeven ‘de opzet heeft gehad om zich wederrechtelijk te bevoordelen’. Deze bewoordingen passen precies onder de delictsomschrijving van artikel 326 Sr en zullen niet op deze manier door de getuige in de mond zijn genomen. In dit verband wordt ook wel gesproken van het ‘toeschrijven naar de tenlastelegging’. Het gaat dan om het selecteren en verwoorden van de relevante feiten op zodanige wijze dat deze passen bij de delictsomschrijving. In het volgende voorbeeld wordt duidelijk hoe feitelijke en ‘kwalificerende’ beschrijvingen door elkaar kunnen lopen.
‘Ik ben als senior pedagogisch medewerker werkzaam voor de stichting kinderopvang Leiden. Ik ben namens de stichting gemachtigd tot het doen van aangifte. Ik doe aangifte van inbraak dan wel van poging tot inbraak in een bedrijfspand gevestigd op (...). Dit betreft kinderopvangcentrum genaamd (...). Men heeft gepoogd een goed weg te nemen dat de stichting kinderopvang Leiden geheel in eigendom toebehoort. Niemand had het recht of de toestemming dit goed weg te nemen noch om dit te doen door middel van braak/verbreking/inklimming/ valse sleutel. De uitvoering van het misdrijf is niet voltooid omdat ik begreep dat de inbreker overlopen is door de politie en is aangehouden. Ik kan u verder het volgende verklaren: [feitelijke beschrijving]
Het pand is rondom slotvast en onbeschadigd afgesloten.’
In dit voorbeeld, ontleend aan een bestaand proces-verbaal van aangifte, wordt de verklaring eerst in de kwalificerende bewoordingen weergegeven, waarna (op de in het citaat aangeven plaats) een beschrijving volgt waarin dergelijke formuleringen grotendeels ontbreken. Kwalificerende passages plegen in processen-verbaal vooral aan het begin en aan het slot van de verklaring te staan, waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van standaard tekstblokken. Het volgende tekstblok is daar een ander duidelijk voorbeeld van.
‘Ik doe aangifte van oplichting. Doordat de verdachte een valse naam/valse hoedanigheid aannam, dan wel gebruikmaakte van listige kunstgrepen/samenweefsels van verdichtsels, werd ik bewogen tot de afgifte van geld/goed. Als ik dat zou hebben geweten, dat verdachte een valse naam/valse hoedanigheid had aangenomen, dan wel gebruikmaakte van listige kunstgrepen/samenweefsel van verdichtsels, dan zou ik niet tot afgifte zijn overgegaan. De oplichting vond als volgt plaats: (...)’
Een passage als de bovenstaande biedt geen inhoudelijke informatie, maar zegt uitsluitend iets over de kwalificatie die de verhoorder op het oog had toen hij het verhoor afnam. In beide voorbeelden volgen na deze kwalificerende passages door de verbalisant, de verklaringen van de getuige in min of meer eigen bewoordingen. Niettemin kan men kwalificerende bewoordingen ook in het lopende verhaal van de getuige aantreffen. Wanneer in een procesverbaal van aangifte inzake diefstal staat dat de inbreker met een ‘valse sleutel’ is binnengekomen, dan betreft dat een kwalificerende term die de getuige waarschijnlijk niet zo zal hebben gebruikt.
Als gezegd is het proces van transformatie het meest zichtbaar bij de zakelijke verslaglegging in de vorm van een monoloog. Echter, een deel van de hiervoor beschreven mechanismen doet zich ook voor bij processen-verbaal die zijn opgesteld in vraag- en antwoordvorm. Dat vragen in het proces-verbaal zijn opgenomen, betekent namelijk niet dat die vragen ook daadwerkelijk zo zijn gesteld of de antwoorden woordelijk zijn geregistreerd. Soms worden vragen achteraf ingevoegd ter structurering van het betoog of behelzen de antwoorden een samenvatting doordat alleen de hoofdvragen zijn ingevoegd. Op de vraag bijvoorbeeld of de getuige het wapen kan beschrijven, kan in het proces-verbaal een uitvoerig antwoord volgen, waarbij de vragen naar de vorm, de kleur en dergelijke niet meer worden genoemd. Het lijkt hierdoor alsof de getuige geheel uit eigen beweging over deze details verhaalt, maar dat hoeft niet het geval te zijn geweest. Aan de lengte van het antwoord en het aantal vragen valt overigens meestal wel af te lezen of het al dan niet een samenvatting betreft. Over het algemeen blijft men bij weergave van een verhoor in vraag- en antwoordvorm dichter bij de gebruikte bewoordingen van de getuige dan bij zakelijke verslaglegging in de vorm van een monoloog. Echter, alleen bij een letterlijke transcriptie, waarbij de interactie tijdens het verhoor letterlijk wordt uitgewerkt, is het proces van transformatie tot een minimum gereduceerd.